Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/5.7.2
5.7.2 Wie beroep kan instellen
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708439:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 22 april 2005, NJ 2005/405 (Nguyen/Berntsen q.q.), r.o. 3.2.4.
O.a. HR 6 oktober 2006, NJ 2010/184 (ABN AMRO/Arts q.q.), r.o. 3.2.4.
Dit is een overweging die regelmatig terugkomt in uitspraken van de Hoge Raad, onder meer in HR 12 april 2019, NJ 2019/268, r.o. 3.4.2 en HR 15 maart 2013, JOR 2013/189, r.o. 3.5.
In gelijke zin HR 22 december 2017, NJ 2018/46, waar de Hoge Raad oordeelt dat degene (ook de bestuurder van de gefailleerde vennootschappen) met wie de curator een vaststellingsovereenkomst wil aangaan geen ‘partij’ is bij weigering van de rechter-commissaris om toestemming te verlenen voor het aangaan van de schikking (art. 104 Fw).
HR 18 april 2008, NJ 2008/244 (Benedik/Udo en Van Bergen q.q.), r.o. 3.4. Zie hierover ook Van Apeldoorn 2009, p. 81.
De curator heeft pas sinds de inwerkingtreding van de Wet modernisering faillissementsprocedure (Stb. 2018, 299) op 1 januari 2019 de bevoegdheid zelf vorderingen op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen te plaatsen. Zie over de toekenning van deze bevoegdheid Kamerstukken II 2016/17, 34740, nr. 3, p. 29-31.
HR 28 november 2014, NJ 2015/123, r.o. 4.8. In hun annotatie onder het arrest stellen Faber en Vermunt dat de gefailleerde als ‘partij’ is aangemerkt omdat zij het verzoek dat tot de beschikking heeft geleid heeft gedaan, zie N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt, JOR 2015/58, par. 4. Die stelling is verdedigbaar, hoewel de beslissing om de ingediende vorderingen te verwijzen naar de lijst van definitief erkende vorderingen geen rechtstreeks gevolg was van het verzoek dat de gefailleerde had gedaan. De Hoge Raad betrekt het feit dat de gefailleerde bezwaar heeft gemaakt tegen de erkenning ook niet bij zijn beslissing over het zijn van ‘partij’ bij de beschikking.
HR 8 juni 1962, NJ 1963/525.
Hoogenboezem lijkt daarom ook van mening te zijn dat niet iedere schuldeiser die bevoegdheid heeft. Zie K.P. Hoogenboezem, annotatie onder HR 15 maart 2013, JOR 2013/189, par. 8.
Wessels Insolventierecht IV 2020/4074; Bremer, TvI 2007/17, par. 5.
Engberts 2020, hoofdstuk 11.4. Aldus ook K.P. Hoogenboezem, annotatie onder HR 15 maart 2013, JOR 2013/189, par. 8 en 9.
HR 12 april 2019, NJ 2019/268, 3.4.4.
B.J. Engberts, annotatie onder HR 22 december 2017, JBPR 2018/31, par. 5.
HR 12 oktober 2018, NJ 2018/412 (Stichting ANV Fondsen), r.o. 4.1.2; HR 25 mei 2012, NJ 2012/339, r.o. 3.3.3.
Engberts 2020, p. 201.
B.J. Engberts, annotatie onder HR 22 december 2017, JBPR 2018/31, par. 5.
Zie ook het voorgestelde artikel 67 lid 4 Fw van het voorontwerp Wet overgang van onderneming in faillissement, op grond waarvan onder meer de ondernemingsraad beroep kan instellen tegen de toestemming van de rechter-commissaris om het actief onderhands te verkopen als sprake is van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW. Deze bevoegdheid sluit ook beter aan bij het belanghebbendenbegrip van artikel 358 Rv dan het partijbegrip dat de Hoge Raad gebruikt in het kader van artikel 67 Fw.
Zie recent HR 15 juli 2022, NJ 2022/367, r.o. 3.2.2.
HR 22 april 2005, NJ 2005/405 (Nguyen/Berntsen q.q.), r.o. 3.2.4.
Zie bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag 16 juni 2010, JOR 2011/196.
Rechtbank Alkmaar 31 maart 2011, ECLI:NL:RBALK:2011:BR4206. Zie ook Rechtbank Noord-Nederland 16 februari 2018, te kennen uit HR 28 september 2018, NJ 2019/16. De Hoge Raad gaat hier niet op in, maar A-G Timmerman stelt in par. 3.29 van zijn conclusie terecht dat verzoekers ook in de argumentatielijn van de rechtbank ontvankelijk hadden moeten worden verklaard in hun beroep.
Niet iedere schuldeiser heeft het recht hoger beroep in te stellen tegen een beschikking van de rechter-commissaris. Hoger beroep staat naar het oordeel van de Hoge Raad alleen open voor degene die ‘partij’ is bij de beschikking van de rechter-commissaris.1 In ieder geval is degene die om de beschikking heeft gevraagd2 en degene tot wie de beschikking is gericht ‘partij’ bij de beschikking.3 Het partijbegrip dat de Hoge Raad gebruikt in verband met artikel 67 Fw heeft naar mijn mening weinig onderscheidend vermogen. Het lijkt erop dat de Hoge Raad hier ook zo over denkt, omdat de Hoge Raad het begrip ‘partij’ in deze context steevast tussen aanhalingstekens plaatst.
Aan de ene kant is de bestuurder tegen wie de curator een procedure wil starten geen partij bij een machtiging van de rechter-commissaris om tegen de bestuurder te procederen (art. 68 lid 3 Fw),4 terwijl een werknemer kennelijk wel ‘partij’ is bij een machtiging van de rechter-commissaris om zijn arbeidsovereenkomst op te zeggen. De reden hiervoor is dat het verlenen van de machtiging om te procederen geen wijziging aanbrengt in de rechtspositie van de wederpartij, terwijl de rechtspositie van werknemers wel wordt gewijzigd door de machtiging tot het opzeggen van de arbeidsovereenkomst.5 Een soortgelijke argumentatielijn wordt gevolgd in een uitspraak van de Hoge Raad uit 2014. De gefailleerde heeft naar het oordeel van de Hoge Raad een rechtens te respecteren belang om beroep in te stellen tegen een beslissing van de rechter-commissaris om vorderingen die niet bij de curator zijn ingediend toe te laten ter verificatie.6 Kennelijk om die reden moet de gefailleerde worden beschouwd als ‘partij’ bij de beschikking van de rechter-commissaris.7
In 1963 oordeelde de Hoge Raad nog dat iedere schuldeiser ‘die daartoe gelegenheid heeft’ op grond van artikel 67 Fw in beroep kan tegen een beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 104 Fw om een vaststellingsovereenkomst of schikking aan te gaan.8 Hoewel de Hoge Raad nooit expliciet op dit oordeel is teruggekomen, past dit naar mijn smaak niet goed bij de gedachte dat uitsluitend een ‘partij’ bij de beschikking het recht van hoger beroep heeft.9 Toch wordt op basis van het arrest uit 1963 in de literatuur nog steeds aangenomen dat iedere schuldeiser beroep kan instellen tegen een beschikking van de rechter-commissaris op grond van artikel 104 Fw.10
Wie ‘partij’ is in de zin van artikel 67 Fw is lastig te bepalen.11 In ieder geval is de failliet niet alleen ‘partij’ omdat hij om de beschikking heeft gevraagd of omdat de beschikking tot hem is gericht, maar ook omdat aan de failliet alleen op die manier een behoorlijke rechtsbescherming wordt geboden.12 Engberts heeft voorgesteld om bij de bevoegdheid tot het instellen van hoger beroep aan te sluiten bij het belanghebbendenbegrip van artikel 358 Rv.13 Of iemand op grond van artikel 358 Rv kan worden aangemerkt als belanghebbende kan worden afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Daarbij speelt een rol in hoeverre iemand door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre hij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.14 Ik kan mij goed vinden in het voorstel van Engberts. Het belanghebbendenbegrip van artikel 358 Rv past goed bij de wijze waarop de Hoge Raad omgaat met het begrip ‘partij’ en zorgt ook voor meer duidelijkheid15 en consistentie van het burgerlijk procesrecht.1617
In het kader van artikel 69 Fw is in ieder geval evident dat degene die het artikel 69-verzoek heeft ingediend ontvankelijk is in het hoger beroep.18 Degene die om de beslissing heeft gevraagd is immers ‘partij’ bij de beschikking van de rechter-commissaris.19 Soms wijst de rechter-commissaris een verzoek af, terwijl de verzoeker naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Als de verzoeker dan in hoger beroep gaat, moet de rechtbank de verzoeker ontvankelijk verklaren in het beroep en de verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in het oorspronkelijke verzoek.20 Het komt weleens voor dat rechtbanken verzoekers om die reden niet-ontvankelijk verklaren in hun hoger beroep.21 Dat is dan ten onrechte, hoewel de uitkomst materieel niet verschilt van de route die de rechtbank zou moeten bewandelen.