Hoofdelijke aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/3.2.4.2.1:3.2.4.2.1 Algemeen
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/3.2.4.2.1
3.2.4.2.1 Algemeen
Documentgegevens:
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931065:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HvJEU 4 september 2014, C-408/12 P, ECLI:EU:C:2014:2153 (YKK/Commissie), r.o. 62-63, en Verordening (EG) nr. 1/2003, considerans, nr. 30.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
51. Boetes als publiekrechtelijke sancties op schending van Europees mededingingsrecht. De publiekrechtelijke handhaving van het kartelverbod (art. 101 VwEU) en het verbod op het misbruiken van een economische machtspositie (art. 102 VwEU) is primair opgedragen aan de Commissie. Verordening (EG) nr. 1/2003 voorziet in verschillende bevoegdheden voor de Commissie, waaronder het bij besluit (beschikking) vaststellen van inbreuken (art. 7) en het opleggen van sancties, zoals geldboeten (art. 23). Indien de Commissie een inbreuk op het mededingingsrecht vaststelt, kan zij iedere betrokken onderneming een boete opleggen van maximaal 10% van de totale omzet van die onderneming in het voorafgaande boekjaar (art. 23 lid 2 sub a en slot). Bij deze boeteoplegging wordt rekening gehouden met de ernst en de duur van de inbreuk (art. 23 lid 3). De ratio van deze regel moet worden gezocht in de bescherming tegen boetes die de financiële draagkracht van de desbetreffende onderneming te boven gaan en daarmee het voortbestaan van een onderneming in gevaar zouden brengen.1