Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/6.1.2.3:6.1.2.3 Erfpacht
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/6.1.2.3
6.1.2.3 Erfpacht
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS619761:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het erfpachtrecht is het zakelijke recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft om een onroerende zaak van een ander te houden en te gebruiken (5:85 BW). Een neteigenaar kan een derde het genot van het net verschaffen door vestiging van een erfpacht-recht op het net. De erfpachter heeft dan hetzelfde genot van de zaak als de neteigenaar zou hebben. Ook bij erfpacht is het mogelijk dat de erfpachter gebouwen, werken en beplantingen mag aanbrengen op of aan de onroerende zaak. Zoals hiervoor beschreven zal het aanbrengen van werken op of aan een net (bijvoorbeeld een ander net) in beginsel mogelijk zijn, maar de neteigenaar zal deze bevoegdheden uitsluitend aan een erfpachter kunnen verlenen als hij deze zelf ook had. Wanneer A (= erfpachter) zijn bevoegd aangelegde net in erfpacht uitgeeft, kan aan het net een nieuw (deel)net worden aangebracht. Als de aanlegger van dit (deel)net (= B) bevoegd is tot aanleg, zal de eigendom van het nieuwe net geregeerd worden door artikel 5:20, tweede lid BW en zal de grondeigenaar geen rechten kunnen claimen ten aanzien van de eigendom van het net. B zal het (deel)net gedurende het erfpachtrecht kunnen gebruiken en zal bij het einde van de erfpacht het (deel)net weer kunnen verwijderen, dan wel een vergoeding kunnen claimen van A (zie artikel 5:99 BW). Indien het nieuwe (deel)net echter niet bevoegd is aangelegd, dan zal ten aanzien van de eigendomsvraag betreffende het nieuwe (deel)net eerst moeten worden nagegaan of de eigendom door middel van horizontale natrekking (door bijvoorbeeld een net van B dat in de naburige gronden is gelegen en waarop (deel)net B ook is aangesloten) kan worden geconstrueerd. Indien dit laatste niet het geval is omdat het (deel)net enkel aangesloten is op het net van A, dan rijst de vraag of mogelijk de grond het (deel)net (van B) zou kunnen natrekken (op basis van artikel 5:20, eerste lid BW), dan wel of mogelijk is dat het net van A het (deel)net zou kunnen natrekken. In het geval (deel)net B aan het net van A is gekoppeld, dan is denkbaar dat net B samen met net A een feitelijke en functionele eenheid vormt en dus dat (deel)net B als een bestanddeel van net A kan worden beschouwd waardoor A ook eigenaar is van het onbevoegd aangelegde (deel)net van B. De grondeigenaar zou eventueel nog verwijdering van het onbevoegd aangelegde (deel)net van B kunnen vorderen, maar wellicht dat dit als misbruik van bevoegdheid wordt beschouwd (artikel 3:13 BW). Immers in de grond van de grondeigenaar ligt al net A en dus zal de grondeigenaar moeten aantonen dat aanwezigheid van (deel)net B bezwaarlijk is, terwijl de aanwezigheid van net A dit kennelijk niet is (anders had de grondeigenaar geen toestemming aan A verleend tot aanleg van het net).