Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/1.2:1.2 Onderzoeksvraag, deelvragen en onderzoeksopzet
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/1.2
1.2 Onderzoeksvraag, deelvragen en onderzoeksopzet
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633698:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kestemont & Schoukens 2012, p. 30; Curry-Sumner e.a. 2010, p. 20.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek gaat over de fiscale behandeling van de anbi-categorie rsl. Ik onderzoek of er een verschil bestaat in fiscale behandeling van instellingen uit deze categorie op drie niveaus. Als er sprake is van een ongelijke behandeling, dan ga ik op zoek naar een objectieve en redelijke rechtvaardiging daarvoor. De beoordeling of het geconstateerde verschil gerechtvaardigd is, vindt plaats aan de hand van een door mij in paragraaf 1.4 ontwikkeld toetsingskader.
De onderzoeksvraag luidt als volgt:
Is er een verschil in fiscale behandeling tussen (a) rsli’s enerzijds en andere anbi’s anderzijds; (b) rsli’s onderling; (c) religieuze instellingen onderling, spirituele instellingen onderling alsook levensbeschouwelijke instellingen onderling en zo ja, bestaat daar een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor?
Deze onderzoeksvraag is opgesplitst in zeven deelvragen, aan de hand waarvan het onderzoek is opgebouwd. Deze deelvragen dienen als bouwstenen om de onderzoeksvraag gestructureerd en integraal te beantwoorden.1
Wat wordt onder ‘religie’, ‘spiritualiteit’ en ‘levensbeschouwing’ verstaan?
In hoofdstuk 2 Begrippen ga ik in op deze deelvraag. Door religie, spiritualiteit en levensbeschouwing afzonderlijk te noemen in plaats van een koepelterm als wereldbeschouwing of levensbeschouwing te hanteren, ziet de fiscale wetgever blijkbaar verschillen tussen de drie begrippen. De fiscale wet en wetsgeschiedenis bevatten echter geen definitie van deze begrippen. Voor de werkdefinities van de kernbegrippen ‘religie’, ‘spiritualiteit’ en ‘levensbeschouwing’ ga ik op zoek naar definities in zowel juridische als niet-juridische bronnen, zoals sociologie, filosofie en theologie. De niet-juridische bronnen zijn voor deze deelvraag relevant omdat er meer niet-juridische dan juridische onderzoeken naar rsl zijn gedaan.
Wat is de rol van religie, spiritualiteit en levensbeschouwing in de Nederlandse samenleving?
Deze deelvraag werk ik uit in hoofdstuk 3 Nederlands historisch en maatschappelijk perspectief. Na een kort overzicht van de Nederlandse geschiedenis van rsl breng ik in kaart hoe het levensbeschouwelijke landschap van Nederland in de 21e eeuw eruitziet, wat de algemeen nuttige activiteiten van rsli’s zijn en op welke terreinen ze actief zijn. Tot slot onderzoek ik of de maatschappelijke waarde van rsli’s voor de Nederlandse samenleving ter indicatie in geld is uit te drukken.
Wat is de invloed van internationale mensenrechten, nationale grondrechten en staatsrechtelijke beginselen op de fiscale behandeling van religie, spiritualiteit en levensbeschouwing?
Deze deelvraag komt aan de orde in hoofdstuk 4 Mensenrechtelijk en constitutioneel perspectief. Ik onderzoek welke internationale mensenrechten en nationale grondrechten van toepassing zijn op aanhangers en organisaties van rsl. Het gaat om de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, de vrijheid van vereniging, het recht op privacy en het recht op het genieten van deze vrijheden zonder enige vorm van discriminatie. Deze vrijheden en fundamentele rechten onderzoek ik op drie niveaus: universeel, regionaal en nationaal. Voor grondrechtsdragers zijn alle drie niveaus van belang omdat ze een beroep mogen doen op de bepaling die hun de meest vergaande bescherming biedt. Ook besteed ik aandacht aan enkele constitutionele noties, zoals de scheiding van kerk en staat en het beginsel van de neutrale staat. Enerzijds bestaat in Nederland – evenals in andere landen – de scheiding van kerk en staat en anderzijds zijn er fiscale faciliteiten. Is er frictie hiertussen? Fiscale faciliteiten vormen immers ook een soort overheidsbemoeienis.
Vanwege de doorwerking van de relevante mensenrechten, grondrechten en constitutionele noties in de fiscaliteit is een juridisch onderzoek hiernaar van essentieel belang voor de beantwoording van de fiscale onderzoeksvraag. Hoewel het mensenrechtelijke en constitutionele deel van het onderzoek als onderdeel van mijn toetsingskader primair instrumenteel is om de fiscale onderzoeksvraag te beantwoorden, heeft het ook zelfstandige betekenis voor de anbi-categorie rsl.
Wat zijn de relevante civielrechtelijke regels voor rsli’s en met name voor de rechtsvormen waarvan ze zich bedienen? Welke relevante civielrechtelijke verschillen bestaan er tussen deze rechtsvormen en welke voor- en nadelen heeft elke rechtsvorm voor een rsli?
Deze vragen staan centraal in hoofdstuk 5 Civielrechtelijk perspectief. Geestelijke genootschappen genieten op grond van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en op grond van de vrijheid van vereniging institutionele autonomie. Ook hebben zij recht op rechtspersoonlijkheid, waarbij ze kunnen kiezen voor de rechtsvorm die het beste past bij hun grondslag of doelstelling. In dit hoofdstuk beperk ik me tot de drie rechtsvormen die doorgaans voorkomen bij rsli’s en andere anbi’s: kerkgenootschap, vereniging en stichting. De rechtsvorm kerkgenootschap staat niet open voor niet-religieuze genootschappen op geestelijke grondslag, die veelal de stichting en vereniging als rechtsvorm hanteren. Er bestaan essentiële verschillen tussen deze rechtsvormen, die zelfs doorwerken in de fiscale behandeling in de anbi-regeling. Daarom is een civielrechtelijk onderzoek naar deze verschillen essentieel om de fiscale onderzoeksvraag te beantwoorden. Die verschillen liggen op terreinen als oprichting, registratie (zowel registratie als rechtsvorm in het Handelsregister als de UBO-registratie), vertegenwoordiging, transparantie (op basis van het wetsvoorstel Transparantie maatschappelijke organisaties) en de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen. Aan de hand van deze verschillen maak ik een vergelijking tussen deze rechtsvormen en geef ik een overzicht van de civielrechtelijke voor- en nadelen van elke rechtsvorm.
Als onderdeel van mijn toetsingskader is het civielrechtelijke deel van het onderzoek primair instrumenteel aan de beantwoording van de fiscale onderzoeksvraag, maar is ook op zichzelf van belang voor de anbi-categorie rsl.
Welke specifieke fiscale regels zijn van toepassing op religie, spiritualiteit en levensbeschouwing ? Is er een verschil in de fiscale behandeling van religie, spiritualiteit en levensbeschouwing op de eerdergenoemde drie niveaus van instellingen: (a) anbi’s versus rsli’s; (b) rsli’s onderling; en (c) religieuze instellingen onderling, spirituele instellingen onderling en levensbeschouwelijke instellingen onderling)? Zo ja, is dat verschil gerechtvaardigd?
Deze vragen werk ik uit in hoofdstuk 6 Fiscaalrechtelijk perspectief – de anbi-regeling en in hoofdstuk 7 Fiscaalrechtelijk perspectief – heffingswetten rsli’s en andere anbi’s. Voor de faciliteiten is veelal vereist dat de instelling is aangemerkt als een anbi. Waarom heeft de wetgever ervoor gekozen om rsl als een van de dertien categorieën van algemeen nut aan te merken (art. 5b, lid 3, onderdeel i AWR)? Zijn rsli’s per definitie algemeen nuttig? Of dienen ze vooral of ook particulier belang? Welke soorten activiteiten zijn algemeen nuttig? Zijn religieuze diensten of levensbeschouwelijke bijeenkomsten algemeen nuttig? Zo ja, waarom? Deze vragen komen aan bod in hoofdstuk 6 Fiscaalrechtelijk perspectief – de anbi-regeling. Vervolgens toets ik aan de hand van het in paragraaf 1.4 ontwikkelde toetsingskader of in de anbi-regeling of de uitvoering daarvan, rsli’s ten opzichte van andere anbi’s of ten opzichte van elkaar fiscaal anders worden behandeld en zo ja, of daar een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor bestaat.
In hoofdstuk 7 Fiscaalrechtelijk perspectief – heffingswetten rsli’s en andere anbi’s ga ik per belastinggebied na welke specifieke fiscale regels, met inbegrip van fiscale faciliteiten, van toepassing zijn voor donateurs en organisaties van rsl. Het gaat om inkomstenbelasting, loonbelasting, vennootschapsbelasting, schenk- en erfbelasting, overdrachtsbelasting, omzetbelasting, onroerende-zaakbelastingen en energiebelasting. Vervolgens toets ik aan de hand van het in paragraaf 1.4 ontwikkelde toetsingskader of in die heffingswetten of de uitvoering daarvan, rsli’s of hun begunstigers ten opzichte van andere anbi’s of ten opzichte van elkaar fiscaal anders worden behandeld en zo ja, of daar een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor bestaat.
Welke aanbevelingen volgen uit dit onderzoek?
Het antwoord op deze vraag werk ik uit in hoofdstuk 8 Aanbevelingen. Naast algemene aanbevelingen bevat dat hoofdstuk specifieke aanbevelingen voor de anbi-regeling en de heffingswetten.
Wat zijn de conclusies van dit onderzoek?
De conclusies zet ik uiteen in hoofdstuk 9. Daartoe beantwoord ik in dat hoofdstuk de deelvragen en vervolgens de onderzoeksvraag en sluit het hoofdstuk af met een slotconclusie. Hoofdstuk 10 bevat een Nederlandse samenvatting en hoofdstuk 11 een Engelse samenvatting.