Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.4.3.4
4.3.4 Onder welke titel(s) men na de verdeling houdt
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948255:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van Hemel, Beschikken over een aandeel in een gemeenschap: een rechtsvergelijkende studie 1998, p. 295 en M.J.A. van Mourik, ‘Verdeling van een eenvoudige gemeenschap: de transformatie- en titelproblematiek’, WPNR 2018/7190, p. 316-318.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (TM), p. 618.
De relevantie is onder andere hierin gelegen dat wanneer er in het geschetste voorbeeld een gebrek aan de oorspronkelijke schenking kleeft, dit wél rechtstreeks effect heeft in het geval dat het geschonken goed is toegedeeld aan de deelgenoot die (zijn ‘aandeel’ in) het gemeenschappelijke goed krachtens schenking heeft verkregen, maar niet wanneer het goed is toegedeeld aan degene die (zijn aandeel in) het gemeenschappelijke goed door koop en levering heeft verkregen. Artikel 3:86 en 3:88 BW beschermen immers wél, onder bepaalde voorwaarden, de verkrijger te goeder trouw om baat, maar niet de verkrijger om niet. Vgl. het voorbeeld gegeven in Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6) (MvA II Inv.), p. 1298.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 5) (MvA II Inv.), p. 1298.
Zie M.J.A. van Mourik, ‘Verdeling van een eenvoudige gemeenschap: de transformatie- en titelproblematiek’, WPNR 2018/7190, p. 317-318.
Zie M.J.A. van Mourik, ‘Verdeling van een eenvoudige gemeenschap: de transformatie- en titelproblematiek’, WPNR 2018/7190, p. 318.
Overigens is het verschil tussen beide opvattingen in dit voorbeeld niet zo groot. Als V de woning op grond van artikel 3:186 lid 2 BW voor de helft onder de titel erfrecht zou houden, leidt dat er per saldo toe dat zij ook deze helft onder de titel koop en levering houdt. Erfopvolging is immers als algemene titel voor verkrijging een ‘transparante titel’, zodat V per saldo de gehele woning krachtens koop en levering houdt. Het verschil kan wél groot zijn indien men, zoals Van Mourik, aanneemt dat op grond van artikel 3:186 lid 2 BW de verdeling als zelfstandige verkrijging krachtens levering ‘weggedacht’ zou moeten worden.
244. Als men de letterlijke tekst van artikel 3:186 lid 2 BW als uitgangspunt neemt, zou men kunnen menen dat dit artikel bewerkstelligt dat de deelgenoot die door verdeling goederen van de gemeenschap verkrijgt, deze gaat houden onder (of – naar mijn mening niet juist – dat deze worden verkregen krachtens) alle titels waaronder de deelgenoten dit goed vóór de verdeling gezamenlijk hielden.1 Artikel 3:186 lid 2 BW spreekt immers over de titel ‘waaronder de deelgenoten dit tezamen voor de verdeling hielden’. Toch werkt artikel 3:186 lid 2 BW niet zo. Volgens mij moet artikel 3:186 lid 2 BW zo begrepen worden dat een deelgenoot die een goed krachtens verdeling verkrijgt, dat goed na die verdeling onder dezelfde titel(s) houdt als waaronder hij het goed vóór die verdeling hield. Dat is af te leiden uit de parlementaire geschiedenis. In de parlementaire geschiedenis wordt door Meijers als voorbeeld van de werking van artikel 3:186 lid 2 BW de situatie geschetst dat een goed aanvankelijk door twee deelgenoten door schenking is verkregen, waarna een van hen zijn aandeel in dat goed aan een derde verkoopt en levert (zie ook randnummer 239 hiervóór). Meijers vervolgt dan dat na een daaropvolgende verdeling “de ene deelgenoot het toebedeelde ten opzichte van de schenker [houdt, TS] om niet, de ander als derde om baat.”:2 Hieruit volgt dat artikel 3:186 lid 2 BW niet zo moet worden gelezen dat het goed door degene(n) aan wie het is toegedeeld, wordt gehouden onder alle titels waaronder het goed daarvóór door ieder van de deelgenoten werd gehouden. In het gegeven voorbeeld houdt de ene deelgenoot het goed vóór de verdeling krachtens schenking, waardoor hij het goed na die verdeling ook onder die titel houdt, terwijl de andere deelgenoot het goed houdt krachtens koop en levering, zodat hij het goed na de verdeling onder de titel ‘koop en levering’ gaat houden. Er is dus géén sprake van dat degene(n) aan wie het goed wordt toegedeeld alle titel(s) overneemt waaronder de deelgenoten het goed vóór de verdeling hielden. Slechts de titels waaronder degene(n) aan wie de goederen zijn toegedeeld deze goederen vóór de verdeling hield, zijn de titels waaronder hij het goed na de verdeling gaat houden.3
245. Deze uitleg van artikel 3:186 lid 2 BW vloeit óók voort uit de toelichting bij artikel 3:186 lid 2 BW in de memorie van antwoord bij de Invoeringswet van de Boeken 3, 5 en 6 BW. Daar vermeldt de minister (onderstreping TS):4
“Het komt er derhalve op neer dat, als de deelgenoten het goed tezamen voor de verdeling niet onder dezelfde titel hielden, ook na de verdeling daarmee rekening moet worden gehouden in dier voege dat de deelgenoot aan wie het goed wordt toegedeeld dit gaat houden onder dezelfde titel(s) als de op grond waarvan hij het goed voor de verdeling tezamen met de andere deelgenoten hield. Men zie de Parlementaire Geschiedenis van Boek 3, p. 618 vierde alinea.”
Vervolgens wordt in de Nota II Inv. opgemerkt (onderstreping TS):5
“Het is niet raadzaam voorgekomen om het tweede lid van deze bepaling uitdrukkelijk af te stemmen op het uitzonderingsgeval dat er meerdere titels zijn waaronder een deelgenoot die het goed verkrijgt, het goed hield. […].”
In deze passages wordt nog eens bevestigd dat het bij toepassing van artikel 3:186 lid 2 BW uitsluitend gaat om voortzetting van de titels waaronder de deelgenoot, aan wie gemeenschappelijke goederen zijn toegedeeld, deze goederen hield. Daarbij wordt in het eerste citaat nog eens uitdrukkelijk verwezen naar het hiervóór reeds aangehaalde voorbeeld (zie het voorgaande randnummer) dat Meijers in zijn toelichting op (de voorloper van) artikel 3:186 lid 2 BW gaf. Alhoewel uit de letterlijke tekst van artikel 3:186 lid 2 BW dus anders zou kunnen worden begrepen, zijn voor de deelgenoot die goederen krachtens verdeling heeft verkregen slechts bepalend de titel(s) waaronder hij deze goederen vóór de verdeling hield. Het kan dus wél voorkomen dat een deelgenoot een goed na verdeling onder meerdere titels houdt, maar dat betreft dan uitsluitend die titels waaronder hij het goed vóór de verdeling zelf ook al hield. Een andere uitleg van artikel 3:186 lid 2 BW zou ook tot volstrekt onlogische uitkomsten leiden. Zo geeft Van Mourik het voorbeeld van M en V die in algehele wettelijke gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Tot de huwelijksgemeenschap behoort een huis dat door hen dertig jaar geleden tijdens hun huwelijk is verkregen door koop.6 M overlijdt, waardoor de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden. Als erfgenamen van M treden op de twee uit het huwelijk geboren kinderen. V is derhalve informeel onterfd. In het kader van de verdeling komen de deelgenoten overeen de woning toe te delen aan V. Van Mourik schrijft dan:7
“Indien eerst de huwelijksgemeenschap wordt verdeeld, met toedeling van het huis aan V, bezorgt de verdeling en levering V de titels koop (de ene helft) en erfrecht (de andere helft). Dat zijn immers de titels waaronder de deelgenoten tezamen de woning voor de verdeling hielden. Hoogst opmerkelijk aangezien V krachtens erfrecht in geen opzicht aan bod is gekomen. […].”
Naar mijn mening houdt V de woning na verdeling niet krachtens erfrecht, maar slechts krachtens koop en levering. Dat is de enige titel waaronder zij de woning vóór de verdeling hield, zodat zij de woning na de verdeling op grond van artikel 3:186 lid 2 BW ook alleen onder die titel gaat houden. Het resultaat dat Van Mourik (terecht) als ‘hoogst opmerkelijk’ kwalificeert, wordt bij juiste toepassing van artikel 3:186 lid 2 BW dus helemaal niet bereikt.8
246. Dit alles geldt vervolgens óók wanneer men in artikel 3:186 lid 2 BW de declaratieve werking van de verdeling zou lezen. In dat geval vloeit uit artikel 3:186 lid 2 BW voort dat degene die goederen door verdeling verkrijgt, deze krachtens dezelfde titel(s) verkrijgt, als waaronder hij het goed vóór de verdeling heeft verkregen. Ook in dat geval neemt hij de titel van verkrijging van de andere deelgenoten dus niet mee over. In het hiervoor geschetste voorbeeld betekent dit dat V de woning niet mede krachtens erfrecht verkrijgt, maar slechts krachtens koop en levering. En zou de woning aan een van de kinderen worden toegedeeld, dan verkrijgt dat kind de woning uitsluiting krachtens erfrecht, en niet mede krachtens koop en levering. Ook bij een declaratieve lezing van artikel 3:186 lid 2 BW is dus uitsluitend bepalend de titel waaronder degene, aan wie bepaalde goederen zijn toegedeeld, deze goederen vóór de verdeling hield; die titel vormt op grond van artikel 3:186 lid 2 BW dan ook de titel krachtens welke hij die goederen bij de verdeling heeft verkregen. De titels van de andere deelgenoten spelen in het geheel geen rol.