Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.3.1.3
5.3.1.3 Van de Poll over verkoopwaarde
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS616819:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie de voorgaande paragrafen.
R.A. van de Poll, Enkele aspecten van boedelscheiding (preadvies Broederschap der Candidaat-Notarissen), 1967, p. 71. Volgens Kleijn verzet Van de Poll zich terecht tegen de veel voorkomende neiging de taxatie voor scheiding te beschouwen als iets geheel anders dan de taxatie voor successie. W.M. Kleijn, Bespreking preadviezen uitgebracht voor de algemene vergadering 1967 van de Broederschap der Candidaat-Notarissen, WPNR 4950 (1967). Dit kan op convergentie duiden. Zie over het arrest van 23 december 1965 verder hoofdstuk 6, § 3.6.2.
Art. 21 lid I tweede volzin SW oud omschreef de bedrijfswaarde (voortzettingswaarde)als volgt: ‘Indien zaken behoren tot een beroeps- of bedrijfsvermogen, wordt het geheel dier zaken ten minste gesteld op de prijs, welke een gegadigde, die voornemens zou zijn het beroep of bedrijf voort te zetten, voorde overneming van die zaken zou moeten besteden.’
Zie over goodwill (en badwill), hoofdstuk 10, § 5.
R.A. van de Poll, Enkele aspecten van boedelscheiding (preadvies Broederschap der Candidaat-Notarissen), 1967, p. 73, 74. Zo ook A.G. van Solinge, Erfrecht en Vennootschapsrecht, Recht zo die gaat (Van der Ploeg-bundel), Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1976, p. 162.
Van de Poll gaat er in zijn preadvies voor de Broederschap der Candidaat-Notarissen in 1967 eveneens als Klaassen-Eggens-Luijten en Suijling-Dubois1 van uit dat de prijs van art. 1123 laatste lid BW oud gelijk is aan de verkoopwaarde (ex art. 21 lid I sub a SW oud). Hij voegt daar nog aan toe dat het redelijk is dat het geldsbelang, dat het object vertegenwoordigt voor de deelgenoten, tevens de grondslag vormt voor de wegens de verkrijging te heffen rechten. Wel signaleert hij dat de rechtsontwikkeling voor zowel de successiebelastingen als voor het burgerlijk recht in een richting gaat, die een wat ruimere interpretatie meebrengt voor het begrip waarde. Hij verwijst daarbij onder meer naar het arrest van de Hoge Raad van 23 december 1965 (NJ 1967, 44 (Hendriksen-Maatkamp)) waarin zowel de verwachtingswaarde als het mogelijk gebruik dat de deelgenoot aan wie het goed werd toegedeeld daarvan kon maken, voor de waardering daarvan relevant waren.2
De – successierechtelijke – bedrijfswaarde kan volgens Van de Poll aan de orde komen indien een onroerende zaak tot een onderneming behoort.3 Wordt de onderneming voortgezet, dan is het volgens hem redelijk deze waarde ook op de verdeling toe te passen indien geen extra-vergoeding voor de goodwill wordt berekend.4 Is van een vergoeding wel sprake, dient deze bij de verdelingswaarde in acht te worden genomen, waarbij de ‘verdeling’ daarvan over de boedelbestanddelen en de post goodwill een kwestie van afspraak is, die voor de bepaling van de waarde van het te verdelen vermogen niet van belang is. Wordt de onderneming niet voortgezet na overlijden dan worden de daartoe behorende bestanddelen voor de verdeling ‘op normale wijze’ gewaardeerd, waarbij de som der delen mogelijk lager uitvalt dan de bedrijfswaarde waarover successierecht is verschuldigd. Omdat de niet-voortzetting een gevolg is van – het ontbreken van – een handelen na overlijden, hetgeen op de successierechtheffing in beginsel niet van invloed is, acht hij dat resultaat niet onredelijk.
Voor wat betreft de waardering van incourante aandelen, beveelt Van de Poll de raadpleging van de statuten aan, met het oog op eventuele blokkeringsbepalingen, die veelal de waarde zullen beïnvloeden.5
In het preadvies van Van de Poll maar ook in de bespreking daarvan door Kleijn is een voorkeur te bespeuren voor een identieke inhoud van het waardebegrip voor de successiebelastingen en het erfrecht. Convergentie derhalve.