Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.3.2
I.3.3.2 Abs. I: werking
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624605:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Halding-Hoppenheit 2003, p. 59 schrijft ‘Unter ‘letztwilliger Verfügung’ ist ihm Rahmen des § 2065 I BGB zum einen entsprechend § 1937 BGB das Testament als solches zu verstehen, zum anderen aber auch jede einzelne Anordnung in einem Testament oder in einem Erbvertrag, wie sich aus § § 2279 I, 2299II BGB ergibt. Damit fällt jede Anordnung in einer Verfügung von Todes wegen unter diesen Begriff.’
§ 134 BGB: ‘Ein Rechtsgeschäft, das gegen ein gesetzliches Verbot verstößt, ist nichtig, wenn sich nicht aus dem Gesetz ein anderes ergibt.’ Voorzover de uiterste wil nog andere wilsbeschikkingen bevat, die geen verband houden met de nietige beschikking, geldt § 2085 BGB: ‘Die Unwirksamkeit einer von mehreren in einem Testament enthaltenen Verfügungen hat die Unwirksamkeit der übrigen Verfügungen nur zur Folge, wenn anzunehmen ist, dass der Erblasser diese ohne die unwirksame Verfügung nicht getroffen haben würde.’
Sens 1990, p. 57; Halding-Hoppenheit 2003, p. 73.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 58. Onder ‘ander’ dient volgens de heersende leer te worden verstaan iedere persoon (met uitzondering van de erflater), dus bijvoorbeeld ook de bezwaarde erfgenaam of de begunstigde zelf. Dat een begunstigde het recht heeft om zijn verkrijging te verwerpen, doet hieraan geen afbreuk. Volgens de heersende leer moet deze bevoegdheid om te verwerpen niet op één lijn worden getrokken met de bevoegdheid om te bepalen of een uiterste wilsbeschikking wel of niet werkt.
Vgl. hiermee ons art. 1292 oud BW, dat toestond dat een verbintenis afhangt van een handeling waarvan de vervulling in de macht stond van degene die verbonden was.
Als voorbeeld van zo’n toelaatbaar Potestativbedingung kan worden genoemd: ‘Einsetzung des Nacherben unter der auflösenden Bedingung, dass der Vorerbe nicht anderweitig verfüge […]’, Meyer, Gemmer & Siebert 2009, p. 75. Vgl. HR 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8282, NJ 2004/487 (Boerenplaatsje).
Halding-Hoppenheit 2003, p. 59. Zij wijst in dit kader ook op § § 2074 en 2075 BGB, betreffende de ontbindende en opschortende voorwaardelijke makingen. § 2074 BGB betreft de opschortende voorwaarde en luidt als volgt: ‘Hat der Erblasser eine letztwillige Zuwendung unter einer aufschiebenden Bedingung gemacht, so ist im Zweifel anzunehmen, dass die Zuwendung nur gelten soll, wenn der Bedachte den Eintritt der Bedingung erlebt.’ § 2075 BGB betreft de ontbindende voorwaarde en bepaalt dat: ‘Hat der Erblasser eine letztwillige Zuwendung unter der Bedingung gemacht, dass der Bedachte während eines Zeitraums von unbestimmter Dauer etwas unterlässt oder fortgesetzt tut, so ist, wenn das Unterlassen oder das Tun lediglich in der Willkür des Bedachten liegt, im Zweifel anzunehmen, dass die Zuwendung von der auflösenden Bedingung abhängig sein soll, dass der Bedachte die Handlung vornimmt oder das Tun unterlässt.’
Halding-Hoppenheit 2003, p. 59-60.
Brox/Walker 2010, nr. 96.
Brox/Walker 2010, nr. 96.
Het materiële aspect van het hoogstpersoonlijke zoals verwoord in § 2065 BGB kent twee Absätze. Het eerste lid luidt:
‘I. Der Erblasser kann eine letztwillige Verfügung nicht in der Weise treffen, dass ein anderer zu bestimmen hat, ob sie gelten oder nicht gelten soll.’
De werking van erflaters uiterste wilsbeschikking, van welke aard dan ook,1 mag niet louter afhankelijk zijn van de toestemming of afkeuring van een ander (vgl. de Wollensbedingungen, die ik reeds in paragraaf 3.2.2 noemde). Een uiterste wilsbeschikking in strijd met het bepaalde in § 2065 I BGB is nietig (§ 134 BGB).2 Evenals § 2064 BGB geldt § 2065 I BGB steevast, zij kennen beide geen uitzonderingen.3
§ 2065 I BGB wordt ruim geïnterpreteerd, want het is evenmin toegestaan om de uiterste wilsbeschikking afhankelijk te maken van het redelijk oordeel (billigem Ermessen) van een ander.4
Wat evenwel niet door § 2065 I BGB wordt verboden zijn uiterste wilsbeschikkingen die afhankelijk zijn gemaakt van een gebeurtenis waarvan het intreden mede afhangt van de wil van de begunstigde of een derde. Ofwel, toegestaan zijn de eerder in paragraaf 3.2.2 genoemde Willkürbedingungen.5 Halding-Hoppenheit hanteert voor deze Bedingungen de term Potestativbedingung. Zij geeft hierbij evenwel aan dat een Potestativbedingung gelijkstaat aan een Willkürbedingung, de term die zij (en in navolging van haar, evenals in navolging van Immel en Zimmermann, ook ik) voor dergelijke Bedingungen hanteerde in het kader van de historische schets van der Grundsatz der materiellen Höchstpersönlichkeit:6
‘Eine Potestativbedingung liegt dann vor, wenn die Bedingung in einem Ereignis besteht, dessen Eintritt vom Willen des Bedachten oder eines Dritten abhängt (curs. NB).’7
Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de voorwaarde ‘si Titius in Capitolium ascenderit’ oftewel ‘als Titius het Capitool beklimt’.
De grenslijn tussen een Potestativbedingung (die in beginsel toelaatbaar is) en een Wollensbedingung (die in beginsel ontoelaatbaar is) zal niet altijd feilloos kunnen worden getrokken. Het kan zijn dat een voorwaarde, die inhoudt dat er een bepaalde gebeurtenis dient plaats te vinden waarvan het intreden mede afhankelijk is van andermans wil, in feite een verkapte Wollensbedingung is. Of juist dat een erflater een voorwaarde aan zijn beschikking verbindt, waarvan het intreden afhankelijk is van andermans wil (een Wollensbedingung), doch erflater deze voorwaarde aan de beschikking heeft verbonden omdat hij hieraan groot belang hechtte. Hoe gaan de Duitse collega’s hiermee om?
‘Maβgeblich für die sachliche Abgrenzung zur unzulässigen Wollensbedingung ist nach ganz herr-schender Meinung, dass die Bedingung nicht in der bloβen Erklärung über die Geltung der letztwilligen Verfügung besteht, also die Bedingung nicht auf eine Vertretung im Willen hinausläuft und damit eigentlich eine Wollensbedingung darstellt. Entscheidend is daher, was der Erblasser mit dem Setzen der Bedingung bezweckte. Der Erblasser darf nicht wegen eigener Unentschlossenheit die Bedingung als Mittel dazu benutzen, die Entscheidung einem anderen zu überlassen. Vielmehr muss er einen hinsichtlich der Bedingung bestimmten eigenen Willen haben. Es muss also das Ereignis für sich allein genommen für den Entschluss des Erblassers Bedeutung haben und nicht lediglich der darin in Bezug auf die letztwillige Verfügung zum Ausdruck kommende Wille des anderen. Ist ein solches Interesse des Erblassers gegeben, so steht § 2065 I BGB einer dermaβen bedingten Verfügung nicht entgegen (curs. NB).’8
Waar de voorwaarde anders gezegd niet op uit mag draaien is een ‘Vertretung des unentschlossenen Erblassers im Willen’.9 Erflaters redenen om de voorwaarde op te nemen zijn dan ook beslissend. Een voorwaarde mag door de erflater niet als middel aan een beschikking worden verbonden, om zo een eigen beslissing uit te stellen. Wil erflater een beslissing omtrent de werking van zijn beschikking aan een ander overlaten, dan moet erflater hierbij een bepaald belang hebben. Brox/Walker noemt als voorbeeld de situatie dat:
‘E setzt seinen Neffen als Erben ein unter der Bedingung, dass dessen Ehefrau den E im Alter pflegt. Diese Verfügung ist wirksam, obwohl ihre Geltung von dem Willen der Ehefrau abhängt.’10