Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.4.1:5.4.1 Inleiding
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.4.1
5.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946181:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit hoofdstuk ziet op de vraag hoe de regeling van klachtdelicten zich verhoudt tot de vervolgingsvrijheid van het openbaar ministerie. In dat verband ging in paragrafen 2 en 3 aandacht uit naar de plaats die het klachtvereiste inneemt ten opzichte van het publiekrechtelijke karakter van de Nederlandse strafrechtspleging en het vervolgingsmonopolie. Hierna wordt nader onderzocht of het klachtvereiste raakt aan het opportuniteitsbeginsel en de beslissingsruimte die dit beginsel het openbaar ministerie biedt om al dan niet tot vervolging over te gaan.
Een klein aantal begrippen verdient een korte introductie voordat dieper op dit vraagstuk wordt ingegaan. Allereerst moet het opportuniteitsbeginsel worden onderscheiden van het op de strafvervolging betrekking hebbende legaliteitsbeginsel. Dit laatste beginsel schrijft voor dat elk bewijsbaar strafbaar feit dient te worden vervolgd. De haalbaarheid van de vervolging is in dat geval doorslaggevend voor de vervolgingsbeslissing. Tegenover dit legaliteitsbeginsel staat het opportuniteitsbeginsel, waarbij in de toepassing van dat beginsel wordt onderscheiden tussen twee interpretaties. Bij een negatieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel is vervolging in beginsel aangewezen indien voldoende bewijs voor een strafbaar feit voorhanden is, maar kan van vervolging worden afgezien indien het algemeen belang daartoe aanleiding geeft. Bij een positieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel neemt men daarentegen als uitgangspunt dat vervolging slechts is aangewezen indien het algemeen belang daarbij is gebaat. Bij een negatieve toepassing van het beginsel draait het dus om ‘vervolgen, tenzij’, terwijl de positieve interpretatie leidt tot een vervolgingsbeslissing die wordt ingevuld met het criterium ‘vervolgen, indien’. In beide interpretaties speelt het algemeen belang een centrale rol bij de invulling van het leerstuk, waarbij het enerzijds in de weg kan staan aan de vervolging en anderzijds redengevend kan zijn voor die vervolging.
In het navolgende wordt geduid hoe het opportuniteitsbeginsel zijn plaats in de Nederlandse strafrechtspleging heeft verworven en welke invulling daaraan in de rechtspraktijk wordt gegeven. Het is noodzakelijk om dit secuur in beeld te brengen zodat daaropvolgend kan worden bezien of en in hoeverre de vrijheid voor het openbaar ministerie om klachtdelicten al dan niet te vervolgen wordt beïnvloed door een klacht en de daaruit blijkende wens van het slachtoffer dat vervolging plaatsheeft.