Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.4.4:5.4.4 Conclusies over de verhouding van het opportuniteitsbeginsel tot het klachtvereiste
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.4.4
5.4.4 Conclusies over de verhouding van het opportuniteitsbeginsel tot het klachtvereiste
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946127:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Simmelink 2004, p. 193.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zowel bij het aanwijzen van klachtdelicten als bij de opportuniteitstoets speelt (de waardering van) het algemeen belang en het private belang van het slachtoffer een rol. Desalniettemin moet worden vastgesteld dat de toets die enerzijds door de wetgever wordt aangelegd (bij het aanwijzen van klachtdelicten) en anderzijds door het openbaar ministerie wordt verricht (bij de beoordeling van de opportuniteit van de vervolging) verschillend van aard is. De wetgever oriënteert zich op een abstract algemeen belang dat redengevend is voor een strafbaarstelling, waarna met de nodige distantie wordt beoordeeld welke private belangen te zeer kunnen worden getroffen indien het komt tot een vervolging van het strafbaar te stellen gedrag. Dat specifieke private belang kan de wetgever aanleiding geven een strafbaar feit aan te merken als klachtdelict. Bij toepassing van het opportuniteitsbeginsel staat dat private belang niet centraal. Het openbaar ministerie dient bij de beoordeling van de opportuniteit van de vervolging van een strafbaar feit oog te hebben voor alle concreet betrokken (deel)belangen. De waardering van die (deel)belangen leidt tot de vaststelling van een algemeen belang dat richtinggevend is voor de opportuniteit van de vervolging.
Onder de streep wordt eerst door de wetgever via een klachtvereiste voorrang verleend aan het belang dat een slachtoffer kan hebben bij het achterwege blijven van vervolging. Indien de positie van de klachtgerechtigde niet in de weg staat aan vervolging – hetgeen blijkt uit de indiening van een klacht – werkt het opportuniteitsbeginsel in volle omvang. Aan een ingediende klacht wordt geen bijzondere waarde toegekend met het oog op de door het openbaar ministerie aan te leggen opportuniteitstoets en het belang van een klachtgerechtigd slachtoffer behoeft dus geenszins doorslaggevend te zijn bij de vervolgingsbeslissing. Dit onderstreept de drempelfunctie die het klachtvereiste mijns inziens vervult. Dit laat onverlet dat de aard van het klachtdelict met zich kan brengen dat het belang van het getroffen slachtoffer een significante(re) rol speelt bij de vaststelling van het algemeen belang. Daarnaast kunnen de omstandigheden die redengevend zijn voor het aanwijzen van een klachtdelict ook een rol spelen bij de vervolgingsbeslissing ter zake reguliere delicten die geen klachtvereiste kennen. Dit is verklaarbaar tegen de achtergrond dat de wetgever zich slechts in abstracto een oordeel kan vormen over strafbaar te stellen gedrag, waarna het openbaar ministerie zich bij de beoordeling van een concreet strafbaar feit rekenschap moet geven van alle omstandigheden van het geval en de daarbij betrokken belangen. Het opportuniteitsbeginsel maakt daarmee een meer selectieve rechtshandhaving mogelijk en geeft invulling aan de idee dat inzet van het strafrecht dienstig moet zijn aan het algemeen belang en moet berusten op een zorgvuldige afweging van alle betrokken belangen. 1