Raad zonder raadgevers?
Einde inhoudsopgave
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/3.2.1:3.2.1 Ambtelijke bijstand in het rapport van de commissie Elzinga
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/3.2.1
3.2.1 Ambtelijke bijstand in het rapport van de commissie Elzinga
Documentgegevens:
drs. J.W.M.M.J. Hessels, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
drs. J.W.M.M.J. Hessels
- JCDI
JCDI:ADS582739:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Staatscommissie Dualisme en lokale democratie 2000, p. 258.
Staatscommissie Dualisme en lokale democratie 2000, p. 258.
Staatscommissie Dualisme en lokale democratie 2000, p. 335.
Staatscommissie Dualisme en lokale democratie 2000, p. 337.
Staatscommissie Dualisme en Lokale Democratie 2000, p. 386.
Staatscommissie Dualisme en lokale democratie 2000, p. 386.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ondanks het feit dat het uiteindelijke gemeentelijke bestuursmodel zoals voorgesteld door de staatscommissie het niet haalde, bevat het omvangrijke rapport veel waardevolle analyses van de juridische en organisatorische uitdagingen in gemeenteland anno 2000. Zo ook over de ambtelijke ondersteuning voor de gemeenteraad, zijn fracties en zijn leden.
‘Een adequate ambtelijke ondersteuning van de raad (inclusief ondersteuning van individuele raadsleden en commissies) is cruciaal voor het goed kunnen uitoefenen van de controlerende en toezichthoudende functie. Raadsleden vervullen hun functie in de regel als nevenfunctie, hetgeen beperkingen stelt aan de omvang van de werkzaamheden, die zij in die hoedanigheid verrichten.’1
Ofschoon het recht op ambtelijke bijstand dankzij het amendement Stoffelen-Van der Burg2 in 1992 in de Gemeentewet was verankerd, acht de staatscommissie de formulering van artikel 33 van de Gemeentewet weliswaar voldoende om deze ambtelijke bijstand in een monistisch systeem te garanderen, in een duaal systeem is een sterkere verankering nodig. Onbewust en ongewild legt de staatscommissie hier al de vinger op de zere plek, die zal ontstaan nadat in de parlementaire behandeling van de Wet dualisering gemeentebestuur op het laatste moment3 de secretaris volledig wordt losgekoppeld van de raad en exclusief het college van B&W zal gaan bijstaan.
De staatscommissie stelt4 dat in artikel 33 van de Gemeentewet op dat moment slechts is geregeld dat de raad bepaalt op welke wijze de ambtelijke bijstand wordt verleend aan de leden van de raad. Om deze ambtelijke bijstand nu daadwerkelijk te verkrijgen, moet gebruik gemaakt worden van het (toenmalige) artikel 103, eerste lid van de Gemeentewet (oud), waarin de ondersteuning van de raad door de secretaris geregeld wordt en het tweede lid van hetzelfde artikel, waarin de raad de bevoegdheid heeft in een instructie nadere regels te stellen aan deze ondersteuning van de raad door de secretaris.
Ondanks deze wettelijke bepaling, die met behulp van de ambtsinstructie van de gemeentesecretaris bekrachtigd kan worden, is de praktijk weerbarstig.
‘De wettelijke ondersteuningsverplichting van de gemeentesecretaris voor de raad komt in de praktijk echter nauwelijks van de grond. (...) Er wordt door de raad en raadsleden nauwelijks gebruik gemaakt van de ambtelijke ondersteuning. De secretaris houdt zich voornamelijk bezig met zijn taken in het kader van de advisering aan het college en het concernmanagement van het apparaat.’5
Als de secretaris nu (nog) verder van de raad komt af te staan, is een duidelijkere en strakkere regelgeving omtrent het verlenen van ambtelijke bijstand noodzakelijk, zo stelt de staatscommissie.
De staatscommissie beziet in elk van de zes geanalyseerde varianten voor het nieuwe lokale bestuursmodel de positie van de secretaris en het ambtelijk apparaat en ziet ook hierbij weer een belangrijke positie voor de (gekozen) burgemeester.
‘Er is een mogelijkheid dat de burgemeester in zijn hoedanigheid van raadsvoorzitter een zorgplicht met betrekking tot de ambtelijke ondersteuning van de raad wordt gegeven. Indien daarvoor wordt gekozen, voert de gemeentesecretaris de ondersteuning onder instructie van de burgemeester uit. In grote gemeenten zou het mogelijk zijn een afzonderlijk, onder de burgemeester ressorterend raadssecretariaat te vormen. In de wat kleinere gemeenten ligt het voor de hand dat de ondersteuning van de raad en de raadsleden vanuit de bestuursdienst wordt geleverd op basis van afspraken die tussen raad, burgemeester en de gemeentesecretaris zijn gemaakt.’6
Deze opstelling hangt uiteraard nauw samen met de keuze van de staatscommissie voor het niet verplicht stellen van een aan de raad verbonden griffie en het daarmee handhaven van de dubbelrol van de gemeentesecretaris als ondersteuner van raad en college van B&W. Opmerkelijk is dat de positie van de secretaris en de verplichte aanstelling van een raadseigen griffie(r) door de staatscommissie sterk afhankelijk wordt gemaakt van de invoering van de gekozen burgemeester.
‘Een splitsing van de functies van gemeentesecretaris en griffier van de raad past naar het oordeel van de commissie alleen indien een burgemeester direct gekozen is en ruime bevoegdheden heeft’,7
zo stelt de commissie. Nergens in het rapport wordt aan deze stelling nadere uitleg gegeven.
In het verlengde hiervan is de opstelling van de staatscommissie over de verdere vormgeving van de ambtelijke bijstand aan de raad logisch.
‘De benoeming van de gemeentesecretaris vindt naar het oordeel van de commissie als gevolg van de dualisering plaats door de raad op enkelvoudige voordracht van het college. (...) De ambtelijke ondersteuning van de raad blijft ongewijzigd een ambtelijke verantwoordelijkheid van de gemeentesecretaris, met dien verstande dat de burgemeester daarvoor als raadsvoorzitter de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid draagt.’8
De regering zal dit onderdeel van de aanbevelingen van de staatscommissie voor wat betreft de aanstellingswijze van de gemeentesecretaris en diens ambtelijke verantwoordelijkheid voor de ambtelijke bijstand overnemen. De bestuurlijke verantwoordelijkheid van de burgemeester zal niet als zodanig in het wetsvoorstel terugkeren.