Vgl. HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:982, rov. 2.4.
HR, 26-03-2024, nr. 22/01278
ECLI:NL:HR:2024:468
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-03-2024
- Zaaknummer
22/01278
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:468, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑03‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:2216
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1184
ECLI:NL:PHR:2023:1184, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑12‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:468
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑09‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0065
NJ 2024/192 met annotatie van A.J. Machielse
Uitspraak 26‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Woningoverval op bejaarde man. Medeplegen poging doodslag (art. 287 Sr) en medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr). Specialiteitsbeginsel bij overlevering. OM niet-ontvankelijk in strafvervolging t.a.v. wederrechtelijke vrijheidsberoving, nu overlevering is verzocht voor vervolging van verdachte voor poging tot doodslag en poging tot diefstal met geweld? O.g.v. art. 48 Overleveringswet jo. art. 27.2 Kaderbesluit kan aan Nederland overgeleverde persoon niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens een of meer andere vóór overlevering begane feiten dan feiten die reden tot overlevering zijn geweest, tenzij een van in art. 27.1 en 27.3 Kaderbesluit bedoelde gevallen zich voordoet. Als verweer wordt gevoerd dat verdachte wordt vervolgd voor een of meer ‘andere feiten’, moet rechter vaststellen voor welk feit of welke feiten Europees aanhoudingsbevel door Nederland als uitvaardigende lidstaat is gegeven, en daarnaast of uitvoerende rechterlijke autoriteit aan EAB uitvoering heeft gegeven. Als bij stukken EAB of beslissing van uitvoerende rechterlijke autoriteit ontbreekt, beveelt rechter voeging daarvan. Vervolgens onderzoekt rechter of verdachte wordt vervolgd voor ander feit dan feit dat of feiten die reden voor overlevering zijn geweest. Uit uitspraak HvJ EU (ECLI:EU:C:2008:669) volgt o.m. dat rechter daartoe omschrijving van strafbaar feit in EAB vergelijkt met omschrijving in tll. Daarbij moet hij nagaan of (i) bestanddelen van strafbaar feit waarvoor wordt vervolgd dezelfde zijn als die waarvoor persoon is overgeleverd en of (ii) voldoende overeenstemming bestaat tussen omschrijving van feit in EAB en omschrijving van feit in tll. Wat betreft onder (ii) genoemde voorwaarde is van belang dat verschillen in omschrijvingen in tijd en plaats niet z.m. betekenen dat sprake is van ander feit, tenzij door die verschillen wijziging in aard van strafbaar feit optreedt of deze ertoe leiden dat weigeringsgrond als bedoeld in art. 3 of 4 Kaderbesluit van toepassing wordt. Als rechter o.g.v. deze vergelijking tot conclusie komt dat sprake is van ‘ander feit’ kan hij (ambtshalve of op vordering van OM) onderzoek ttz. voor bepaalde of onbepaalde tijd aanhouden om OM gelegenheid te bieden verzoek tot toestemming bij uitvoerende rechterlijke autoriteit te doen indienen. In geval dat (na eventuele aanhouding ter verkrijging van aanvullende toestemming) toestemming van uitvoerende rechterlijke autoriteit ontbreekt voor vervolging en berechting van andere vóór overlevering begane feiten dan feiten die reden tot overlevering zijn geweest, verklaart rechter OM n-o in vervolging. In dat geval kan verdachte daarna opnieuw worden vervolgd voor genoemde andere feiten als OM daarvoor alsnog toestemming heeft verkregen (vgl. HR:2022:982). Voorgaande brengt mee dat rechter bij beslissing op verweer dat verdachte wordt vervolgd voor een of meer ‘andere feiten’ zowel EAB als beslissing van uitvoerende rechterlijke autoriteit moet betrekken. Nu uit ‘s hofs overwegingen niet blijkt dat hof acht heeft geslagen op beslissing van Engelse rechter en beslissing zich ook niet bij stukken bevindt, is ’s hofs oordeel dat OM ontvankelijk is in vervolging ontoereikend gemotiveerd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders. Samenhang met 22/01112.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01278
Datum 26 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 maart 2022, nummer 21-006600-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde straf betreft, tot zodanige beslissing als de Hoge Raad op grond van artikel 440 Sv gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte voor het onder 2b tenlastegelegde feit.
2.2.1
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte onder 2b bewezenverklaard dat:
“hij in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003, in de gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers zijn en heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader:
- de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk binnengedrongen en
- vervolgens de beide polsen en de beide enkels van die (slapende) [slachtoffer] met tape vastgebonden en
- die enkels met tape aan de bedspijl vastgebonden.”
2.2.2
Het hof heeft het in het cassatiemiddel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman van verdachte heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging ter zake van de onder 2b tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de overlevering van verdachte volgens een Europees Arrestatiebevel (hierna te noemen: het EAB) is verzocht wegens poging doodslag, dan wel poging tot diefstal met geweld en dat de Britse justitiële autoriteiten de overlevering dus ook alleen voor deze feiten toelaatbaar hebben verklaard. De vervolging van verdachte in Nederland voor wederrechtelijke vrijheidsberoving is volgens de raadsman in strijd met het in de artikelen 27 en 28 van het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van 13 juni 2002 (2002/584/JBZ; hierna te noemen: het Kaderbesluit) liggende specialiteitsbeginsel.
(...)
Uit het EAB blijkt dat de Nederlandse autoriteiten aan het Verenigd Koninkrijk om overlevering hebben gevraagd voor de vervolging van verdachte voor betrokkenheid bij een in de nacht van 9 op 10 juli 2003 gepleegde woningoverval. Het EAB vermeldt dat de feiten strafbaar zijn gesteld in de artikelen 45, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De overlevering is dus niet expliciet ook verzocht voor vervolging van verdachte voor wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Sr). De feitelijke gedragingen die aan het EAB ten grondslag zijn gelegd houden echter ook de wederrechtelijke vrijheidsberoving in: in de omschrijving van de strafbare feiten is immers opgenomen dat het 79-jarige slachtoffer op zijn bed werd vastgebonden, zoals onder 2b is ten laste gelegd. Wederrechtelijke vrijheidsberoving is opgenomen in lijst I van strafbare feiten die tot overlevering kunnen leiden zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Kaderbesluit en artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van de Overleveringswet. Het oordeel van de Britse rechter zal dus niet anders hebben geluid als de overlevering van verdachte ook op verdenking van wederrechtelijke vrijheidsberoving was gevraagd. Gelet hierop, is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging ter zake van de onder 2b tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het verweer wordt verworpen.”
2.3.1
Voor de beoordeling van de cassatiemiddelen zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 27 lid 2 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PbEG 2002, L 190/1) (hierna: het Kaderbesluit):
“Behoudens in de in lid 1 en lid 3 bedoelde gevallen wordt een overgeleverd persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest.”
- Artikel 48 van de Overleveringswet:
“De voorwaarden die door de buitenlandse uitvoerende justitiële autoriteit in overeenstemming met het op 13 juni 2002 door de Raad vastgestelde kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (PbEG L 190) worden gesteld bij de overlevering van de opgeëiste persoon aan Nederland, zijn verbindend voor iedere persoon of instantie die in Nederland is belast met een publieke taak.”
2.3.2
De Overleveringswet strekt ter implementatie van het Kaderbesluit en moet zo veel mogelijk worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van dat kaderbesluit (vgl. HvJ EG 16 juni 2005, zaak C-105/03, ECLI:EU:C:2005:386 (Pupino)). In zijn uitspraak in de zaak Leymann en Pustovarov (HvJ EU 1 december 2008, zaak C-388/08, ECLI:EU:C:2008:669) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van artikel 27 lid 2 Kaderbesluit onder meer overwogen:
“41 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen welke de relevante criteria zijn om te bepalen of een overgeleverd persoon wordt vervolgd voor een „ander feit” dan dat welk de reden tot zijn overlevering is geweest in de zin van artikel 27, lid 2, van het kaderbesluit, waarvoor de toestemmingsprocedure van artikel 27, leden 3, sub g, en 4, moet worden gevolgd.
(...)
43 Artikel 27, lid 2, van het kaderbesluit legt het specialiteitsbeginsel neer. Volgens dit beginsel kan een overgeleverde persoon niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest.
(...)
52 Bij de beslissing over de overlevering van de gezochte persoon met het oog op vervolging wegens een strafbaar feit dat in de nationale wet van de uitvaardigende lidstaat is gedefinieerd, onderzoekt de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat, op basis van de bepalingen van artikel 2 van het kaderbesluit, de in het Europees aanhoudingsbevel gegeven omschrijving van het strafbare feit. Deze omschrijving moet – volgens het in bijlage bij het kaderbesluit gevoegde model – de in artikel 8 van dit besluit vermelde gegevens bevatten, met name de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit, alsmede de voor het strafbare feit geldende strafmaat.
53 Zoals de Commissie in haar opmerkingen heeft betoogd, is het overleveringsverzoek gebaseerd op de informatie die de stand van het onderzoek op het tijdstip van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel weergeeft. Het is dus mogelijk dat in de loop van de procedure de vastgestelde feiten niet in alle opzichten meer overeenkomen met die welke oorspronkelijk waren omschreven. De verzamelde gegevens kunnen leiden tot een precisering en zelfs een wijziging van de bestanddelen van het strafbare feit die de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel aanvankelijk hebben gerechtvaardigd.
54 De in artikel 27, lid 2, van het kaderbesluit gebruikte termen „vervolgd”, „berecht” of „van zijn vrijheid beroofd” wijzen erop dat het begrip „enig ander feit” dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de verschillende stadia van de procedure en rekening houdend met iedere procedurele handeling die de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit kan wijzigen.
55 Om – met betrekking tot het vereiste van toestemming – uit te maken of een procedurele handeling leidt tot een „ander feit” dan dat welk in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld, moet de omschrijving van het strafbare feit in het Europees aanhoudingsbevel worden vergeleken met de omschrijving in de latere procedurele handeling.
56 Vereisen dat de uitvoerende lidstaat voor iedere wijziging in de omschrijving van de feiten toestemming verleent, zou verder gaan dan wat het specialiteitsbeginsel verlangt en afdoen aan het doel, de in het kaderbesluit voorziene justitiële samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken en te bespoedigen.
57 Om uit te maken of al dan niet sprake is van „enig ander feit” dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, moet worden nagegaan of de bestanddelen van het strafbare feit, volgens de wettelijke omschrijving die in de uitvaardigende lidstaat daarvan is gegeven, die zijn waarvoor de persoon is overgeleverd en of er voldoende overeenstemming is tussen de gegevens in het aanhoudingsbevel en de gegevens in de latere procedurele handeling. Wijzigingen in de omstandigheden tijd en plaats zijn toegestaan, mits zij volgen uit de elementen die zijn verzameld tijdens de procedure die in de uitvaardigende lidstaat is gevolgd met betrekking tot de in het aanhoudingsbevel omschreven gedragingen, zij de aard van het strafbare feit niet wijzigen en zij niet leiden tot gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van de artikelen 3 en 4 van het kaderbesluit.
58 Het staat aan de bevoegde nationale rechter om tegen de achtergrond van de in het voorgaande punt van het onderhavige arrest vermelde criteria na te gaan of het in de tenlastelegging omschreven strafbare feit een ander strafbaar feit is dan dat welk in de tegen Leymann en Pustovarov uitgevaardigde aanhoudingsbevelen is omschreven.
59 Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat, om uit te maken of het aan de orde zijnde strafbare feit geen „ander feit” is dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest in de zin van artikel 27, lid 2, van het kaderbesluit, waarvoor de toestemmingsprocedure van artikel 27, leden 3, sub g, en 4, van dat kaderbesluit moet worden gevolgd, dient te worden nagegaan of de bestanddelen van het strafbare feit, volgens de wettelijke omschrijving die in de uitvaardigende lidstaat daarvan is gegeven, die zijn waarvoor de persoon is overgeleverd en of er voldoende overeenstemming is tussen de gegevens in het aanhoudingsbevel en de gegevens in de latere procedurele handeling. Wijzigingen in de omstandigheden tijd en plaats zijn toegestaan, mits zij volgen uit de elementen die zijn verzameld tijdens de procedure die in de uitvaardigende lidstaat is gevolgd met betrekking tot de in het aanhoudingsbevel omschreven gedragingen, zij de aard van het strafbare feit niet wijzigen en zij niet leiden tot gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van de artikelen 3 en 4 van het kaderbesluit.”
2.4.1
Op grond van artikel 48 Overleveringswet in samenhang met artikel 27 lid 2 Kaderbesluit kan een aan Nederland overgeleverd persoon niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens een of meer andere vóór de overlevering begane feiten dan de feiten die de reden tot de overlevering zijn geweest, tenzij een van de in artikel 27 leden 1 en 3 Kaderbesluit bedoelde gevallen zich voordoet.
2.4.2
Als het verweer wordt gevoerd dat de verdachte wordt vervolgd voor een of meer ‘andere feiten’ zoals bedoeld onder 2.4.1, moet de rechter vaststellen voor welk feit of welke feiten het Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) door Nederland als uitvaardigende lidstaat is gegeven, en daarnaast of de uitvoerende rechterlijke autoriteit aan dat EAB uitvoering heeft gegeven. Als bij de stukken het EAB of de beslissing van de uitvoerende rechterlijke autoriteit ontbreekt, beveelt de rechter de voeging daarvan. Vervolgens onderzoekt de rechter of de verdachte wordt vervolgd voor een ander feit dan het feit dat of de feiten die reden voor de overlevering zijn geweest.
2.4.3
Uit de onder 2.3.2 weergegeven uitspraak van het Hof van Justitie volgt onder meer dat de rechter daartoe de omschrijving van het strafbare feit in het EAB vergelijkt met de omschrijving in de tenlastelegging. Daarbij moet hij nagaan of (i) de bestanddelen van het strafbare feit waarvoor wordt vervolgd dezelfde zijn als die waarvoor de persoon is overgeleverd en of (ii) er voldoende overeenstemming bestaat tussen de omschrijving van het feit in het EAB en de omschrijving van het feit in de tenlastelegging. Wat betreft de onder (ii) genoemde voorwaarde is van belang dat verschillen in de omschrijvingen in tijd en plaats niet zonder meer betekenen dat sprake is van een ander feit, tenzij door die verschillen een wijziging in de aard van het strafbare feit optreedt of deze ertoe leiden dat een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 3 of 4 Kaderbesluit EAB van toepassing wordt.
2.4.4
Als de rechter op grond van deze vergelijking tot de conclusie komt dat sprake is van een ‘ander feit’ kan hij – ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie – het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde of onbepaalde tijd aanhouden om het openbaar ministerie de gelegenheid te bieden een verzoek tot toestemming bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit te doen indienen. In het geval dat – na eventuele aanhouding ter verkrijging van aanvullende toestemming – de toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit ontbreekt voor de vervolging en de berechting van andere vóór de overlevering begane feiten dan de feiten die de reden tot de overlevering zijn geweest, verklaart de rechter het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. In dat geval kan de verdachte daarna opnieuw worden vervolgd voor de genoemde andere feiten als het openbaar ministerie daarvoor alsnog toestemming heeft verkregen. (Vgl. HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:982, rechtsoverweging 2.5.6.)
2.4.5
Het voorgaande brengt mee dat de rechter bij zijn beslissing op een onder 2.4.2 bedoeld verweer zowel het EAB als de beslissing van de uitvoerende rechterlijke autoriteit moet betrekken. Nu uit de hiervoor weergegeven overwegingen van het hof niet blijkt dat het hof acht heeft geslagen op de beslissing van de Engelse rechter en deze beslissing zich ook niet bij de stukken bevindt, is het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging ontoereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2b tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2024.
Conclusie 19‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling t.z.v. poging doodslag en wederrechtelijke vrijheidsberoving. M1 dat klaagt over schending van het specialiteitsbeginsel bij overlevering o.g.v. EAB faalt volgens de AG. M2 dat klaagt over niet-redengevendheid van schriftelijk stuk faalt eveneens. M3 dat klaagt over het hanteren van de verkeerde maatstaf bij de redelijke termijn in hoger beroep slaagt. HR kan dit zelf afdoen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep voor het overige (art. 81.1 RO).
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01278
Zitting 19 december 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 24 maart 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2a ten laste gelegde, en wegens onder 1 "medeplegen van poging tot doodslag" en onder 2b “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en zes maanden.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/01112. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en S. van den Akker, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel
4.1
Het middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard ter zake van het onder 2b tenlastegelegde, aan welk verweer ten grondslag was gelegd dat de verdachte mede is vervolgd wegens de bewezenverklaarde “wederrechtelijke vrijheidsberoving” terwijl de Britse autoriteiten niet voor dat feit de overlevering toelaatbaar hebben verklaard waardoor in strijd is gehandeld met het specialiteitsbeginsel.
4.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
"1.
in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 in de gemeente [plaats] ,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, hij, verdachte, of zijn mededader met dat opzet die [slachtoffer]
meermalen met een mes in het hoofd en lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2b.hij in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003, in de gemeente [plaats] ,
tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers zijn en heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader:
- de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk binnengedrongen en
- vervolgens de beide polsen en de beide enkels van die (slapende) [slachtoffer] met tape, vastgebonden en
- die enkels met tape aan de bedspijl vastgebonden.”
4.3
Het hof heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging voor het onder 2b tenlastegelegde het volgende overwogen:
“Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman van verdachte heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging ter zake van de onder 2b tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de overlevering van verdachte volgens een Europees Arrestatiebevel (hierna te noemen: het EAB) is verzocht wegens poging doodslag, dan wel poging tot diefstal met geweld en dat de Britse justitiële autoriteiten de overlevering dus ook alleen voor deze feiten toelaatbaar hebben verklaard. De vervolging van verdachte in Nederland voor wederrechtelijke vrijheidsberoving is volgens de raadsman in strijd met het in de artikelen 27 en 28 van het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van 13 juni 2002 (2002/584/JBZ; hierna te noemen: het Kaderbesluit) liggende specialiteitsbeginsel.
De advocaat-generaal heeft zich, onder verwijzing naar het oordeel van de rechtbank, op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ook ontvankelijk is in de vervolging ter zake van de onder 2b tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Uit het EAB blijkt dat de Nederlandse autoriteiten aan het Verenigd Koninkrijk om overlevering hebben gevraagd voor de vervolging van verdachte voor betrokkenheid bij een in de nacht van 9 op 10 juli 2003 gepleegde woningoverval. Het EAB vermeldt dat de feiten strafbaar zijn gesteld in de artikelen 45, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De overlevering is dus niet expliciet ook verzocht voor vervolging van verdachte voor wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Sr). De feitelijke gedragingen die aan het EAB ten grondslag zijn gelegd houden echter ook de wederrechtelijke vrijheidsberoving in: in de omschrijving van de strafbare feiten is immers opgenomen dat het 79-jarige slachtoffer op zijn bed werd vastgebonden, zoals onder 2b is ten laste gelegd. Wederrechtelijke vrijheidsberoving is opgenomen in lijst I van strafbare feiten die tot overlevering kunnen leiden zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Kaderbesluit en artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van de Overleveringswet. Het oordeel van de Britse rechter zal dus niet anders hebben geluid als de overlevering van verdachte ook op verdenking van wederrechtelijke vrijheidsberoving was gevraagd. Gelet hierop, is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging ter zake van de onder 2b tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het verweer wordt verworpen.”
4.4
In deze overwegingen ligt als kennelijk oordeel van het hof besloten dat geen sprake is van een ander feit dan dat waarvoor de Britse autoriteiten de overlevering toelaatbaar hebben verklaard zodat om die reden het specialiteitsbeginsel niet is geschonden.
4.5
Bij de stukken bevindt zich een op de verdachte betrekking hebbend Europees Arrestatiebevel van 2 november 2016 dat onder meer inhoudt:
“ e) Strafbare feiten
Dit bevel heeft betrekking op in totaal twee strafbare feiten.
[verdachte] wordt ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij het volgende gepleegde
feit:
Op 10 juli 2003 werd in [plaats] omstreeks 02.30 uur een toen 79 jarige man in zijn woning tijdens
zijn slaap vastgebonden. Toen het slachtoffer wakker werd, zag hij twee gemaskerde personen
naast zijn bed staan. Het slachtoffer werd vervolgens door deze twee personen mishandeld, waarbij gebruik gemaakt werd van één mes. Het slachtoffer werd door dit mes meerdere malen geraakt aan zijn hoofd en handen. Nadat het geweld plots stopte en de verdachten de woning hadden verlaten, wist het slachtoffer zich los te maken en de politie telefonisch te waarschuwen. Het slachtoffer werd vanwege zijn verwondingen in het ziekenhuis opgenomen. Verder werden veel bloedsporen gezien in de woning. Een dressoir bleek te zijn doorzocht. Slachtoffer miste echter geen goederen/geld.
(…)
Aard en wettelijke kwalificatie van de strafbare feiten en toepasselijke wettelijke bepalingen/wetboeken:
Poging doodslag, genoemd in artikel 287 in verband met artikel 45 van het Wetboek van
Strafrecht en/of poging tot diefstal met geweld, in de voor de nachtrust bestemde tijd in een
woning, in vereniging gepleegd, zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebbende, genoemd in
artikel 312 lid 2 in verband met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht. (…)
I. Geef in voorkomend geval aan of het gaat om één of meer van de volgende strafbare feiten
waarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar en zoals omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat:
(...)
X Moord en doodslag, zware mishandeling (…)
X Georganiseerde of gewapende diefstal (…)”
4.6
Het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de feitelijke gedragingen die aan het Europees aanhoudingsbevel (EAB) ten grondslag zijn gelegd ook de wederrechtelijke vrijheidsberoving inhouden nu daarin is opgenomen dat het 79-jarige slachtoffer op zijn bed werd vastgebonden en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging ter zake van feit 2b. De stellers van het middel stellen zich op standpunt dat dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is. Daarnaast wordt aangevoerd dat het kennelijk ‘inlezen’ van allerlei niet genoemde elementen een wijziging in de wettelijke kwalificatie tot het gevolg heeft, hetgeen niet is toegestaan aldus de stellers van het middel.
4.7
Met het oog op de bespreking van het middel begin ik met de weergave van art. 27 Kaderbesluit 2002/584/JBZ (Kaderbesluit EAB) en art. 48 Overleveringswet (OLW):
– art. 27 Kaderbesluit 2002/584/JBZ:
“Eventuele vervolging wegens andere feiten1. Elke lidstaat kan het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie ervan in kennis stellen dat, in zijn betrekking met andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht, de toestemming geacht kan worden te zijn gegeven voor de vervolging, berechting of detentie met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, van de persoon wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, tenzij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in een specifiek geval in haar beslissing tot overlevering anders heeft beschikt.
2. Behoudens in de in lid 1 en lid 3 bedoelde gevallen wordt een overgeleverd persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest.
3. Lid 2 is niet van toepassing in gevallen waarin:
a) de gezochte persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij was overgeleverd, heeft verlaten, of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd;
b) de feiten niet strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel;
c) de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die zijn persoonlijke vrijheid beperkt;
d) de gezochte persoon zal worden onderworpen aan de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel die geen vrijheidsbeneming meebrengt, met inbegrip van een geldboete, of een daarvoor in de plaats komende maatregel, zelfs indien deze kan leiden tot beperking van zijn persoonlijke vrijheid;
e) de gezochte persoon heeft ingestemd met zijn overlevering, in voorkomend geval op hetzelfde tijdstip waarop hij afstand heeft gedaan van de bescherming van het specialiteitsbeginsel, overeenkomstig artikel 13;
f) de gezochte persoon na zijn overlevering uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van bescherming van het specialiteitsbeginsel voor bepaalde, vóór zijn overlevering gepleegde feiten. De afstand wordt gedaan ten overstaan van de bevoegde rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat en wordt opgetekend in een proces-verbaal dat wordt opgemaakt overeenkomstig het nationaal recht van die staat. De afstand wordt verkregen onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich volledig bewust is van de gevolgen. De gezochte persoon heeft te dien einde het recht zich door een raadsman te doen bijstaan;
g) de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de gezochte persoon overgeleverd heeft, overeenkomstig lid 4 daartoe toestemming geeft.
4. Een verzoek tot toestemming wordt bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit ingediend, bevat de gegevens bedoeld in artikel 8, lid 1, en gaat vergezeld van een vertaling als bedoeld in artikel 8, lid 2. De toestemming wordt verleend indien het strafbaar feit waarvoor zij wordt verzocht op zichzelf de verplichting tot overlevering overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit meebrengt. Toestemming wordt geweigerd op de in artikel 3 genoemde gronden en kan in de overige gevallen alleen op de in artikel 4 genoemde gronden worden geweigerd. De beslissing wordt uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek genomen.
Voor de in artikel 5 bedoelde situaties dient de uitvaardigende lidstaat de daarin bedoelde garanties te geven.”
– art. 48 van de Overleveringswet:
“De voorwaarden die door de buitenlandse uitvoerende justitiële autoriteit in overeenstemming met het op 13 juni 2002 door de Raad vastgestelde kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (PbEG L 190) worden gesteld bij de overlevering van de opgeëiste persoon aan Nederland, zijn verbindend voor iedere persoon of instantie die in Nederland is belast met een publieke taak.”
4.8
Voor de beoordeling van het middel is van belang het arrest van 12 juli 2022 waarin de Hoge Raad het volgende heeft overwogen:
“Op grond van artikel 48 Overleveringswet in verbinding met artikel 27 lid 2 Kaderbesluit kan een aan Nederland overgeleverd persoon niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens een of meer andere vóór de overlevering begane feiten dan de feiten die de reden tot de overlevering zijn geweest, tenzij een van de in artikel 27 leden 1 en 3 Kaderbesluit bedoelde gevallen zich voordoet.”1.
4.9
De vraag die voorligt is of in casu sprake is van een ‘ander feit’ dan waarvoor overlevering plaatsvond, waartegen het specialiteitsbeginsel zich verzet. In zijn uitspraak in de zaak Leymann en Pustovarov (HvJ EU 1 december 2008, zaak C-388/08, ECLI:EU:C:2008:669) heeft het Hof van Justitie uitgemaakt of het aan de orde zijnde strafbare feit geen “ander feit” is dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest in de zin van artikel 27, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB, waarvoor de toestemmingsprocedure van artikel 27, lid 3, onder g, en artikel 27, lid 4, van dat kaderbesluit moet worden gevolgd. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat:
“(…)55. Om met betrekking tot het vereiste van toestemming uit te maken of een procedurele handeling leidt tot een ander feit dan dat welk in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld, moet de omschrijving van het strafbare feit in het Europees aanhoudingsbevel worden vergeleken met de omschrijving in de latere procedurele handeling. (…)
56. Vereisen dat de uitvoerende lidstaat voor iedere wijziging in de omschrijving van de feiten toestemming verleent, zou verder gaan dan wat het specialiteitsbeginsel verlangt en afdoen aan het doel, de in het kaderbesluit voorziene justitiële samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken en te bespoedigen.
57. Om uit te maken of al dan niet sprake is van enig ander feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, moet worden nagegaan of de bestanddelen van het strafbare feit, volgens de wettelijke omschrijving die in de uitvaardigende lidstaat daarvan is gegeven, die zijn waarvoor de persoon is overgeleverd en of er voldoende overeenstemming is tussen de gegevens in het aanhoudingsbevel en de gegevens in de latere procedurele handeling. Wijzigingen in de omstandigheden tijd en plaats zijn toegestaan, mits zij volgen uit de elementen die zijn verzameld tijdens de procedure die in de uitvaardigende lidstaat is gevolgd met betrekking tot de in het aanhoudingsbevel omschreven gedragingen, zij de aard van het strafbare feit niet wijzigen en zij niet leiden tot gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van de artikelen 3 en 4 van het kaderbesluit.”
4.10
Anders dan de stellers van het middel, acht ik de uitleg die het hof geeft aan het EAB niet onbegrijpelijk of onjuist. Het EAB vermeldt onder de feitelijke omschrijving: “Op 10 juli 2003 werd in [plaats] omstreeks 02.30 uur een toen 79 jarige man in zijn woning tijdens zijn slaap vastgebonden”. Aan de verdachte is onder 2b tenlastegelegd – kort gezegd – dat hij in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 te [plaats] tezamen en in vereniging het slachtoffer wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd door de polsen en enkels van het slachtoffer vast te binden en de enkels met tape aan de bedstijlen vast te binden. Het feitencomplex waarvoor de verdachte blijkens het EAB van 2 november 2016 is overgeleverd, omvat ook de (gewelds)handelingen die eveneens als wederechtelijke vrijheidsberoving kunnen worden gekwalificeerd. Mijns inziens bestaat er voldoende overeenstemming tussen de gegevens in het EAB en de gegevens in de latere procedurele handeling. De feitelijke gedragingen die aan het EAB ten grondslag zijn gelegd houden de wederrechtelijke vrijheidsberoving in, zodat mijns inziens gesteld kan worden dat het in de latere procedurele handeling en het in het EAB omschreven strafbare feit onder dezelfde delictomschrijving te rubriceren zijn.
4.11
De vraag of een andere kwalificatie meebrengt dat niet meer van hetzelfde feit sprake is lijkt mij op de achtergrond ook mee te spelen. Mijn ambtgenoot Machielse betoogde in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2007:BB3994) voorafgaand aan HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3994 dat voor het feitsbegrip in art. 27 Kaderbesluit niet een ander begrip moet worden gehanteerd dan bij het ‘ne bis in idem’, zoals dat onder meer ook voorkomt in art. 54 SUO (Schengen Uitvoeringsovereenkomst), en dat omvat een ruimer begrip dan enkel de juridische rubricering van het feit. Daarentegen is V.H. Glerum, in zijn dissertatie over de weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, van mening dat in art. 27 Kaderbesluit wel een strikte koppeling aan de kwalificatie in het EAB vereist is. Het specialiteitsbeginsel kan dan dus eerder worden ingeroepen.2.De ratio van een dergelijke beperkt feitsbegrip zou zijn dat de rechter van de aangezochte autoriteit bij een latere andere kwalificatie zich niet over de toelaatbaarheid van de overlevering voor dat feit heeft kunnen uitlaten, in die zin dat daarvoor ook de strafbaarheid van dát feit in de aangezochte staat moet kunnen worden vastgesteld. Los van de vraag of die redenering gevolgd zou moeten worden kan in de onderhavige zaak worden vastgesteld dat de ‘extra’ kwalificatie, door het toevoegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving aan de tenlastelegging geen probleem op dat vlak kan opleveren. Dat feit (art. 282 Sr) is immers - zoals het hof ook overweegt - een ‘lijstfeit’ (art. 2 lid 2 Kaderbesluit EAB) waarbij de dubbele strafbaarheid geen rol speelt.
4.12
In het oordeel van het hof ligt besloten dat – nu de Britse rechter uitvoering heeft gegeven aan het arrestatiebevel – het specialiteitsbeginsel niet in de weg staat aan de vervolging van de verdachte voor wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat het hof het Europees Arrestatiebevel bij zijn uitleg van de beslissing van de Britse rechter mocht betrekken (vgl. HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3994).
4.13
Het middel faalt.
5. Het tweede middel
5.1
Het middel behelst in de kern de klacht dat het hof ten onrechte een geschrift, zijnde een rechtshulpverzoek van de officier van justitie, voor het bewijs van de feiten 1 en 2b heeft gebruikt en dat derhalve de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
5.2
Het middel heeft het oog op het volgende door het hof gebezigde bewijsmiddel:
“Een schriftelijk stuk, te weten het rechtshulpverzoek van 28 april 2015 (pagina’s 3179 tot en met 3181), inhoudende - zakelijk weergegeven - als verzoek van de Officier van Justitie:
Op 10 juli 2003 te [plaats] werd een 79-jarige man, in de nacht, in zijn woning aan zijn bed vastgebonden. Hij werd door twee mannen geslagen en tevens door één van hen met een mes gestoken. Verdachte [medeverdachte] verklaarde bij zijn voorgeleiding aan de rechter-commissaris: Het kan goed zijn dat ik de jongens die het gedaan hebben heb weggebracht naar die woning. Er was een Irakese jongen bij maar ik herinner mij zijn naam niet. In hierop volgende verhoren bij de politie gaf verdachte [medeverdachte] aanvullende informatie over de Irakese jongen, waarna uit politieonderzoek bleek dat deze Irakese jongen vermoedelijk is:
Achternaam: [verdachte]
Voornaam: [verdachte]
Matcht het DNA-profiel van onbekende man B (zie bijlage) met een DNA-profiel in de Engelse DNA databank?”
5.3
Uit (de toelichting op) het middel blijkt dat het middel twee deelklachten bevat. Allereerst nemen de stellers van het middel het standpunt in dat de door de officier van justitie in het schriftelijke stuk gedane mededeling meer omvat dan hetgeen het lid van het openbaar ministerie zelf waargenomen en ondervonden. Daarbij wordt verwezen naar de volgende zinsnede uit dat schriftelijk stuk: “uit het politieonderzoek bleek dat deze Irakese jongen vermoedelijk is: [verdachte] ”. Dat past volgens de stellers van het middel niet in het wettelijk systeem. Voorts wordt aangevoerd dat uit de overige bewijsmiddelen niet althans niet zonder meer kan volgen wat dat politieonderzoek heeft ingehouden.
5.4
Het schriftelijke stuk dat in de onderhavige zaak tot het bewijs is gebezigd, behelst een rechtshulpverzoek van de officier van justitie waarin een verzoek wordt gedaan aan Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot vergelijking van een DNA-profiel met in de Engelse databank verwerkte DNA-profielen. De redengevende feiten en omstandigheden die in het rechtshulpverzoek zijn weergegeven ter onderbouwing van dat verzoek, zijn kennelijk ontleend aan zich in het dossier bevindende processen-verbaal, die in het bestreden arrest als bewijsmiddelen zijn opgenomen, waaronder het proces-verbaal van bevindingen onderzoek identiteit Irakeze ‘Najib’ van 4 maart 2015 (pagina’s 2288 tot en met 2291 van het dossier). Daardoor mist de eerste deelklacht enig belang. Voor zover het middel ook klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer kan volgen wat het politieonderzoek heeft ingehouden, mist die klacht feitelijke grondslag. Uit het door het hof als bewijsmiddel3.gebezigde “proces-verbaal van bevindingen onderzoek identiteit Irakeze ‘Najib’” van 4 maart 2015 (pagina’s 2288 tot en met 2291 van het dossier) blijkt immers wat dat politieonderzoek heeft ingehouden. Anders dan de stellers van het middel doen vermoeden, hoeft niet “het gehele het politiedossier [te worden] (…) nageplozen om te bezien in hoeverre de door de officier van justitie getrokken conclusie juist is”. Lezing van het arrest volstaat daartoe.
5.5
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
6. Het derde middel
6.1
Het middel behelst de klacht dat het hof bij zijn oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat de berechting van de onderhavige zaak in hoger beroep binnen twee jaren had moeten plaatsvinden.
6.2
Namens de verdachte is op 30 november 2017 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle. Uit de akte hoger beroep volgt dat de verdachte op dat moment was gedetineerd.
6.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2022 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Subsidiair; indien uw Hof wel tot een bewezenverklaring zou komen
• Redelijke termijn; in forse mate overschreden; één en ander kan de verdediging niet worden tegengeworpen.”
6.4
Het hof heeft ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn het volgende overwogen:
“Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in hoger beroep met bijna twee jaar en vier maanden is overschreden. Het hof zal, gelet op deze termijnoverschrijding, de op te leggen straf bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden met aftrek van het voorarrest.”
6.5
In de toelichting betogen de stellers van het middel dat de verdachte ten tijde van de berechting in hoger beroep in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeerde zodat de berechting in hoger beroep binnen zestien maanden had moeten plaatsvinden.
6.6
Uit de stukken van het geding kan het volgende worden afgeleid:
(i) Namens de verdachte is op 30 november 2017 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle.(ii) De verdachte bevond zich ten tijde van het instellen van hoger beroep in voorlopige hechtenis.(iii) De zaak is op 16 mei 2018 voor het eerst behandeld door het hof.(iv) Bij beschikking van 10 januari 2020 heeft het hof het aan het hof gedane verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis toegewezen en is de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte bevolen met ingang van 13 januari 2020.(v) Het hof heeft op 24 maart 2022 einduitspraak gedaan.
6.7
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte zich op het moment van instellen van hoger beroep in voorlopige hechtenis bevond in verband met de zaak en dat op 13 januari 2020, tijdens de behandeling van zijn zaak in hoger beroep en ruim vijfentwintig maanden na het instellen van hoger beroep, de voorlopige hechtenis is geschorst.
6.8
Vooropgesteld moet worden dat bij de berechting van de zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden indien de behandeling van de zaak ter terechtzitting niet binnen twee jaar na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak. Indien de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, behoort het geding in de regel met een einduitspraak te zijn afgerond binnen zestien maanden na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel.4.Dit is mijns inziens niet anders indien de verdachte na het instellen van het hoger beroep, maar op enig moment voor de einduitspraak, in vrijheid is gesteld omdat de voorlopige hechtenis door het hof is geschorst. Ik meen dat ook in die situatie de zestienmaandentermijn van toepassing is.5.
6.9
Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden met bijna twee jaren en vier maanden. Het hof heeft daarbij kennelijk tot uitgangspunt genomen dat de verdachte niet in voorlopige hechtenis verkeerde, zodat de behandeling van de zaak in hoger beroep behoorde te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel was ingesteld. In aanmerking genomen dat uit de hiervoor onder 6.6 weergegeven gegevens blijkt dat de verdachte tussen het instellen van het hoger beroep en de uitspraak van het hof gedurende meer dan twee jaar in voorlopige hechtenis verkeerde, is dat uitgangspunt niet begrijpelijk. Het middel klaagt daarover terecht.
6.10
Naar aanleiding van het middel kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen. Gelet op de zestienmaandentermijn bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn in de appelfase bijna drie jaar en niet zoals het hof heeft aangenomen, bijna twee jaar en vier maanden. Het rechtsgevolg dat het hof heeft verbonden aan de door hem vastgestelde schending van de redelijke termijn, bestaat daarin dat de anders op te leggen gevangenisstraf van zes jaren is verlaagd met zes maanden. De vraag rijst of het hof bij een juiste aanname van de overschrijding zou zijn gekomen tot een grotere matiging van de straf. Een strafkorting van zes maanden komt overeen met de maximale korting die de Hoge Raad normaliter pleegt te hanteren bij overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase en daarvan wordt slechts in zeer uitzonderlijke gevallen afgeweken. De feitenrechter is echter niet gebonden aan de door de Hoge Raad gehanteerde uitgangspunten voor strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.6.Het is denkbaar dat het hof, indien hij het juiste uitgangspunt zou hebben gehanteerd, tot een grotere matiging van de straf zou zijn gekomen.7.Gelet hierop meen ik dat de overschrijding van de redelijke termijn in de appelfase met bijna drie jaar derhalve dient te leiden tot vermindering van de opgelegde straf in de mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
7. Het eerste en tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde straf betreft, tot zodanige beslissing als de Hoge Raad op grond van art. 440 Sv gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑12‑2023
V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering: Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. Amsterdam (VU)), Nijmegen: WLP 2013, p. 686.
Zie p. 8 en 9 van het bestreden arrest.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.14-3.16.
Vgl. HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:934.
Vgl. o.m. HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4837, HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6254, en HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1967.
Vgl. HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2858, rov. 2.3-2.4.
Beroepschrift 27‑09‑2022
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 22/01278
Betekening aanzegging: 9 augustus 2022
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande, verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20220110
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden d.d. 24 maart 2022, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 27 Kaderbesluit van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (PbEG 2002, L 190/1), zoals gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PbEU 2009, L 81/24), (hierna: het Kaderbesluit), 48 Overleveringswet, 315, 348, 349, 358, 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
Ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd dat (verkort zakelijk weergegeven) dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging ter zake van de onder 2b tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daartoe is aangevoerd dat de overlevering van verdachte volgens een Europees Arrestatiebevel (hierna te noemen: liet EAB) is verzocht wegens poging doodslag, dan wel poging tot diefstal met geweld en dat de Britse justitiële autoriteiten de overlevering dus ook alleen voor deze feiten toelaatbaar hebben verklaard. De vervolging van verdachte in Nederland voor wederrechtelijke vrijheidsberoving is in strijd met het in de artikelen 27 en 28 van het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van 13 juni 2002 (2002/584/JBZ; hierna te noemen: het Kaderbesluit) liggende specialiteitsbeginsel.
Het verweer is door het hof verworpen. Het hof heeft daartoe overwogen/geoordeeld dat uit het EAB blijkt dat de Nederlandse autoriteiten aan het Verenigd Koninkrijk om overlevering hebben gevraagd voor de vervolging van verdachte voor betrokkenheid bij een in de nacht van 9 op 10 juli 2003 gepleegde woningoverval. Het EAB vermeldt dat de feiten strafbaar zijn gesteld in de artikelen 45, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De overlevering is dus niet expliciet ook verzocht voor vervolging van verdachte voor wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Sr). De feitelijke gedragingen die aan het EAB ten grondslag zijn gelegd houden volgens het hof echter ook de wederrechtelijke vrijheidsberoving in: in de omschrijving van de strafbare feiten is immers opgenomen dat het 79-jarige slachtoffer op zijn bed werd vastgebonden, zoals onder 2b is ten laste gelegd. Wederrechtelijke vrijheidsberoving is opgenomen in lijst I van strafbare feiten die tot overlevering kunnen leiden zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Kaderbesluit en artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van de Overleveringswet. Het oordeel van de Britse rechter zal dus niet anders hebben geluid als de overlevering van verdachte ook op verdenking van wederrechtelijke vrijheidsberoving was gevraagd. Gelet hierop, is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging ter zake van de onder 2b tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving zodat het hof het verweer verwerpt.
Het oordeel van het hof de feitelijke gedragingen die aan het EAB ten grondslag zijn gelegd ook de wederrechtelijke vrijheidsberoving inhouden nu daarin (slechts) is opgenomen dat het 79-jarige slachtoffer op zijn bed werd vastgebonden, zoals onder 2b is ten laste gelegd en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging terzake van feit 2 (wederrechtelijke vrijheidsberoving) is evenwel onjuist althans onbegrijpelijk. Het kennelijk ‘inlezen’ van allerlei niet genoemde elementen komt neer op wijziging in de feitelijke omschrijving van het tenlastegelegde feit die een wijziging in de wettelijke kwalificatie tot gevolg heeft hetgeen niet is toegestaan.
Het hof heeft dan ook ten onrechte het verweer verworpen, althans is de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen omkleed zodat het arrest niet in stand kan blijven.
Toelichting
1.1
Aan de verdachte is in hoger beroep tenlastegelegd dat:
- ‘1.
in of omstreeks de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] een of meermalen met (een) mes(sen), althans met (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) in het hoofd en/of lichaam heeft/hebben gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
- 2b.
hij in of omstreeks de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers is/zijn en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s): — de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk binnengedrongen en/of
- —
(vervolgens) de beide polsen, althans armen, en/of de beide enkels, althans benen, van die (slapende) [slachtoffer] met tape, althans bindmiddel, vastgebonden en/of vastgetapet en/of
- —
(vervolgens) die vastgebonden en/of vastgetapete polsen, althans armen, en/of enkels, althans benen, met tap, althans bindmiddel op en/of aan het bed, althans de bedspijlen vastgebonden en/of vastgetapet.’
1.2
Namens de verdachte heeft zijn raadsman, mr. J. de Vries, advocaat te Amsterdam, ter terechtzitting van 10 februari 2022 het volgende aangevoerd:
‘In eerste aanleg heeft de verdediging de niet-ontvankelijkheid van het OM bepleit ten aanzien van de onder feit 2 cumulatief/alternatief tenlastegelegde wederrechtelijk vrijheidsberoving. Dit in verband met strijdigheid met het specialiteitsbeginsel (naar aanleiding van het uitgevaardigde EAB en de latere overlevering vanuit het VK). De verdediging in hoger beroep sluit zich bij dit verweer aan en verzoekt uw Hof hetgeen mr. Slewe hierover in zijn pleitnota heeft opgenomen onder 1 (hier) als herhaald en ingelast te beschouwen.’
1.3
In het arrest heeft het hof onder meer overwogen/geoordeeld:
‘Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman van verdachte heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging ter zake van de onder 2b tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de overlevering van verdachte volgens een Europees Arrestatiebevel (hierna te noemen: liet EAB) is verzocht wegens poging doodslag, dan wel poging tot diefstal met geweld en dat de Britse justitiële autoriteiten de overlevering dus ook alleen voor deze feiten toelaatbaar hebben verklaard. De vervolging van verdachte in Nederland voor wederrechtelijke vrijheidsberoving is volgens de raadsman in strijd met het in de artikelen 27 en 28 van het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van 13 juni 2002 (2002/584/JBZ; hierna te noemen: het Kaderbesluit) liggende specialiteitsbeginsel.
De advocaat-generaal heeft zich onder verwijzing naar het oordeel van de rechtbank, op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ook ontvankelijk is in de vervolging ter zake van de onder 2b tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Uit het EAB blijkt dat de Nederlandse autoriteiten aan het Verenigd Koninkrijk om overlevering hebben gevraagd voor de vervolging van verdachte voor betrokkenheid bij een in de nacht van 9 op 10 juli 2003 gepleegde woningoverval. Het EAB vermeldt dat de feiten strafbaar zijn gesteld in de artikelen 45, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De overlevering is dus niet expliciet ook verzocht voor vervolging van verdachte voor wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Sr). De feitelijke gedragingen die aan het EAB ten grondslag zijn gelegd houden echter ook de wederrechtelijke vrijheidsberoving in: in de omschrijving van de strafbare feiten is immers opgenomen dat het 79-jarige slachtoffer op zijn bed werd vastgebonden, zoals onder 2b is ten laste gelegd. Wederrechtelijke vrijheidsberoving is opgenomen in lijst I van strafbare feiten die tot overlevering kunnen leiden zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Kaderbesluit en artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van de Overleveringswet. Het oordeel van de Britse rechter zal dus niet anders hebben geluid als de overlevering van verdachte ook op verdenking van wederrechtelijke vrijheidsberoving was gevraagd. Gelet hierop, is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging ter zake van de onder 2b tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het verweer wordt verworpen.’
1.4
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
- ‘1.
in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, hij, verdachte, en zijn mededader met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes in het hoofd en lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
- 2b.
hij in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers zijn en heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader:
- —
de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk binnengedrongen en
- —
vervolgens de beide polsen en de beide enkels, van die (slapende) [slachtoffer] met tape, vastgebonden en
- —
vervolgens die enkels met tape, aan de bedspijl vastgebonden.’
1.5
Als bewijsmiddel heeft het hof onder meer gebruikt:
‘Een schriftelijk stuk, te weten het rechtshulpverzoek van 28 april 2015 (pagina's 3179 tot en met 3181), in houdende — zakelijk weergegeven — als verzoek van de Officier van Justitie:
Op 10 juli 2003 te [gemeente] werd een 79-jarige man, in de nacht, in zijn woning aan zijn bed vastgebonden. Hij werd door twee mannen geslagen en tevens door één van hen met een mes gestoken. Verdachte [medeverdachte] verklaarde bij zijn voorgeleiding aan de rechter-commissaris: Het kan goed zijn dat ik de jongens die het gedaan hebben heb weggebracht naar die woning. Er was een Irakesejongen bij maar ik herinner mij zijn naam niet.
In hierop volgende verhoren bij de politie gaf verdachte [medeverdachte] aanvullende informatie over de Irakese jongen, waarna uit politieonderzoek bleek dat deze Irakese jongen vermoedelijk is:
Achternaam: [verdachte]
Voornaam: [verdachte]
()’
1.6
Het specialiteitsbeginsel in het kader van het Europese Aanhoudingsbevel (EAB) houdt in dat een overgeleverde persoon niet kan worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander voor de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest (art. 27 lid 2 van het Kaderbesluit). Dit beginsel houdt verband met de soevereiniteit van de uitvoerende lidstaat en verleent de gezochte persoon het recht om slechts te worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd voor het strafbare feit dat de reden tot de overlevering is geweest.1. De lidstaten kunnen overeenkomstig artikel 27, lid 1, van het Kaderbesluit afzien van de toepassing van het specialiteitsbeginsel. Op dit beginsel zijn overigens diverse uitzonderingen, die in artikel 27, lid 3, zijn vermeld. In een Europees aanhoudingsbevel moeten expliciet de strafbare feiten worden opgenomen waarvoor de persoon wordt overgeleverd en vervolgd (artikel 8, lid 1, Kaderbesluit EAB). In dit kader verbiedt het specialiteitsbeginsel dat een overgeleverde persoon wordt vervolgd voor strafbare feiten die niet in het EAB zijn opgenomen (artikel 27, lid 2, Kaderbesluit EAB). De bescherming van het specialiteitsbeginsel wordt opgeheven wanneer de lidstaat, die uitvoering heeft gegeven aan een EAB, instemt met de vervolging van andere strafbare feiten dan die in het EAB zijn opgenomen (artikel 27, lid 3, onder g, Kaderbesluit EAB).
1.7
Ter beoordeling van de draagwijdte van artikel 27, lid 2, van het Kaderbesluit moet rekening worden gehouden met het doel van het Kaderbesluit. In dit verband benadrukt de vijfde overweging van de considerans van het Kaderbesluit dat de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden, meebrengt dat uitlevering tussen de lidstaten moet worden afgeschaft en vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten. Diezelfde overweging voegt daaraan toe dat de klassieke samenwerking tussen de lidstaten moet worden vervangen door een vrij verkeer van beslissingen in strafzaken, zowel in de onderzoeks- als in de berechtingsfase. Bij de beslissing ten aanzien van de overlevering van de gezochte persoon met het oog op vervolging wegens een strafbaar feit dat in de nationale wet van de uitvaardigende lidstaat is gedefinieerd, onderzoekt de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat, op basis van de bepalingen van artikel 2 van het Kaderbesluit, de in het EAB gegeven omschrijving van het strafbare feit. Deze omschrijving moet volgens het in bijlage bij het Kaderbesluit gevoegde model de in artikel 8 van dit besluit vermelde gegevens bevatten, met name de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit; een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit, alsmede de voor het strafbare feit geldende strafmaat.
1.8
Het Hof van Justitie heeft ten aanzien van de vraag wat verstaan moet worden onder ‘enig ander feit’ als bedoeld in artikel 27 lid 2 KEAB geoordeeld dat moet worden nagegaan of de bestanddelen van het strafbare feit, volgens de wettelijke omschrijving die in de uitvaardigende lidstaat daarvan is gegeven, die zijn waarvoor de persoon is overgeleverd en of er voldoende overeenstemming is tussen de gegevens in het aanhoudingsbevel en de gegevens in de latere procedurele handeling. Wijzigingen in de omstandigheden tijd en plaats zijn toegestaan, mits zij volgen uit de elementen die zijn verzameld tijdens de procedure die in de uitvaardigende lidstaat is gevolgd met betrekking tot de in het aanhoudingsbevel omschreven gedragingen, zij de aard van het strafbare feit niet wijzigen en zij niet leiden tot gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van de artikelen 3 en 4 van het Kaderbesluit’.2. Een wijziging in de feitelijke omschrijving van het tenlastegelegde feit die een wijziging in de wettelijke kwalificatie tot gevolg heeft niet is toegestaan.3.
1.9
Op grond van artikel 48 Overleveringswet in verbinding met artikel 27, tweede lid, Kaderbesluit kan een aan Nederland overgeleverd persoon niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens een of meer andere vóór de overlevering begane feiten dan de feiten die de reden tot de overlevering zijn geweest, tenzij een van de in artikel 27, eerste en derde lid, Kaderbesluit bedoelde gevallen zich voordoet. Voor de vervolging voor en berechting van deze andere feiten kan toestemming worden gevraagd aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de gezochte persoon heeft overgeleverd. Als de uitvoerende rechterlijke autoriteit overeenkomstig artikel 27, vierde lid, Kaderbesluit die toestemming verleent, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging voor deze andere feiten. Uit art. 27.3.c Kaderbesluit en de hierboven (in 1.9 aangehaalde) uitspraak van het Hof van Justitie volgt volgens de Hoge Raad verder dat overgeleverde persoon niet als gevolg van een veroordeling voor andere vóór overlevering begane feiten dan feiten die reden tot overlevering zijn geweest, vrijheidsbeperkende of vrijheidsbenemende straf of maatregel mag ondergaan. Het Unierecht verzet zich er daarbij niet tegen dat overgeleverde persoon voor die andere vóór overlevering begane feiten in uitvaardigende lidstaat wordt veroordeeld tot vrijheidsbeperkende of vrijheidsbenemende straf of maatregel, mits die opgelegde straf of maatregel dan eerst wordt tenuitvoergelegd nadat uitvoerende rechterlijke autoriteit toestemming als bedoeld in art. 27.4 Kaderbesluit heeft verleend. De rechter zal dan ook het onderzoek ter terechtzitting voor bepaalde of onbepaalde tijd kunnen aanhouden om het Openbaar Ministerie de gelegenheid te bieden verzoek tot toestemming bij uitvoerende rechterlijke autoriteit te doen indienen.4.
1.10
Om vast te stellen of sprake is van een ‘ander feit’ moet de rechter vaststellen voor welk feit de uitvoerende justitiële autoriteit de overlevering heeft toegestaan. Daarbij mag de rechter volgens de Hoge Raad het onderliggende EAB betrekken.5.
1.11
Eerder is bijvoorbeeld wel eens vastgesteld dat het specialiteitsbeginsel was geschonden in een zaak waarin een verdachte was overgeleverd onder de verdenking van een verkrachting, hetgeen als enige lijstfeit was aangekruist, en aan wie vervolgens nadien ook nog poging tot doodslag ten laste gelegd.6. Dit was ook het geval in de zaak waarin overlevering werd verzocht voor wederrechtelijke vrijheidsberoving en vervolgd werd voor verkrachting en mishandeling.7. Ook in de zaak waarin overlevering was verzocht voor mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de dood van een slachtoffer, waarbij als strafbare feiten waren opgegeven het verkopen van schadelijke waren met de dood ten gevolge (artikel 174 Sr), doodslag (artikel 287 Sr) en het verlaten van een hulpbehoevende met de dood ten gevolge (artikel 255 en 257 Sr) en waarin in de lijst met strafbare feiten, zoals opgenomen in het aanhoudingsbevel, als lijstfeit ‘moord en doodslag, zware mishandeling’ was aangekruist en de verdachte vervolgens ook werd vervolgd ter zake van het verkopen van schadelijke waren met de dood ten gevolge jegens anderen dan het slachtoffer (artikel 174 Sr) en meermalen overtreding van artikel 96 van de Wet BIG was volgens het hof sprake van schending van het specialiteitsbeginsel.8. In gepubliceerde feitenrechtspraak heeft A-G A.E. Hartveld 12 voorbeelden aangetroffen van uitspraken waarin de Officier van Justitie niet ontvankelijk is verklaard waarin geen aanvullende toestemming is verkregen voor feiten die niet aan een EAB ten grondslag zijn gelegd.9.
1.12
Het hof heeft i.c. vastgesteld dat uit het EAB blijkt dat de Nederlandse autoriteiten aan het Verenigd Koninkrijk om overlevering hebben gevraagd voor de vervolging van verdachte voor betrokkenheid bij een in de nacht van 9 op 10 juli 2003 gepleegde woningoverval. Het EAB noemt als feiten de artikelen 45, 287 en 312 Sr en (dus niet ook) art. 282 Sr (wederrechtelijke vrijheidsberoving). Het oordeel van het hof de feitelijke gedragingen die aan het EAB ten grondslag zijn gelegd ook de wederrechtelijke vrijheidsberoving inhouden nu daarin (slechts) is opgenomen dat het 79-jarige slachtoffer op zijn bed werd vastgebonden, zoals onder 2b is ten laste gelegd en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging terzake van feit 2 (wederrechtelijke vrijheidsberoving) is evenwel onjuist althans onbegrijpelijk. Het kennelijk ‘inlezen’ van allerlei niet genoemde elementen komt neer op wijziging in de feitelijke omschrijving van het tenlastegelegde feit die een wijziging in de wettelijke kwalificatie tot gevolg heeft hetgeen niet is toegestaan.
1.13
Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat het niet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie in het geval de aanvullende toestemming niet tijdig — dus: voor de einduitspraak — beschikbaar komt betekent dat de officier van justitie nadien, wanneer deze toestemming wel verkregen is, opnieuw vervolgen voor de ‘andere feiten’ ter zake waarvan de niet-ontvankelijkheid is uitgesproken.10. Ten overvloede wordt opgemerkt dat niet kan worden gesteld dat verdachte geen belang heeft bij zijn klacht nu na het onherroepelijk worden van het arrest verdachte nog in de gelegenheid zal worden gesteld om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de verdere tenuitvoerlegging, teneinde er voor zorg te dragen dat alsnog aanvullende toestemming wordt verzocht èn verkregen. Die gelegenheid bestaat de facto niet. De Staat zal immers er van uitgaan dat het hof heeft vastgesteld dat aanvullende toestemming niet behoeft te worden verzocht omdat het hof —ten onrechte— heeft vastgesteld dat het specialiteitsbeginsel niet is geschonden. Het hof zal dan ook -na vernietiging van het arrest- alsnog het onderzoek ter terechtzitting voor bepaalde of onbepaalde tijd dienen aan te houden teneinde het Openbaar Ministerie de gelegenheid te bieden een verzoek tot toestemming bij uitvoerende rechterlijke autoriteit te doen indienen.
Middel II
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, hij, verdachte, en zijn mededader met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes in het hoofd en lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voorts heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte hij in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers zijn en heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader:
- —
de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk binnengedrongen en
- —
vervolgens de beide polsen en de beide enkels, van die (slapende) [slachtoffer] met tape, vastgebonden en
- —
vervolgens die enkels met tape, aan de bedspijl vastgebonden.
Ten behoeve van de bewezenverklaring heeft het hof onder meer als bewijsmiddel gebruikt een schriftelijk stuk, te weten het rechtshulpverzoek van 28 april 2015 (pagina's 3179 tot en met 3181), inhoudende — zakelijk weergegeven — als verzoek van de Officier van Justitie:
‘Op 10 juli 2003 te [gemeente] werd een 79-jarige man, in de nacht, in zijn woning aan zijn bed vastgebonden. Hij werd door twee mannen geslagen en tevens door één van hen met een mes gestoken. Verdachte [medeverdachte] verklaarde bij zijn voorgeleiding aan de rechter-commissaris: Het kan goed zijn dat ik de jongens die het gedaan hebben heb weggebracht naar die woning. Er was een Irakesejongen bij maar ik herinner mij zijn naam niet.
In hierop volgende verhoren bij de politie gaf verdachte [medeverdachte] aanvullende informatie over de Irakese jongen, waarna uit politieonderzoek bleek dat deze Irakese jongen vermoedelijk is:
Achternaam: [verdachte]
Voornaam: [verdachte].’
Het wettelijk bewijsstelsel verzet zich ertegen indien een door een officier van justitie gedane mededeling meer bevat dan hetgeen het lid van het OM zelf heeft waargenomen en ondervonden, zoals i.c. het geval is nu daarin wordt aangegeven dat ‘uit politieonderzoek bleek dat deze Irakese jongen vermoedelijk is: [verdachte],’ nu uit de overige bewijsmiddelen niet althans niet zonder meer kan volgen wat dat politieonderzoek heeft ingehouden en niet kan worden verwacht dat in cassatie het gehele politiedossier wordt nageplozen om te bezien in hoeverre de door het lid getrokken conclusie juist is. Gelet hierop is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
2.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
- ‘1.
in of omstreeks de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te. beroven, hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] een of’ meermalen met (een) mes(sen), althans met (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) in het hoofd en/of lichaam heeft/hebben gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
- 2b.
hij in of omstreeks de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers is/zijn en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):
- —
de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk binnengedrongen en/of
- —
(vervolgens) de beide polsen, althans armen, en/of de beide enkels, althans benen, van dié (slapende) [slachtoffer] met tape, althans bindmiddel, vastgebonden en/of vastgetapet en/of
- —
(vervolgens) die vastgebonden en/of vastgetapete polsen, althans armen, en/of enkels, althans benen, met tap, althans bindmiddel op en/of aan het bed, althans de bedspijlen vastgebonden en/of vastgetapet.’
2.2
Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat door en namens verdachte is aangevoerd dat verdachte van beide feiten moet worden vrijgesproken.
2.3
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat verdachte:
- ‘1.
in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, hij, verdachte, en zijn mededader met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes in het hoofd en lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
- 2b.
hij in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers zijn en heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader:
- —
de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk binnengedrongen en
- —
vervolgens de beide polsen en de beide enkels, van die (slapende) [slachtoffer] met tape, vastgebonden en
- —
vervolgens die enkels met tape, aan de bedspijl vastgebonden.’
2.4
Ten behoeve van de bewezenverklaring heeft het hof onder meer als bewijsmiddel gebruikt:
‘Een schriftelijk stuk, te weten het rechtshulpverzoek van 28 april 2015 (pagina's 3179 tot en met 3181), inhoudende — zakelijk weergegeven — als verzoek van de Officier van Justitie:
Op 10 juli 2003 te [gemeente] werd een 79-jarige man, in de nacht, in zijn woning aan zijn bed vastgebonden. Hij werd door twee mannen geslagen en tevens door één van hen met een mes gestoken. Verdachte [medeverdachte] verklaarde bij zijn voorgeleiding aan de rechter-commissaris: Het kan goed zijn dat ik de jongens die het gedaan hebben heb weggebracht naar die woning. Er was een Irakesejongen bij maar ik herinner mij zijn naam niet.
In hierop volgende verhoren bij de politie gaf verdachte [medeverdachte] aanvullende informatie over de Irakese jongen, waarna uit politieonderzoek bleek dat deze Irakese jongen vermoedelijk is:
Achternaam: [verdachte]
Voornaam: [verdachte]
2.5
Vooropgesteld moet worden dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen hetwelk hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Maar die keuzevrijheid is niet onbeperkt. Uitlatingen van bepaalde personen mogen niet voor het bewijs worden gebezigd vanwege de functie die deze personen bijvoorbeeld in relatie tot verdachte bekleden. Duidelijk is dat wat een advocaat ter terechtzitting verklaart niet voor het bewijs mag worden gebezigd, omdat die mogelijkheid de advocaat zou kunnen weerhouden van een beroep op bepaalde gegevens, die wel in het belang van de verdediging zouden kunnen zijn maar ook tegen verdachte gebruikt zouden kunnen worden.11. Ook uitlatingen van verdachte die in een voorlichtingsrapport zijn opgenomen mogen niet voor het bewijs worden gebruikt gelet op de achtergrond van de hulpverleningsrelatie waarin de reclasseringsambtenaar tot de verdachte staat.12. Leden van het OM staan niet in zo een speciale (hulpverlenings)relatie tot de verdachte. Integendeel, zij zijn opsporingsambtenaren die proces-verbaal kunnen opmaken over hetgeen zij aan wetenschap hebben vergaard en over wat zij hebben ondervonden.13. Eerder heeft AG Knigge aangegeven dat naar zijn mening het bezigen van een mening of interpretatie van bepaalde ten laste gelegde feiten door de Officier van Justitie in strijd komt met het wettelijk bewijssysteem, dan wel de beginselen van een behoorlijke procesorde, nu een dergelijke mening/interpretatie in feite zich uitstrekt over datgene wat de rechter zal hebben te onderzoeken.14. Volgens Machielse kunnen mededelingen van feitelijke aard van een lid van het OM voor het bewijs worden aangewend indien dat lid daarin melding heeft gedaan van wat hij heeft waargenomen en ondervonden15.
2.6
Het wettelijk bewijsstelsel verzet zich er volgens verdachte tegen indien de mededeling meer bevat dan hetgeen het lid van het OM zelf heeft waargenomen en ondervonden, zoals i.c. het geval is nu daarin wordt aangegeven dat ‘uit politieonderzoek bleek dat deze Irakese jongen vermoedelijk is: [verdachte],’ nu uit de overige bewijsmiddelen niet althans niet zonder meer kan volgen wat dat politieonderzoek heeft ingehouden en niet kan worden verwacht dat in cassatie het gehele politiedossier wordt nageplozen om te bezien in hoeverre de door het lid getrokken conclusie juist is. Gelet hierop is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Middel III
In eerste aanleg is verdachte in het vonnis van de rechtbank Overijssel d.d. 28 november 2017 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld op 30 november 2017. Ten tijde van het instellen van het hoger beroep verbleef verdachte in voorlopige hechtenis. Zoals onder meer uit het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 14 november 2018 en het tussenarrest van 28 november 2018 blijkt verbleef verdachte nadien nog steeds in voorlopige hechtenis. Uit het onder de stukken bevindende ‘Uittreksel Justitiële Documentatie’ volgt dat de preventieve hechtenis pas op 13 januari 2020 is beëindigd.
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging aangevoerd dat de berechting niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn hetgeen tot strafverlaging dient te leiden.
In het arrest heeft het hof vastgesteld dat de redelijke termijn in hoger beroep met bijna twee jaar en vier maanden is overschreden zodat het hof, gelet op deze termijnoverschrijding, de op te leggen straf zal bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden met aftrek van het voorarrest.
Nu verdachte ten tijde van de berechting in hoger beroep in verband met de betreffende zaak geruime tijd in voorlopige hechtenis verkeerde, getuigt het kennelijke oordeel van het hof, dat de op de redelijkheid te beoordelen termijn in hoger beroep 2 jaar bedraagt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onbegrijpelijk. Gelet hierop is het arrest en/of de verwerping van het verweer/strafoplegging onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting:
3.1
In eerste aanleg is verdachte in het vonnis van de rechtbank Overijssel d.d. 28 november 2017 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld op 30 november 2017. Ten tijde van het instellen van het hoger beroep verbleef verdachte in voorlopige hechtenis. Zoals onder meer uit het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 14 november 2018 en het tussenarrest van 28 november 2018 blijkt verbleef verdachte nadien nog steeds in voorlopige hechtenis. Uit het onder de stukken bevindende 'Uittreksel Justitiële Documentatie volgt dat de preventieve hechtenis pas op 13 januari 2020 is beëindigd.
3.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 februari 2022 is onder meer gerelateerd:
‘De voorzitter bespreekt de persoonlijke omstandigheden met verdachte, waarbij het uittreksel Justitiële Documentatie van 4 januari 2022 en de (verouderde) rapportages worden voorgehouden en de duur van de voorlopige hechtenis en de overleveringsdetentie wordt besproken.
()’
3.3
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 februari 2022 is voorts vermeld dat mr. J. de Vries, advocaat te Amsterdam, ter terechtzitting het woord tot de verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. In de betreffende pleitnota is onder meer aangevoerd:
‘Subsidiair; indien uw Hof wel tot een bewezenverklaring zou komen
- •
Redelijke termijn; in forse mate overschreden; één en ander kan de verdediging niet worden tegengeworpen.
()’
3.4
In het arrest d.d. 24 maart 2022 heeft het hof onder meer overwogen/geoordeeld:
‘Het hof heeft rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het LOVS, waarbij het voor deze feiten aansluiting heeft gezocht bij het oriëntatiepunt voor een woningoverval. Daarin wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijfjaar genoemd ingeval van ander dan licht geweld en worden onder meer kwetsbare slachtoffers en de aard en ernst van het letsel als strafvermeerderende factoren aangeduid. Het hof heeft verder acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 4 januari 2022, waaruit blijkt dat verdachte noch vóór de pleegdatum noch in de bijna negentien jaar die sindsdien zijn verstreken voor soortgelijke feiten is veroordeeld, alsmede dat zijn, laatste veroordeling (in het Verenigd Koninkrijk) bijna-zeven jaar oud is. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van het voorarrest in beginsel passend en geboden is.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in hoger beroep met bijna twee jaar en vier maanden is overschreden. Het hof zal, gelet op deze termijnoverschrijding, de op te leggen straf bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van vijfjaren en zes maanden met aftrek van het voorarrest.’
3.5
Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.16.
3.6
Behoudens bijzondere omstandigheden behoort in hoger beroep het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Indien de verdachte in verband met en bij de berechting van de zaak in hoger beroep in voorlopige hechtenis verkeert, is in de regel sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM indien de behandeling van de zaak ter terechtzitting niet binnen zestien maanden nadat het rechtsmiddel is ingesteld is afgerond met een einduitspraak.17.
3.7
Nu verdachte ten tijde van de berechting in hoger beroep geruime tijd in verband met de betreffende zaak in voorlopige hechtenis verkeerde, getuigt het kennelijke oordeel van het hof, dat de op de redelijkheid te beoordelen termijn in hoger beroep 2 jaar bedraagt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onbegrijpelijk. Gelet hierop is het arrest en/of de verwerping van het verweer/strafoplegging onvoldoende met redenen omkleed.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 27 september 2022
Advocaten
R.J. Baumgardt
S. van den Akker
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 27‑09‑2022
HvJ EU 1 december 2008, C-388/08 PPU, ECLI:EU:C:2008:669 (Leymann en Pustovarov).
HvJ EG 1 december 2008, zaak C-388/08 PPU, NJ 2009, 394, m.nt. A.H. Klip (Leymann en Pustovarov), par. 57.
Zie CAG D.J.W.M. Paridaens 20 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:828 die hierbij verwijst naar V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering: Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. Amsterdam (VU)), Nijmegen: WLP 2013, p. 686.
Vgl. HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:982, r.o. 2.4. Zie voorts CAG D.J.W.M. Paridaens 20 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:828.
HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3994.
Rb. Amsterdam, ECLI:NL:RBAMS:2021:279.
Rb. 's Gravenhage 4 december 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG8860.
Zie HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:982.
4.14 CAG 10 mei 2022, ECLI:NL:PHR:2022:427.
HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:982.
HR 20 januari 1998, NJB 1998, 33, p. 412; HR 31 oktober 2006, NJ 2007, 79 m.nt. Keijzer; HR 28 november 2006, UN AZ0264; HR 15 december 2009, LJN BK2129; HR 28 september 2010, LJN BL6659.
HR 18 september 2007, NJ 2008, 192 m.nt. Buruma
CAG Machielse 18 december 2021, ECLI:NL:PHR:2012:BX9555.
Conclusie voor HR 30 mei 2006, NJ 2006/318, UN A W 0161.
Overweging 5.3. CAG Machielse 18 december 2021, ECLI:NL:PHR:2012:BX9555.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.7.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.14-3.16, en HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2858, NJ 2016/70; HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:834