Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/II.3.2
II.3.2 De lange invoeringsgeschiedenis van de SE
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242877:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Sanders 1959.
Sanders 1959, p. 9-10. Herstructurerings- en samenwerkingsoperaties waarbij ondernemingen uit verschillende lidstaten betrokken waren, stuitten veelal op moeilijkheden van bovengenoemde aard, aldus ook de Europese Commissie. Zie onder meer voorstel voor een verordening (EEG) van de Raad betreffende het Statuut voor Europese naamloze vennootschappen (PbEG 1970, C, 124/1).
Het voorontwerp is gepubliceerd in Sanders 1967.
Sanders 1967, p. 15.
Voorstel voor een verordening (EEG) van de Raad betreffende het Statuut voor Europese naamloze vennootschappen (PbEG 1970, C, 124/1).
Aldus ook Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 530. Zie ook Kamerstukken II 2003/04, 29 309, 3, p. 1 (MvT).
Een tweede voorstel dateerde uit 1975, zie voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het Statuut voor Europese naamloze vennootschappen: gewijzigd voorstel door de Commissie bij de Raad ingediend op 13 mei 1975 krachtens artikel 149, alinea 2, van het EEG-Verdrag, Bull. EU, supplement 4/75. Een derde voorstel volgde in 1989, nadat de Europese Raad (hierna: de Raad) de Commissie in juni 1987 had aangespoord vorderingen te maken met betrekking tot de aanpassingen van het vennootschapsrecht, zie voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het Statuut van de Europese Gemeenschap [bedoeld is: vennootschap, NK] (PbEG 1989, C, 263/41). In 1991 diende de Commissie nogmaals een gewijzigd voorstel in bij de Raad, zie voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het Statuut van de Europese Vennootschap (PbEG 1991, C, 176/1). Het laatste voorstel dat de revue passeerde, was het voorstel van 24 februari 1993. Dit voorstel is niet gepubliceerd. Zie over het laatste voorstel Sanders, TVVS 1995/32.
COM (88) 320 def., p. 6. Zie ook Kamerstukken II 2003/04, 29 309, 3, p. 1 (MvT).
Zie hierover uitgebreid Sanders, TVVS 1991, p. 249-256.
Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot aanvulling van het statuut van de SE met betrekking tot de plaats van de werknemers in de SE (PbEG 1989, C, 263/69).
Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het statuut van de Europese Gemeenschap (PbEG 1989, C, 263/41).
Verordening (EG) 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese Vennootschap (SE) (PbEG 2001, L 294/1).
Idem Winter, NJB 2002, afl. 41, p. 2035. Zie ook Kamerstukken II 2003/04, 29 309, 3, p. 2 (MvT).
Winter, NJB 2002, afl. 41, p. 2035. In dezelfde zin Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 531; en Van Veen 2004, p. 2.
Op 8 oktober 2004 kreeg de verordening namelijk kracht van wet.
De idee van een Europese NV is afkomstig van Sanders.1 Al in de jaren zestig meende hij dat een niet-lidstaat gebonden rechtsvorm zowel op juridisch als op psychologisch, organisatorisch, fiscaal en financieel gebied zijn vruchten kon afwerpen.2 Enkele jaren later verscheen van de hand van Sanders een ontwerpverordening voor de Europese NV.3 Sanders had deze ontwerpverordening in opdracht van de Europese Commissie (hierna: de Commissie) opgesteld. Het ontwerp gaf een vrijwel uitputtende regeling voor de Europese NV.4
De invoering van de SE geschiedde niet zonder slag of stoot. In 1970 kwam de Commissie met een eerste voorstel tot regulering van de Europese NV.5 Dit voorstel was in hoofdzaak gestoeld op het ontwerp van Sanders. Met het voorstel beoogde de Commissie een allesomvattende regeling voor de Europese NV tot stand te brengen.6 Het eerste voorstel heeft een groot aantal wijzigingen ondergaan.7 De onderhandelingen tussen de lidstaten liepen keer op keer vast. Onder meer de vennootschapsrechtelijke medezeggenschap van werknemers en de juridische vormgeving van de SE hielden de lidstaten verdeeld.8
Om een einde te maken aan de impasse tussen de verschillende lidstaten, is het streven naar een uniforme regeling in het voorstel van 1989 verlaten.9 Het voorstel van 1989 bevatte slechts voorschriften voor de juridische vormgeving op hoofdlijnen. De vennootschapsrechtelijke medezeggenschap van werknemers werd afgesplitst en geregeld in een afzonderlijke richtlijn.10 Op de overige onderdelen waarover de lidstaten het niet eens konden worden, verklaarde het voorstel het nationale vennootschapsrecht van de lidstaat waar de SE haar statutaire zetel heeft van toepassing.11
Grofweg dertig jaar na de indiening van het eerste voorstel bereikten de Raad en de Commissie een politiek akkoord. Net als het voorstel van 1989 regelt de op 8 oktober 2001 vastgestelde verordening de juridische vormgeving van de SE slechts op hoofdlijnen en zoekt zij voor het overige in grote mate aansluiting bij het nationale recht van de lidstaat van vestiging.12 De consequentie van de gekozen oplossing is dat er zoveel verschillende SE’s als lidstaten zijn.13 Ik onderschrijf de opvatting van Winter dat de SE hierdoor niet beantwoordt aan het doel waarvoor zij oorspronkelijk is geïntroduceerd.14 De SE deed uiteindelijk op 8 oktober 2004 haar intrede in het Nederlandse recht.15