Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/13.2
13.2 De definitie kerkgenootschap in wetgeving
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452792:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 5 van de Staatsregeling van 1801, art. 4 van de Staatsregeling van 1805.
Pel 2013, p. 87.
Pel 2013, p. 32.
Art. 182 van de Grondwet van 1972 luidt: ‘Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend.’ In de Memorie van Toelichting van de Grondwet van 1983 werd om verwarring te voorkomen bevestigd dat grondrechten ook gelden voor rechtspersonen, en dus ook voor kerken. Kamerstukken II 1975/76, nr. 3, p. 11.
Wet van 8 april 1976, Stb. 229 (Invoeringswet Boek 2 BW).
Anema 1922, p. 18-19.
Zie ook Van Kooten 2014, p. 350.
Meijers 1954, p. 122. Citaat afkomstig uit Pel 2013, p. 92.
Anema 1922, p. 14-17.
MvA II Invoeringswet, in: Parlementaire geschiedenis NBW, Aanpassing BW (1991), p. 118-123.
Parlementaire geschiedenis NBW, Aanpassing BW (1991), p. 142.
Vgl. Pel 2013, p. 97.
Asser-Scholten-Bregstein 1954, p. 146.
Zie ook 4.3.4.
Duynstee 1935, p. 5-8.
Duynstee 1935, p. 3.
Zie hierover ook Pel 2013, p. 96.
Asser-Van der Grinten 2-II, De rechtspersoon (1991), nr. 205.
Asser-Maeijer 2-II, De rechtspersoon (1997), nr. 209 en nr. 205.
Rechtspersonen. Boek 2 BW (losbladig). Artikel 2, aant. 3 (Huizink 2006).
Blanco Fernandez in Asser/Rensen 2-III*, Overige rechtspersonen (2012), nr. 378.
Blanco Fernandez in Asser/Rensen 2-III*, Overige rechtspersonen (2017), nr. 378.
Pel 2013, p. 95. Pel verwijst o.a. naar: Witteveen 1984, p. 48-50, 251-255; Santing-Wubs 2002, p. 19-20; Asser-Van der Grinten 2-II, De rechtspersoon (1991), nr. 205.
Zie o.a. Handelingen II 2017/18, 9, item 12 (Financiering van moskeeën).
Zie 2.2.
‘Scheiding van kerk en staat is geen formule’, Trouw 22 november 2016.
Het begrip kerkgenootschap kent een lange geschiedenis. De term kwam al voor in de Bataafse Staatsregelingen,1 in de Grondwet van 18482 en in de Wet op kerkgenootschappen van 1853. Tot 1983 is het in de Grondwet gehandhaafd.3 Voor de wijziging van de Grondwet van 1983 werd de term kerkgenootschap voornamelijk vanuit het perspectief van de godsdienstvrijheid begrepen. Het werd opgenomen als aanduiding van de kerken van de verschillende godsdienstige ‘gezindten’ die Nederland destijds rijk was. Deze hadden alle, evenals hun leden, recht op gelijke bescherming door de staat. Met de Grondwetswijziging van 1983 zijn de kerkgenootschappen uit de Grondwet verdwenen.4 De vrijheid van godsdienst werd in de Grondwet van 1983 enkel geformuleerd vanuit het perspectief van het individu en het collectief, en niet meer, zoals in de Grondwet van 1972 tevens vanuit het kerkgenootschap.5 Het kerkgenootschap heeft in 1976 bij de invoering van boek 2 van het NBW een bijzondere status in het recht verworven. Het kreeg binnen het recht de hoedanigheid van rechtspersoon sui generis. Het kerkgenootschap wordt volgens artikel 2:2 lid 2 BW geregeerd door het eigen statuut (kerkorde, wetboek, reglement, etc.) met alle hieraan verbonden rechten en vrijheden.6 Dit betekent onder andere dat de plichten die voor andere rechtspersonen gelden – opgenomen in de volgende artikelen van de eerste titel van het tweede boek, met uitzondering van artikel 5, niet gelden voor kerkgenootschappen. Voor 1976 waren voor het verkrijgen van deze bijzondere status al door de staatscommissie-Anema (1922) aanzetten gedaan maar tot daadwerkelijke wijzingen was het nooit gekomen.7
Hoewel het kerkgenootschap naar burgerlijk recht als rechtspersoon geldt wordt de inhoudelijke betekenis van deze rechtsfiguur in de wetsgeschiedenis niet nader gedefinieerd.8 Meijers, de geestelijk vader van het NBW, stelt in zijn toelichting op het Ontwerp NBW:
‘Wat een kerkgenootschap is, wordt hier evenmin als dit tot heden in onze wetgeving is geschied, nader omschreven. Het gemis van een zodanige omschrijving is nog nimmer in onze rechtspraak als een leemte gevoeld, terwijl iedere definitie noodzakelijk tot theologische disputen aanleiding moet geven.’9
Voor de invoering van het NBW had de staatscommissie-Anema (1922) reeds in het kader van de herziening op de Wet op de kerkgenootschappen geprobeerd een definitie van de term kerkgenootschap te geven. Dit leidde echter niet tot een eenduidige omschrijving omdat de principiële opvattingen hierover binnen de commissie te ver uiteenliepen. Zij verwees daarom voor een oordeel in concreto naar bestuur en rechtspraak.10 Bij de totstandkoming van artikel 2:2 BW en ook bij de aanpassing van het BW in 1992 werd aan deze benadering de voorkeur gegeven.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot de aanpassing van het BW (1992) merkte de minister op dat de verschillen tussen de religieuze stromingen door de komst van immigranten en door de opgang van nieuwe religieuze bewegingen zodanig groot is dat een scherpe algemene wettelijke definitie een bijzonder netelige kwestie is. Om die reden was hij ervan overtuigd dat het beter was om wanneer er in een concreet geval twijfel bestond over de uitleg van de term, de rechter hierover te laten beslissen.11 Toch stonden voor de minister een aantal kenmerken buiten kijf. Zo gaf hij in de parlementaire discussie te kennen dat de term kerkgenootschap ‘(…) niet gebonden is aan de christelijke kerk als zodanig’. Volgens de minister konden ook andere groeperingen hieronder vallen, zoals islamitische of Boeddhistische. Daarnaast hield de minister als inhoudelijk criterium vast aan het element van gemeenschappelijke godsverering of ‘op zijn minst’ gemeenschappelijke religieuze beleving of bezinning. Als dit karakteristieke element zou ontbreken zou de term kerkgenootschap wel erg vaag worden, aldus de minister.12 Opmerkelijk in dit verband is dat in 2004 de minister van Justitie, in een brief aan de Kamer betreffende de mogelijkheid tot ontbinding van onder andere kerkgenootschappen en moskeeën in het kader van terrorismebestrijding, alleen nog maar spreekt over het element van gemeenschappelijke religieuze beleving of bezinning en niet meer over gemeenschappelijke godsverering. De minister omschrijft het kerkgenootschap als ‘(…) een organisatie van aangeslotenen die zich de gemeenschappelijke religieuze beleving of bezinning van deze personen op grond van gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen ten doel stelt’.13 Deze beschrijving veronderstelt dat de gemeenschappelijke godsverering niet meer noodzakelijk is voor het zijn van een kerkgenootschap. Religieuze beleving of bezinning is voldoende. De vraag is of er bewust is gekozen voor het weglaten van het element godsverering in de definitie. Pel meent dat dit inderdaad bewust is gedaan en dat dit past in een trend waarbij vanuit het perspectief van pluralisme ruimte wordt gecreeerd voor religieuze wereldbeelden die anders zijn dan de traditionele in Nederland gevestigde monotheïstische godsdiensten en waarbij de godsverering als element ontbreekt.14
In de literatuur is in het verleden een principiële discussie gevoerd over de betekenis van de term kerkgenootschap. Vanouds waren er twee kampen: zij die verdedigen dat deze term op basis van de geschiedenis een meer objectieve betekenis heeft en zij die aan deze term vanwege de scheiding van kerk en staat en het gelijkheidsbeginsel een meer subjectieve betekenis toekennen. Tot het eerste kamp behoorde bijvoorbeeld Scholten, die vond dat tot de term kerkgenootschap alleen betrekking had op de ‘(…) door afscheiding en splitsing in de Christelijke kerk ontstane zelfstandige kerken in Nederland’ alsook de Joodse Kerkgenootschappen.15 Duynstee behoorde daarentegen tot het tweede kamp. Hij stelde dat met de Grondwetswijziging van 1848 alle godsdiensten voor de wet gelijk waren gesteld. In tegenstelling tot de Grondwet van 1848 stond in de Grondwet van 1815 namelijk de zinsnede ‘(…) alle godsdienstige gezindheden in het Koninkrijk bestaande’. Op basis van deze zinsnede had koning Willem I gelegenheid gezien de afgescheidenen (de huidige Gereformeerde Gemeenten zijn uit deze afscheiding voortgekomen) als niet reeds bestaande godsdienstige gezindte te vervolgen.16 Met de Grondwet van 1848 werden echter alle godsdiensten principieel gelijkgesteld, dus ook godsdiensten die ontstonden door bijvoorbeeld afscheiding. Op basis van deze gelijkstelling zou het volgens Duynstee ongerijmd zijn om de term kerkgenootschap uitsluitend te reserveren voor het joden- of christendom.17 Bovendien is de term kerkgenootschap volgens Duynstee bedoeld als een zuiver juridisch en niet als een theologisch begrip. Het recht had behoefte aan een term ter aanduiding van de entiteit kerk zonder dat hiermee de kerk van een ‘godsdienstige gezindte’ in het bijzonder werd beoogd.18
De handboeken over het rechtspersonenrecht van de laatste jaren wekken de indruk dat de meeste auteurs steeds meer uitgaan van een sterk subjectieve betekenis van de term kerkgenootschap.19 Zo stelde Van der Grinten in 1991 nog dat het, voor het zijn van een kerkgenootschap, wezenlijk is dat de organisatie op de verering van God is gericht.20 Maeijer is in 1997 al veel minder stellig wanneer hij stelt dat het element gemeenschappelijke godsverering met behoedzaamheid mag worden verruimd tot gemeenschappelijke religieuze beleving of bezinning.21 Vervolgens acht Huizink in 2006 het handhaven van de eis van gemeenschappelijke godsverering (religiositeitseis) ‘tegenwoordig onjuist’22 en ten slotte spreekt Blanco Fernandez in 2012 van een ‘open begripsomschrijving’: godsverering is wel een typerend, maar geen essentieel element van een religieuze gemeenschap. Het gaat er volgens hem om dat de gemeenschap een religieus karakter heeft. Wat dit in de praktijk betekent is kennelijk niet van te voren te definiëren.23 In 2017 stelt hij in lijn met zijn opvatting uit 2012 dat men het ‘… kerkgenootschap [zou] kunnen omschrijven als een religieuze gemeenschap die zichzelf als kerkgenootschap beschouwt’.24
Er zijn voor zover ik heb kunnen nagaan tegenwoordig geen auteurs te vinden die een exclusief historisch christelijk kerkbegrip onderschrijven.25 Wel wordt door Oldenhuis gewaarschuwd voor een verabsolutering van het gelijkheidsbeginsel in het kader van kerkgenootschappen. In het licht van de discussie26 over de staatsinvloed van Turkije op Nederlandse moskeeën door Diyanet (een Turkse organisatie die een belangrijke invloed op een aanzienlijk deel van de moskeeën in Nederland uitoefent) stelt Oldenhuis dat niet ‘… alle kerken (of moskeeën, JV) gelijk zijn’.27 Met een verwijzing naar de Sint Walburga-jurisprudentie28 betoogt Oldenhuis dat je moskeeën die onder de vlag van religie uitsluitend politiek bedrijven, juridisch kunt aanpakken. Oldenhuis lijkt met deze redenering te suggeren dat de rechtsorde bepaalde religieuze organisatie niet als kerkgenootschap zou moeten kwalificeren indien het eigenlijke doel van een dergelijke organisatie niet religieus van aard is. Oldenhuis geeft echter geen aanknopingspunten hoe de rechter zou moeten beoordelen of een zelfverklaarde religieuze organisatie daadwerkelijk een religieus doel nastreeft. In feite ontkent Oldenhuis niet dat de term kerkgenootschap pluriform moet worden uitgelegd en andere godsdiensten dan de christelijke zou moeten omvatten, maar waarschuwt hij voor misbruik van de rechten die verbonden zijn aan de kwalificatie als kerkgenootschap door organisaties die eigenlijk een ander dan een religieus doel nastreven.
Gesteld kan worden dat de term kerkgenootschap als aanduiding voor de rechtspersoon in het burgerlijke recht al vanaf zijn ontstaansgeschiedenis door de wetgever in belangrijke mate subjectief is gedefinieerd. De wetgever heeft bewust geen welomschreven definitie gegeven van de term kerkgenootschap en ook geen nadere criteria in de wet opgenomen waaraan de kwalificatie als kerkgenootschap dient te voldoen. Later in de tijd is de betekenis van de term kerkgenootschap sterker gesubjectiveerd. Dat blijkt uit de opmerkingen van de minister naar aanleiding van andere religieuze groepen dan christenen en joden. Deze verdere subjectivering past bij een accommodationistisch ideaaltype. Binnen dit perspectief twijfelt men aan de neutraliteit van de term kerkgenootschap en vindt men dat ook de instituties van andere religies – die geen traditionele kerkelijke structuur kennen – onder deze term moeten worden geschaard. In de lijn van dit gedachtegoed ligt ook de opvatting dat het stellen van de eis van godsverering niet als volledig neutraal moet worden beschouwd. Aanhangers van dit ideaaltype vinden dat men een minder exclusieve terminologie moet hanteren zodat ook de instituties van godsdiensten waarbij de godsverering als element ontbreekt onder de term kerkgenootschap kunnen worden gevat.
In de literatuur uit het verleden treffen we opvattingen die we kunnen associëren met het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. Vanuit dat perspectief heeft de term kerkgenootschap een objectieve betekenis: het had alleen betrekking op de traditionele gevestigde godsdiensten. Later is ook in de literatuur de betekenis van godsdienst gesubjectiveerd.