Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/1.1.5.2:1.1.5.2 Opzet en plan van behandeling van de deelvragen
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/1.1.5.2
1.1.5.2 Opzet en plan van behandeling van de deelvragen
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS576410:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraagstelling wil ik beantwoorden door per hoofdstuk een of meerdere deelvragen te beantwoorden.
Alvorens onderzoek te kunnen doen naar de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht, is het noodzakelijk om de doelstellingen en de inhoud van het mededingingsrecht te bespreken. In hoofdstuk 2 behandel ik in het eerste deel (§ 2.2) de vraag wat de doelstellingen van het mededingingsrecht zijn. Deze bespreking pretendeert niet meer te zijn dan een beknopte weergave van de belangrijkste doelstellingen van het mededingingsrecht. Vervolgens komt in het tweede deel (§ 2.3) de vraag aan de orde wat de inhoud is van de Europese en Nederlandse mededingingsregels die voor de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht relevant zijn. In dit deel behandel ik ook de civielrechtelijke nietigheidssanctie (de defensieve privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht) bij het kartelverbod en het verbod om misbruik te maken van een economische machtspositie.
Hoofdstuk 3 behandelt, om de (aanvullende) rol van de privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht helder voor ogen te hebben, in hoofdlijnen de vraag op welke wijze de publiekrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht functioneert. Naast de bestuursrechtelijke handhaving (§ 3.1 t/m§ 3.9) wordt ook enige aandacht geschonken aan de mogelijke (her)invoering van de strafrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht (§ 3.10).
In hoofdstuk 4 worden de contouren van de diverse mogelijkheden en ontwikkelingen besproken met betrekking tot de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht.
In hoofdstuk 5 onderzoek ik de evolutie van de rol van de nationale rechter bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht. Daarbij besteed ik aandacht aan de vraag welke invloed de modernisering en decentralisering van de handhaving van het Europees mededingingsrecht heeft gehad op de rol van de burgerlijke rechter met betrekking tot de toepassing en handhaving van het mededingingsrecht.
In hoofdstuk 6 onderzoek ik de rol van de arbiter bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht. Daarbij besteed ik, evenals bij het onderzoek naar de evolutie van de rol van de burgerlijke rechter in hoofdstuk 5, tevens aandacht aan de vraag welke invloed de modernisering en decentralisering van de handhaving van het Europees mededingingsrecht heeft gehad op de rol van de arbiter met betrekking tot de toepassing en handhaving van het mededingingsrecht.
In de hoofdstukken 7, 8 en 9 staan drie hoofdvragen centraal. Hebben ondernemingen en consumenten die het slachtoffer zijn van een inbreuk op de mededingingsregels een recht op schadevergoeding? Zo ja, welke obstakels vinden ondernemingen en consumenten op hun weg bij het instellen van een actie tot verkrijging van schadevergoeding op grond van schending van het mededingingsrecht? Wat zijn mogelijke oplossingen om deze obstakels te verkleinen en een doeltreffender systeem van privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht te creëren?
In hoofdstuk 7 wordt de verkrijging van schadevergoeding op grond van schending van het mededingingsrecht onderzocht. In dit hoofdstuk komen een aantal deelvragen nader aan de orde. In de eerste plaats de vraag wat de doelstellingen zijn van schadevergoeding bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht (§ 7.2). In de tweede plaats de vraag of er, onafhankelijk van het nationaal recht, een zelfstandig op het gemeenschapsrecht gebaseerd recht op schadevergoeding bestaat (§ 7.4 en § 7.5). In de derde plaats de vraag aan welke eisen moet worden voldaan om naar Nederlands recht aansprakelijkheid op grond van schending van het Europees en Nederlands mededingingsrecht te vestigen (§ 7.6). In de vierde plaats de vraag naar welke criteria moet worden gekeken om de omvang van de aansprakelijkheid (§ 7.7) en de aard en omvang van de schadevergoeding vast te stellen (§ 7.7.3, zie ook § 7.8 — § 7.13). In de vijfde plaats de vraag welke obstakels er voor de gelaedeerde van een mededingingsinbreuk zijn bij de vestiging van de aansprakelijkheid op grond van schending van het mededingingsrecht en bij het vaststellen van de aard en omvang van de schadevergoeding (zie bijvoorbeeld § 7.9 over het passing-on verweer). In de zesde plaats de vraag of de positie van de gelaedeerde van een schending van het mededingingsrecht moet worden versterkt en zo ja, hoe die positie zou moeten worden versterkt (zie bijvoorbeeld eveneens § 7.9 over het passing-on verweer en § 7.10 over de mogelijkheid tot verkrijging van punitive damages).
In hoofdstuk 8 wordt gekeken welke rol collectieve acties bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht kunnen spelen. Centraal staat de vraag welke mogelijkheden er zijn om als collectiviteit het mededingingsrecht privaatrechtelijk te handhaven. In het bijzonder zal worden ingegaan op de vraag met welke problemen groepen benadeelden te maken krijgen indien zij hun schade vergoed willen krijgen die geleden is als gevolg van een schending van de mededingingsregels. In dit hoofdstuk wordt ook onderzocht welke wijzigingen noodzakelijk zijn om de mogelijkheden tot het instellen van collectieve acties tot verkrijging van schadevergoeding of ontneming van voordeel te verbeteren.
In hoofdstuk 9 wordt onderzocht welke bewijsproblemen zich bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht voordoen en welke mogelijke oplossingen daarbij kunnen worden gehanteerd.
Hoofdstuk 10 behandelt enkele aspecten van internationaal privaatrecht die bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht een rol kunnen spelen. Het gaat daarbij om vragen van rechterlijke bevoegdheid (§ 10.3), toepasselijk recht (§ 10.4) en erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke beslissingen (§ 10.5).
In de slotbeschouwing in hoofdstuk 11 wordt antwoord gegeven op de centrale vraagstelling en worden mogelijke oplossingen gegeven voor een effectievere privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht. Naar aanleiding van de deelconclusies van de verschillende hoofdstukken behandel ik in dit hoofdstuk tevens de vraag of er behoefte is aan een Europese richtlijn of verordening met afwijkende bepalingen van burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht.