Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/17.8.2.3
17.8.2.3 Décharge
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364895:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (OK) 31 maart 2006, JOR 2006/181 m.nt. Josephus Jitta (NIBO).
Zie par. 16.7.3 en Hof Amsterdam (OK) 11 april 2013, JOR 2013/239 m.nt. Leijten (De Orthopedische Schoenmakerij). Te Winkel en Van de Graaff (par. 8) leiden dat inderdaad uit deze beschikking af, maar zien dit als een gemis.
Hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2013, JOR 2013/337 m.nt. Josephus Jitta (Novero).
Josephus Jitta (2016, par. 6) meent dat in de De Orthopedische Schoenmakerij-beschikking tevens zou zijn besloten dat de ondernemingskamer geen décharge kan verlenen aan tijdelijke beheerders. Het is inderdaad waar dat de tijdelijke bestuurder in die zaak tevens tijdelijk beheerder was. Afgaande op de tekst van de beschikking was de décharge enkel verzocht voor het functioneren als tijdelijk bestuurder. Omdat niet werd verzocht om décharge als tijdelijk beheerder, blijkt niet of dat verzoek voor toewijzing in aanmerking zou kunnen komen.
Zie par. 17.3.3 en 17.6.3.5.
Art. 1:385 sub e BW jo. art. 1:374 lid 2 BW.
Zie par. 17.4.5.
Zie par. 16.7.3.
In de NIBO-beschikking1 oordeelde de ondernemingskamer dat zij décharge kan verlenen aan de tijdelijke beheerder. De ondernemingskamer verliet nadien echter haar vergelijkbare rechtspraak met betrekking tot tijdelijke bestuurders.2 Goed denkbaar is dat dit ook zal gelden voor tijdelijke beheerders, aangezien de ondernemingskamer hun functioneren op grotendeels gelijke wijze beoordeelt.3 Dat hoeft echter niet.4 Een tijdelijke beheerder vertoont namelijk ook gelijkenissen met een curator als bedoeld in art. 1:378 BW.5 Een dergelijke curator kan décharge worden verleend door de kantonrechter.6
Ik meen echter dat de ondernemingskamer geen décharge kan verlenen aan de tijdelijke beheerder. Het schenden van de beheeropdracht kwalificeert als een onrechtmatige daad.7 De gewone civiele rechter is bevoegd ten aanzien van vorderingen die op een dergelijke onrechtmatige daad zijn gebaseerd.8