Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/6.8.2.1
6.8.2.1 Moody v. Security Pac. Business Credit (1992): redelijke prognoses
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS405753:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Onder de UFCA aangemerkt als fair consideration in plaats van reasonably equivalent value.
De Moody uitspraak is een duidelijk voorbeeld van het diffuse begrip ‘insolventie’ onder de UFCA. De rechtbank had overwogen dat van insolventie onder de UFCA sprake is indien de “present, fair, salable value of his assets is less than the amount that will be required to pay his probable liability on his existing debts as they become absolute and matured.” Onder het recht van Pensylvania bestond deze test volgens de rechtbank uit twee componenten. Ten eerste de bankruptcy test die inhoudt dat de vennootschap insolvent is indien haar eigen vermogen negatief is. Daarnaast de test in the equity sense, waarbij de vennootschap insolvent wordt geacht indien deze niet in staat is om haar verpichtingen te voldoen indien deze opeisbaar worden. Bij de beoordeling of de vennootschap aan de laatste test voldeed diende de rechter zich te baseren op “reasonable cash flow projections made at the time of the transaction, the target company’s historical cash flow needs, and the availability under any lines of credit.” Vervolgens had het District Court geconcludeerd dat de insolvency test in the equity sense nagenoeg op hetzelfde neerkwam als de unreasonably small capital test. Het Court of Appeals oordeelt hierover echter: “We believe the better view is that unreasonably small capital denotes a financial condition short of equitable insolvency.” Het is in de praktijk vrijwel onmogelijk om de vele kleurnuances op het palet van deze redenering waar te nemen.
“[A]dequacy of capital presents a mixed question of law and fact.” (Moody v. Security Pacific Business Credit, Inc., 971 F.2d 1056 (3d Cir. 1992), p. 1063).
Credit Managers Ass’n of Southern California v. Federal Co., 629 F. Supp. 175 (C.D. Cal. 1985).
Moody v. Security Pacific Business Credit, Inc., 971 F.2d 1056 (3d Cir. 1992), p. 1070.
“We hold the test for unreasonably small capital is reasonable foreseeability.” (Moody v. Security Pacific Business Credit, Inc., 971 F.2d 1056 (3d Cir. 1992), p. 1073).
“Moreover, the test for unreasonably small ‘capital’ should include […] all reasonably anticipated sources of operating funds, which may include new equity infusions, cash from operations, or cash from secured or unsecured loans over the relevant time period.” (Moody v. Security Pacific Business Credit, Inc., 971 F.2d 1056 (3d Cir. 1992), p. 1073).
In Credit Managers was overwogen: “[T]he question the Court must decide is not whether [the] projection was correct, for clearly it was not, but whether it was reasonable and prudent when made.”
“However, reliance on historical data alone is not enough. To a degree, parties must also account for difficulties that are likely to arise, including interest rate fluctuations and general economic downturns, and otherwise incorporate some margin for error.” (Moody v. Security Pacific Business Credit, Inc., 971 F.2d 1056 (3d Cir. 1992), p. 1074).
“Although prudence dictates incorporation of some margin for error, we agree with the district court that the extent of Jeannette’s decline in sales in 1982, resulting from increased foreign and domestic competition, was not foreseeable at the time of the leveraged buyout. Thus, we agree that ultimately Jeannette’s failure was caused by the decline in sales rather than a lack of capital.” (Moody v. Security Pacific Business Credit, Inc., 971 F.2d 1056 (3d Cir. 1992), p. 1076).
“[T]he law does not require that companies be sufficiently well capitalized to withstand any and all setbacks to their business. The requirement is only that they not be left with ‘unreasonably small capital’ at the time of the conveyance alleged as fraudulent.” (Credit Managers Ass’n of Southern California v. Federal Co., 629 F. Supp. 175 (C.D. Cal. 1985), p. 178).
Cook e.a. 2009, p. 747.
De uitspraak van het Court of Appeals (3d Cir. 1992) inzake Moody v. Security Pacific wordt in de juridische literatuur als richtinggevend aangemerkt voor de invulling en toepassing van het criterium ‘onredelijke klein vermogen’.1 De Moody-zaak betrof de LBO van Jeannette Corp. (Jeanette) door een groep investeerders. De investeerders dienden voor de overname 12.1 miljoen dollar te financieren waarvan zij 11.7 miljoen dollar bancair aantrokken en voor rekening van Jeanette lieten komen, waarbij Jeanette ten behoeve van de bank zekerheden vestigde op haar gehele actief. Toen Jeanette 15 maanden na de buyout failleerde, trachtte de curator de LBO ongedaan te maken op grond van de bepalingen van fraudulent transfer law.
In de Moody-zaak was de kernvraag of de LBO in strijd was met de fraudulent transfer bepalingen van Pennsylvania, die waren gebaseerd op de UFCA. De curator stelde dat ten gevolge van de financiële belasting die de overname had meegebracht, Jeanette niet in staat was haar opeisbare verplichtingen te voldoen. Aangezien er geen oogmerk tot benadeling was geweest, moest de zaak worden beoordeeld tegen het licht van de objectieve aantastingsgronden van de fraudulent transfer-regeling. Ten eerste moest worden vastgesteld of Jeanette voor de LBO een gelijkwaardige vergoeding had ontvangen.2 Daarvan was volgens de rechtbank geen sprake. De aan de LBO verbonden voordelen, waaronder een nieuw bestuur en de toegang tot extra financieringsmogelijkheden, werden geacht niet op te wegen tegen de grote schuld die ten gevolge van de overname op de balans van de vennootschap kwam te rusten in combinatie met de vestiging van zekerheden op alle activa.
De vervolgvraag was of Jeanette ten tijde van de LBO insolvent was geweest of ten gevolge daarvan insolvent was geraakt. Daarvan was geen sprake nu de “fair salable value” van Jeanette’s activa hoger was geweest dan haar schulden. De LBO was daarom niet in strijd met de balanstest. Het kwam dus aan op de vraag of Jeanette ten gevolge van de LBO was achtergebleven met een onredelijk klein vermogen. Daarbij stelde het Court of Appeals (3d Cir. 1992) voorop dat er onduidelijkheid bestond over de begrippen ‘insolventie’ en ‘onredelijk klein vermogen’ en vooral over hoe deze zich tot elkaar verhielden.3 Het Court overwoog dat van een onredelijk klein vermogen eerder sprake is dan van insolventie.
Het District Court oordeelde dat er geen sprake was geweest van een onredelijk klein vermogen en baseerde zich daarbij op de ten tijde van de LBO geprognosticeerde kasstromen en het gegeven dat Jeanette de beschikking had over een kredietfaciliteit. De curator voerde daartegen aan dat de crediteuren zich niet kunnen verhalen op een dergelijke kredietfaciliteit, zodat deze niet in de analyse had moeten worden betrokken. In hoger beroep overwoog het Court of Appeals (3d Cir.) dat de vraag of het vermogen van de vennootschap adequaat was zowel feitelijk als juridisch van aard was.4 Onder verwijzing naar een vonnis van een District Court in California, 5oordeelde het Court of Appeals dat een onredelijk klein vermogen neerkomt op een “inability to generate sufficient profits to sustain operations”.6 Bij de vaststelling van een onredelijk klein vermogen draait het om de vraag wat ten tijde van de overdracht redelijkerwijs voorzienbaar was.7 In deze analyse moet ook het krediet dat de vennootschap tot haar beschikking heeft, worden meegenomen.8 De kern van de vraag was volgens het Court of Appeals of de aan de LBO ten grondslag liggende prognoses redelijk waren geweest.9 Aangezien prognoses de eigenschap hebben te optimistisch te zijn, dient er een objectieve test plaats te vinden, geënt op de daadwerkelijke prestaties van de vennootschap. Relevante informatie hierbij is een analyse van de cashflows, de verkoopresultaten, winstmarges en netto winsten en verliezen. Het Court of Appeals benadrukte dat daarbij niet louter gekeken mag worden naar gegevens uit het verleden. Tot op zekere hoogte moeten partijen ook de voorzienbare toekomstige problemen in ogenschouw nemen. Betrokkenen zullen daarbij acht moeten slaan op de macro-economische werkelijkheid, zoals onder meer de fluctuaties in de rente en meer algemene economische verwachtingen. Er moet een zekere marge worden genomen voor mogelijke tegenvallers.10
Het Court of Appeals stelde vast dat in de onderhavige zaak twee uitgebreide analyses waren gemaakt van de toekomstige ontwikkelingen van de kasstromen en winsten door ter zake deskundige personen. De daaraan ten grondslag liggende aannames waren gefundeerd op interviews met de werknemers van Jeanette en haar prestaties in de jaren voorafgaande aan de LBO, zoals die bleken uit de financiële documentatie. Het Court of Appeals overwoog dat deze prognoses redelijk waren en zag zich daarin mede gesterkt door het feit dat de eerste vijf maanden na de LBO de kassstromen van Jeanette zich conform deze progonoses hadden ontwikkeld. Het Court of Appeals constateerde dat met de wijsheid van achteraf de prognoses weliswaar onjuist waren, maar dat zij ten tijde van de LBO niet onredelijk waren. Zo waren beide analyses uitgegaan van een winstmarge van 17 procent; dit was 2,5 procent meer dan de winstmarge in het jaar voorafgaande aan de LBO. Echter, tussen 1965 en 1978 was de winstmarge van Jeanette gemiddeld 20 procent, dus zelfs 3 procent hoger dan de door de analyses geprognosticeerde marges. Aangezien de winstmarge van Jeanette bovendien in het jaar voorafgaande aan de LBO een positieve ontwikkeling had doorgemaakt, werden de voorspellingen niet als onredelijk beoordeeld.
De oorzaak van het faillissement van Jeanette was volgens het Court of Appeals gelegen in andere oorzaken dan de LBO. De vennootschap was na de LBO in staat om haar crediteuren te betalen totdat er sprake was van een ingrijpende afname van de bestellingen en verkopen. Deze afname was primair toe te schrijven aan een lang aanhoudende laagconjunctuur, de toename van nationale en internationale concurrentie en fouten van het bestuur.11 Deze ontwikkelingen waren ten tijde van de LBO niet te voorzien. De financiële uitrusting van de vennootschap hoeft niet zodanig te zijn dat zij alle mogelijke tegenvallers kan opvangen.12 Het Court of Appeals sanctioneerde daarom de conclusie van het District Court dat in dergelijke omstandigheden geen sprake is van een fraudulent transfer: “The law, as it now stands, does not require participants in a leveraged buyout to become insurers of the company’s ultimate success.”13
De uitspraak inzake Moody is in de juridische literatuur positief ontvangen, omdat daarin het juiste onderscheid zou worden gemaakt tussen LBO’s die wel en niet aantastbaar zijn. Zo merken Cook e.a. op: “Although the adequacy of capitalization approach adopted in Moody is factually intensive and somewhat uncertain in application, the Third Circuit’s decision attempts to identify a class of failed leveraged buyouts that should not fall within the purview of constructive fraudulent transfer remedies, namely, transactions for which financial failure is not a reasonably foreseeable result of capital structure, but rather a result of unpredictable extrinsic circumstances that may affect any business, regardless of capital structure.”14