Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.5
6.5 Het Europees Monetair Stelsel
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS457688:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijlage 1 van de conclusies van de Europese Raad van december 1978. Een overzicht van alle conclusies van de Europese Raad vanaf 1975 is te raadplegen via: https://www.consilium.europa.eu/nl/european-council/conclusions/. De term Europese Raad heeft overigens pas een juridische basis gekregen met de Europese Akte van 1986, zie artikel 2 van dat verdrag.
Szász 1999, p. 66.
Voor de Italiaanse lira werd een uitzondering gemaakt, hiervoor gold een maximum van zes procent. Deze wijdere bandbreedte gold ook voor Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Portugal, toen zij in respectievelijk juni 1989, oktober 1990 en april 1992 toetraden tot het ERM. Voor Italië gold vanaf januari 1990 de smallere bandbreedte van 2,25 procent. In 1992 stapten echter zowel Italië als het Verenigd Koninkrijk uit het ERM, na de valutacrisis van 1992, waarover meer in par. 6.8.7. De bandbreedte werd toen verruimd tot vijftien procent, hetgeen (ook in ERM II) ongewijzigd is gebleven. Zie over de bandbreedtes bij en deelname aan het ERM: Kenen 1995, p. 7; Baldwin & Wyplosz 2015, p. 336-341.
De Nederlandse afkorting luidt WKM (wisselkoersmechanisme).
Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk traden toe tot de EEG per 1 januari 1973.
Zie uitgebreider par. 7.4.
Conclusies van de Europese Raad van 29 en 30 maart 1985, p. 2. Mede op grond hiervan kwam de Europese Commissie in juni 1985 in het Witboek over de voltooiing van de interne markt met uitgewerkte plannen, COM (85) 310.
PbEG 1987, L 169/1. De Europese Akte werd gesloten door twaalf lidstaten. Per 1 januari 1981 trad Griekenland toe tot de EEG en ditzelfde gold voor Spanje en Portugal per 1 januari 1986.
Dit veranderde pas weer met de komst van het Europees Monetair Stelsel (hierna: EMS). In een poging de stabiliteit van het Bretton Woods-systeem te evenaren, ging de Europese Raad akkoord met het EMS in een resolutie van 5 december 1978, gebaseerd op een plan van de Duitse Bondskanselier Schmidt en de Franse president Giscard d’Estaing.1 Op 13 maart 1979 trad het EMS in werking.2 Het EMS koppelde, net als de ‘slang’, de valuta’s van de lidstaten aan elkaar. Nieuw was echter dat als referentiewaarde de zogeheten European Currency Unit (hierna: ECU) werd gebruikt, een geconstrueerde bundeling van de verschillende valuta’s van de lidstaten en daarmee een soort voorloper van de euro. Op basis hiervan werden onderlinge wisselkoersen vastgesteld, die in beginsel binnen een marge van maximaal 2,25 procent mochten fluctueren.3 Wisselkoersen konden slechts worden aangepast via een gemeenschappelijke beslissing van de lidstaten en de Europese Commissie. Dit wisselkoersmechanisme vormde het belangrijkste onderdeel van het EMS en wordt aangeduid als het Exchange Rate Mechanism (hierna: ERM).4 Het EMS omvatte voorts een interventiemechanisme en kredietfaciliteiten via het zogeheten Europees Fonds voor Monetaire Samenwerking. Alle, inmiddels negen, lidstaten namen deel aan het EMS, maar het Verenigd Koninkrijk stelde participatie aan het ERM uit tot oktober 1990.5 Het ERM kwam aan het begin van de derde fase van de EMU op 1 januari 1999 te vervallen en werd vervangen door ERM II.6
Het doel van het EMS was het bereiken van monetaire stabiliteit, hetgeen ten goede zou komen aan handel, investeringen en economische groei. Hoewel het stelsel moeilijke jaren kende, bleek dit doel in redelijke mate haalbaar. Tegelijk met wisselkoersstabiliteit kwam ook de interne markt weer om de hoek kijken. Doordat via het EMS de wisselkoersonzekerheid verminderde, wat leidde tot een verlaging van transactiekosten bij de uitvoering van overeenkomsten, zouden meer vruchten kunnen worden geplukt van een gemeenschappelijke markt dan voor het EMS. Een interne markt was weliswaar al in het EEG-verdrag een doelstelling, maar deze ambitie was al die tijd nog niet geheel bereikt. In maart 1985 kwam de Europese Raad daarom overeen dat de gemeenschappelijke markt in 1992 voltooid diende te zijn.7 Hiervoor werd echter een wijziging van het EEG-verdrag nodig geacht. Om dit te realiseren, werd de zogenoemde Europese Akte voorbereid, die werd ondertekend in februari 1986 en in werking trad op 1 juli 1987.8