Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/9.3.4.b
9.3.4.b De strekking van het wettelijk prijsvermoeden
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS600002:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 3, p. 47 e.v.
Kamerstukken II 2006-2007, 30 419, nr. C, p. 10.
Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 3, p. 49. Aldus ook Olden (2008a), p. 844 en (2009b), p. 104.
OK 21 december 2010, ARO 2011/16 (Smit Internationale); OK 12 januari 2010, ARO 2010/26 (Tele Atlas); OK 28 oktober 2008, JOR 2008/335 (Numico).
S. 979(2)(4) jo. 981(2) CA 2006.
Art. 49 jo 57 jo. 42 Overname-KB jo. art. 513 §1W.Venn. Voor de Belgische regeling geldt naast het 90% vereiste bovendien dat de uitkoper ook ‘95% bezit van het kapitaal waaraan stemrechten zijn verbonden en 95% van de effecten met stemrechten’, zie art. 42 Overname-KB. In de Belgische literatuur bestaat er twijfel of de dubbele eis van een ‘participatiedrempel’ van 95% en een ‘succesvoorwaarde’ van 90% wel in overeenstemming is met de dertiende EG-richtlijn, zie Verhoest (2008), p. 195 en Van der Elst (2008), p. 348.
§ 39a(3) WpÜG.
Het wettelijk prijsvermoeden van de bijzondere uitkoopregeling in art. 2:359c lid 6 BW vindt haar grondslag in de dertiende EG-richtlijn.1 Het vijfde lid van art. 15 van de richtlijn bepaalt:
“Member States shall ensure that a fair price is guaranteed. (…)
Following a voluntary bid, in both of the cases referred to in paragraph 2(a) and (b), the consideration offered in the bid shall be presumed to be fair where, through acceptance of the bid, the offeror has acquired securities representing not less than 90% of the capital carrying voting rights comprised in the bid.
Following a mandatory bid, the consideration offered in the bid shall be presumed to be fair.”
Het vermoeden is bedoeld om de prijsbepaling in de uitkoopprocedure te vereenvoudigen.2 De strekking is hetzelfde als van de door de OK geformuleerde criteria voor aansluiting bij de prijs van een voorafgaand bod: indien het bod op grote schaal is aanvaard, is de prijs volgens de markt kennelijk een adequate weerspiegeling van de waarde van de aandelen (§ 9.3.2 sub b).3
Een belangrijk verschil is wel dat de uitkoper voor het prijsvermoeden van art. 2:359c BW geen verklaring van een onafhankelijk deskundige over moet leggen, waarin staat dat er geen redenen zijn om te veronderstellen dat de waarde van de aandelen sinds het openbaar bod is gestegen (§ 9.3.2 sub b).
Daarnaast zijn de door de OK zelf geformuleerde open normen ruimer dan de criteria van het wettelijk prijsvermoeden. De OK kan daarom ook, indien het wettelijk prijsvermoeden niet opgaat, mogelijk toch op grond van dit jurisprudentieel vermoeden aansluiten bij de prijs van een voorafgaand bod.4 De open normen van het laatstgenoemde vermoeden bieden naar mijn mening echter niet voldoende rechtszekerheid. Ik pleit daarom voor het opnemen van duidelijke regels omtrent de prijsbepaling naar het voorbeeld van het wettelijk prijsvermoeden in art. 2:359c lid 6 BW (§ 9.2.3 sub a).
De uitkoopregeling in het Verenigd Koninkrijk5 en de bijzondere uitkoopregelingen in België6 en Duitsland7 kennen hetzelfde wettelijk prijsvermoeden. Een belangrijk verschil is echter dat het vermoeden in België en het Verenigd Koninkrijk, anders dan in Nederland en Duitsland, tevens als vereiste voor de ontvankelijkheid van de uitkoper geldt (§ 2.3.1 en 2.3.3). Daarnaast maakt de wet in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk geen onderscheid tussen een vrijwillig en een verplicht bod. Ook voor de uitkoopprocedure die volgt op een verplicht bod, geldt voor toepassing van het wettelijk prijsvermoeden het vereiste dat ten minste 90% van de aandelen is verworven waarop het bod zag. Ik betwijfel of dit laatste in overeenstemming is met dertiende EG-richtlijn.