Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/384
Bij verwerping verweer dat verdachte wordt vervolgd voor andere vóór de overlevering begane feiten dan de feiten die de reden tot de overlevering zijn geweest, moet worden acht geslagen op de beslissing van de uitvoerende rechterlijke autoriteit.
HR 26-03-2024, ECLI:NL:HR:2024:468
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26 maart 2024
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.E.M. Röttgering, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
22/01278
- Conclusie
A-G mr. A.E. Harteveld
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Internationaal strafrecht / Uitlevering en overlevering
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:468, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑03‑2024
ECLI:NL:PHR:2023:1184, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑12‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑09‑2022
- Wetingang
Essentie
Het hof had bij de verwerping van het verweer dat verdachte wordt vervolgd voor andere vóór de overlevering begane feiten dan de feiten die de reden tot de overlevering zijn geweest, acht moeten slaan op de beslissing van de uitvoerende rechterlijke autoriteit, welke zich niet bij de stukken bevindt.
Samenvatting
Op grond van art. 48 Overleveringswet in samenhang met art. 27 lid 2 Kaderbesluit 2002/584/JBZ kan een aan Nederland overgeleverd persoon niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens een of meer andere vóór de overlevering begane feiten dan de feiten ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.