Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.4.1:3.4.1 Plas/Valburg versus JPO/CBB
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.4.1
3.4.1 Plas/Valburg versus JPO/CBB
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS304217:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het arrest Plas/Valburg overwoog de Hoge Raad dat de vrijheid om onderhandelingen niet-schadeplichtig af te kunnen breken, niet meer bestaat op het moment dat
"partijen over en weer mochten vertrouwen dat enigerlei contract in ieder geval uit de onderhandelingen zou resulteren".
Zoals hiervoor aangegeven, heeft de Hoge Raad dit in het arrest VaessenSchoemaker Holding B.V./Shell Nederland Chemie B.V. in zoverre genuanceerd dat het betreffende vertrouwen niet meer bij beide partijen behoeft te bestaan, maar slechts bij de wederpartij van de partij die de onderhandelingen afbreekt. In die uitspraak overwoog de Hoge Raad echter ook dat partijen:
"verplicht waren hun gedrag mede te doen bepalen door elkaars gerechtvaardigde belangen en dat het Shell te allen tijde vrij stond de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van VSH in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval niet gerechtvaardigd — dat wil zeggen onaanvaardbaar — zou zijn. " (cursivering MR)
Ook in het arrest JPO/CBB overwoog de Hoge Raad dat het onderhandelende partijen vrij staat de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in de totstandkoming van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarmee rijst de vraag of het nu slechts dient te gaan over totstandkomingsvertrouwen in "de overeenkomst" of in "enigerlei contract" waarover werd onderhandeld. Meer in het bijzonder rees de vraag of de Hoge Raad beoogd heeft, door te refereren aan "de" overeenkomst, een nadere beperking aan heeft willen brengen ten opzichte van het arrest Plas/Valburg. Ter toelichting daarop dien het navolgende. Stel dat partijen onderhandelen over de totstandkoming van een koopovereenkomst ten aanzien van een onroerende zaak, maar dat, gaande de onderhandelingen, blijkt dat partijen er niet uitkomen en de verkoper de onderhandelingen afbreekt. Kan zijn onderhandelingspartner nu stellen dat hij er wellicht niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een koopovereenkomst tot stand zou komen, maar wel dat, bij voortzetting van de onderhandelingen, overeenstemming bereikt zou gaan worden over een huurovereenkomst, nu het doel van partijen was om te komen tot een overeenkomst met betrekking tot huisvesting? Of, om een ander voorbeeld aan te halen, zou de onderhandelingspartner van een partij die onderhandelingen heeft afgebroken met succes kunnen stellen dat hij er weliswaar niet op mocht vertrouwen dat overeenstemming zou worden bereikt over een aandelentransactie, maar dat dit nog niet wil zeggen dat bij hem geen gerechtvaardigd vertrouwen heeft postgevat ter zake de mogelijkheid van het bereiken van overeenstemming over een activatransactie, nu het er de facto om ging dat de door de vennootschap gedreven onderneming zou worden overgenomen?
Duidelijk is in elk geval dat indien, zoals in het arrest JPO/CBB, wordt gesproken over gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in de totstandkoming van de overeenkomst, waarbij dan zou moeten worden aangenomen dat gedoeld wordt op de overeenkomst waarover in concreto werd onderhandeld. Dit houdt een beperking in ten opzichte van de situatie waarin de wederpartij van de partij die afbreekt ermee kan volstaan om aan te tonen dat er sprake was van totstandkomingsvertrouwen in "enigerlei contract". Nu past weliswaar op dit punt, evenals bij het aannemen van totstandkomingsvertrouwen in het algemeen, de nodige terughoudendheid nu het in de kern gaat om het aanbrengen van een beperking op het beginsel van de contractsvrijheid, maar ook bij een stringente interpretatie van het begrip "enigerlei contract" wordt meer ruimte geboden aan een teleurgestelde partij om totstandkomingsvertrouwen aannemelijk te maken dan wanneer zou moeten worden uitgegaan van "de overeenkomst" waarover in concreto werd onderhandeld. Ik zou dan ook sinds Plas/Valburg al als hoofdregel willen aanvaarden het uitgangspunt dat totstandkomingsvertrouwen in de totstandkoming van een overeenkomst die — kort gezegd — in het verlengde ligt van de overeenkomst waarover in concreto werd onderhandeld, alleen aanvaardbaar is voor zover die andersoortige overeenkomst minst genomen in het directe verlengde ligt van de overeenkomst die onderwerp vormde van de onderhandelingen. Een extensieve interpretatie van het begrip "enigerlei" past niet in die benadering en is evenmin in overeenstemming te brengen met de volgens de Hoge Raad aan te leggen "strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf" voor wat betreft het aannemen van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen.