Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.1:14.1 Inleiding
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.1
14.1 Inleiding
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS455344:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voor een meer uitgebreide beschouwing wordt verwezen naar mijn: Opbrengsten van aandelen; het nieuwe regime geëvalueerd, academisch proefschrift, Rotterdam, 1999. blz. 472 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande hoofdstukken is het sedert 1 januari 1997 geldende regime inzake de fiscale behandeling van opbrengsten van aandelen bij natuurlijke personen die de aandelen tot hun privé-vermogen rekenen, geanalyseerd. Deze analyse is gestart bij de onder het tot 1 januari 1997 geldende oude regime met betrekking tot de opbrengsten van aandelen en de in dit regime besloten liggende knelpunten. Uit hoofdstuk 3 is gebleken dat deze knelpunten in een tweetal categorieën kunnen worden ingedeeld:
knelpunten die voortvloeiden uit het object van heffing dat was gestoeld op het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal;
knelpunten die voortvloeiden uit de verschillende tarieven die van toepassing waren op de diverse opbrengsten van aandelen.
Beide knelpunten leidden tot structuren die hun oorzaak niet vonden in de economische of maatschappelijke wenselijkheid ervan, doch louter waren geënt op de fiscaliteit. Idealiter zou de fiscaliteit het gevolg moeten zijn van economisch handelen van subjecten, doch in de sfeer van de opbrengsten van aandelen lag in elk geval tot 1 januari 1997 de relatie veel meer omgekeerd: Het (economisch) handelen van subjecten werd bepaald door de fiscaliteit. In de hoek gedrongen door de holding- en kasgeldjurisprudentie van de Hoge Raad die steeds onoverzichtelijker en onbegrijpelijker werd en het feit dat het nog slechts enkele fiscalisten was gegeven om in deze jurisprudentie de weg te vinden, klonk in het midden van de jaren '90 een steeds luider wordende roep om het fiscale regime met betrekking tot de opbrengsten van aandelen drastisch te herzien, waarbij dan meer recht kon worden gedaan aan de economische werkelijkheid. Het heeft uiteindelijk nog tot het turbo-arrest HR 18 oktober 1995, BNB 1996/189 geduurd, uit welk arrest zonder meer het failliet van het destijds geldende regime met betrekking tot de opbrengsten van aandelen bleek, vooraleer bij de fiscale wetgever de nood zo hoog was gestegen en het besef was doorgedrongen dat het fiscale regime met betrekking tot de opbrengsten van aandelen aan een drastische herziening toe was. Vervolgens is het snel gegaan: Een goed halfjaar later werd op 4 juni 1996 het wetsvoorstel tot herziening van het aanmerkelijkbelangregime ingediend dat vervolgens op 1 januari 1997, na een bijna onmogelijke krachtsinspanning, in werking is getreden. En het moet worden gezegd, ondanks de voor een dergelijke ingrijpende herziening van het fiscale regime met betrekking tot de opbrengsten van aandelen (zeer) korte parlementaire behandelingsperiode, werkt het nieuwe aanmerkelijkbelangregime naar behoren en is van oneigenlijk gebruik tot nog toe nauwelijks iets gebleken. Wat dat betreft, kan men tevreden terugkijken op de achterliggende periode. Maar, zoals zo vaak, er blijft altijd iets te wensen over en deze wensen vormen het onderwerp van onderhavig hoofdstuk. In dit hoofdstuk worden de uit het nieuwe fiscale regime voortvloeiende knelpunten die in de voorgaande twee hoofdstukken reeds zijn aangestipt, nader beschouwd en worden tevens voorstellen tot verbetering gedaan.1