Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/4.2
4.2 Besluit, bestuursorgaan, alsmede de rechtskracht van besluiten
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een definitie van algemeen verbindende voorschriften CBb 6 oktober 2004, LTN AR4468. In par. 6.3 overweegt het College: 'In de memorie van toelichting bij de Derde tranche Awb zijn algemeen verbindende voorschriften omschreven als 'naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen bindende regels, uitgegaan van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent' (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3). Om aan dergelijke regels het rechtskarakter van algemeen verbindende voorschriften toe te kennen, is naar het oordeel van het College voorts vereist dat deze een algemeen karakter hebben, dat wil zeggen dat zij gelden voor een reeks van gevallen en gericht zijn tot een open, in abstracte omschreven groep van (rechts)personen en dat de regels hetzij op zichzelf, hetzij als onderdeel van een samenstel van algemeen verbindende voorschriften, een zelfstandige normstelling inhouden.'
Ingevolge art. 1:3 lid 4 Awb wordt onder beleidsregel verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.
Vrz Rb Rotterdam 18 oktober 2005, Gst. 2005/152. Zie met betrekking tot de exceptieve toetsing van algemeen verbindende voorschriften voorts ABRvS 3 december 2008, J73 2009/14; CRvB 9 juni 2010, RSV 2010/228 en CBb 29 mei 2008, LJN BD2842.
De burgerlijke rechter zal zich uit een oogpunt van rechtseenheid in beginsel gebonden achten aan het oordeel van de hoogste bestuursrechter dat is gegeven in het kader van een exceptieve toetsing. Zie onder meer HR 17 december 2004, AB 2005/399 en 27 november 2009, LJN BH2162 (World Online), par. 4.38.2.
Het niet voldoen aan art. 1:74 lid 1 Wft of art. 5:20 Awb levert bijvoorbeeld ingevolge art. 1:80 Wft een boetewaardige gedraging op.
Het niet voldoen aan art. 1:74 lid 1 Wft levert ingevolge art. 1 WED een economisch delict op.
Er is dan ook de nodige kritiek op CBb 2 maart 1999, AB 1999/168. Zie bijvoorbeeld Roth, 'Onderzoeken naar marktmisbruik door de AFM', in: Bouwen en bezinning. Regels van wenselijk en onwenselijk financieel recht (Lustrumbundel 2007 Vereniging voor Effectenrecht), p. 286-287 en Timmermans, 'Rechtseenheid en de Wet op het financieel toezicht', in: In eenheid. Over rechtseenheid en uniforme rechtstoepassing in het bestuursrecht (2007), p. 199.
Vzr Rb Rotterdam 10 januari 2008, JOR 2008/51 (GoodWood).
ABRvS 15 juli 2009, JB 2009/195.
Zie CBb 2 maart 1999, AB 1999/168.
Er zijn uitzonderingen. Soms is met het toebrengen van een stempel voldaan aan de eis van schriftelijkheid. Zie ABRvS 1 mei 2002, AB 2002/369 en Rb Den Haag 13 maart 1996, JB 1996/113.
Bijvoorbeeld CRvB 8 maart 2005, JB 2005/133. Zie voorts De Bock, De omvang van het geding (2004), p. 18.
In de parlementaire geschiedenis van de Wet boeten is bijvoorbeeld overwogen dat het aanbeveling verdient om waar mogelijk zowel de herziening, de terugvordering als de invordering van de uitkering in één beschikking te vatten (Kamerstukken // 1994/95, 23 909, nr. 3, p. 23), terwijl in die wet ook verplicht is gesteld dat een terugvorderingsbesluit tevens een invorderingsbeslissing bevat (bijvoorbeeld art. 24 AKW). In het belastingrecht is voorgeschreven dat een boete die verband hoedt met het (niet) doen van aangifte gelijk wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag (ondermeer art. 67a AWR). Indien vervolgens bezwaar wordt gemaakt wordt er in beginsel van uitgegaan dat het bezwaar tegen beide besluiten is gericht (art. 24a lid 2 AWR).
Een combinatie van die twee vormt de uitoefening van bestuursdwang zonder schriftelijke aanzegging. Zie ABRvS 2 maart 2005, LJN AS8406.
Aardige vergelijkingen kunnen hier worden gemaakt met de Engelse public function-test, die is ontwikkeld met het oog op de toepasselijke procedure, alsmede met het in de Engelse Human Rights Act 1998 neergelegde reikwijdtebegrip function of a public nature. Zie daarover Jurgens en Van Ommeren, 'Publiekrecht in Engeland: Roomser dan de Paus? De opmars van het onderscheid tussen publiekrecht en privaatrecht in het Engelse recht', NTB 2009/20, p. 142-152.
Deze onlosmakelijke verbinding wordt miskend in CBb 21 september 2006, AB 2006/372, waar het College oordeelt dat er wel een besluit voorligt, maar geen sprake is van een bestuursorgaan. Het probleem was hier dat een a-orgaan zelf een nieuw bestuursorgaan had opgericht als ware het een a-orgaan. Het College had aan haar oordeel dat de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten niet voorziet in de mogelijkheid dat één van de daarin genoemde organen een nieuw bestuursorgaan opricht ofwel het gevolg moeten verbinden dat de opgerichte Raad van Toezicht uitoefening AA' s geen a- of b-orgaan was en dus ook geen besluit voorlag, zodat de bestuursrechter onbevoegd is kennis te nemen van het geschil, ofwel — en dat is gelet op de gepretendeerde bevoegdheid en de notie van rechtsbescherming wellicht beter — dat er juist wel sprake is van een bestuursorgaan, zij het dat het ten onrechte is opgericht en dus ook geen besluiten had mogen nemen, zodat de bestuursrechter wel bevoegd is en toekomt aan de toepassing van art. 8:72 Awb.
ABRvS 30 november 1995, AB 1996/136 (Stichting Silicose). Zie voorts Peters, 'Bestuursorgaan in bestuursrechtelijke handen', JBplus 2000/2.
Kritiek hierop is zeker mogelijk. In haar 'Kroniek bestuursprocesrecht', NTB 2004/31, p. 181-182, vraagt Schreuder-Vlasblom zich af hoe we af kunnen komen van die neiging om de burger met veel omhaal dode mussen aan te bieden. Het alternatief lijkt me echter nog minder aantrekkelijk. Het zal immers niet eenvoudig zijn in civilibus een aanspraak te claimen die niet is terug te voeren op regelgeving of overeenkomst (met de eisende partij). De vraag zal dan zijn of hier een verbintenis uit onrechtmatige daad aangenomen kan worden. Waar door de bestuursrechter de publieke taakweg wordt bewandeld kan het 'bestuur' bij gebreke aan een wettelijk beoordelingskader in ieder geval wel worden afgerekend op consistente besluitvorming. De rechter zal immers in ieder geval na kunnen gaan of is gehandeld conform het buitenwettelijk beleid. Ook de kritiek van Zijlstra in zijn VAR-preadvies 'De Grenzen van de overheid' in: Privaat bestuur? (2008) op de publieke taakjurisprudentie onderschrijf ik niet. De door hem geopperde opneming van de maatstaf overwegende overheidsinvloed in art. 1:1 Awb, dit met het oogmerk om iedere onderneming waarin de overheid meerderheidsaandeelhouder is en iedere stichting waarin het over de benoeming van de meerderheid van de bestuurders gaat onder het bestuursrecht te brengen (zie in het bijzonder p. 91), acht ik in elk geval niet een beter alternatief. Grote delen van het maatschappelijk middenveld worden daarmee overheid. Dit lijkt me niet werkbaar en ook onwenselijk (denk ook aan Rousseaus overpeinzingen inzake het maatschappelijk middenveld in zijn verhandeling Het maatschappelijk verdrag). Verder zijn er ook overwegende bezwaren tegen de door Zijlstra bij wijze van overgangssituatie geopperde conversie via mandaat, zodat het besluit wordt toegerekend aan de overheidsinstelling die uiteindelijk de middelen ter beschikking stelt. Zie ook mijn interventie en die van J.E.M. Polak in: Privaat bestuur? (VAR-reeks 141, 2009), p. 69-71.
ABRvS 11 oktober 2006, JB 2006/321 (Stichting Koppeling).
CRvB 31 maart 2006, RSV 2006/156 (Valys).
Bevestigend: ABRvS 3 maart 2004, AB 2004/241 (concessie veerdienst) en CBb 24 februari 2005, JB 2005/225 (financiële bijdrage voor bel- en buurtbussen). Ontkennend: ABRvS 20 juli 2005, JB 2005/258 (convenant woonruimteverdeling) en CBb 16 november 2006, AB 2006/14 (verdeling opbrengst nationale vervoerbewijzen).
Zie ook de paragraaf verderop inzake het legaliteitsbeginsel.
De tweewegenleer houdt kortgezegd in dat het bestuur niet onverkort de privaatrechtelijke weg mag bewandelen teneinde beperkingen die aan de uitoefening van bestuursrechtelijke bevoegdheden zijn verbonden te omzeilen (doorkruisen). Onder meer moet daarbij worden gelet op de inhoud en strekking van de betrokken publiekrechtelijke regeling(en) en de wijze waarop en de mate waarin in het kader van die regeling(en) de belangen van de burgers zijn beschermd, terwijl voorts van belang is of de overheid door gebruikmaking van de publiekrechtelijke regeling(en) een vergelijkbaar resultaat kan bereiken als door gebruikmaking van de privaatrechtelijke bevoegdheid. Is dit het geval, dan vormt dat een belangrijke aanwijzing dat de privaatrechtelijke weg niet open staat. Zie HR 26 januari 1990, NJ 1991/393 (Windmill).
HR 20 december 2002, AB 2003/344 (SKV III).
ABRvS 3 mei 2006, AB 2006/231.
CBb 9 februari 2005, AB 2005/305.
Niet iedereen is die mening toegedaan. Kritiek op deze strenge toepassing van de tweewegenleer en het legaliteitsbeginsel heeft Peters. De nadruk op de publiekrechtelijke rechtsbescherming staat in de weg aan zelfregulering, aldus Peters, 'Zelfregulering en rechter', JBplus 2007/4.
ABRvS 8 mei 2002, JB 2002/202; 23 juli 2003, AB 2003/413; 18 augustus 2004, JB 2004/344; CBb 8 augustus 2000, JOR 2001/65 en 23 juli 2003, ABkort 2003/544. Zie ook de meer recente jurisprudentie die is genoemd in Den Ouden en Polak, 'Kroniek van het algemeen bestuursrecht. Eenheid, snelheid en effectiviteit', NJB 2010/774, p. 938-939.
Ondermeer ABRvS 29 oktober 2003, AB 2004/361 en CRvB 11 mei 1995, JB 1995/164.
ABRvS 18 januari 2006, AB 2006/122 (Paradise); 21 maart 2007, AB 2007/223 en CRvB 24 november 2009, LJN BK4582.
CRvB 5 januari 2009, AB 2009/120.
CRvB 8 maart 2005, JB 2005/133.
CRvB 17 maart 2005, TAR 2005/82 en 18 mei 2006, JB 2006/223.
ABRvS 22 juli 1999, AB 1999/340; 7 mei 2002, ABkort 2002/249; 18 juni 2003, AB 2003/394 en 17 november 2004, AB 2004/454. Ruimhartiger is Vz ABRvS 18 september 2006, AB 2006/405.
Bijvoorbeeld ABRvS 23 september 1996, ABkort 1996/905 en 14 januari 2004, AB 2004/242.
ABRvS 4 juni 2002, AB 2002/219 en 24 mei 2006, AB 2006/250.
ABRvS 30 juli 2008, JB 2008/199.
Rb Middelburg 1 juli 2010, LTN BM987 5 (Checkpoint). De Afdeling kwam in deze zaak op grond van een andere — volgens annotator Vermeer omslachtige — redenering eveneens tot het oordeel dat sprake was van een besluit. Zie ABRvS 9 maart 2011, AB 2011/104 (Checkpoint).
ABRvS 29 april 2003, AB 2003/254; 12 april 2006, JB 2006/151; 22 april 2009, AB 2009/260 en CBb 2 februari 2006, AB 2006/196.
ABRvS 29 november 1996, AB 1997/66; 7 februari 2007, AB 2007/112 en 17 februari 2010, JB 2010/99.
ABRvS 28 mei 2003, JB 2003/189 en 22 juni 2005, JB 2005/247. Zie voorts ABRvS 21 mei 2003, AB 2003/312.
Ondermeer ABRvS 5 september 2001, JB 2001/271; 11 augustus 2005, AB 2006/19; CBb 12 maart 2004, AB 2004/160 en 2 juni 2005, ABkort 2005/473.
ABRvS 8 april 2009, LJN B10410.
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 149-150.
Zie Rb Rotterdam 29 september 2008, L1N BF6961. Zie voorts Rb Rotterdam 11 augustus 2008, L1N BE9790.
CBb 30 januari 2009, AB 2010/146.
Men kan het begrippenpaar formele en materiële rechtskracht ook een (geheel) andere invulling geven. Ik verwijs hiertoe naar Van der Linden, Formele rechtskracht en materiële rechtskracht: de kleren van de keizer (1998). Ik acht een fijnmaziger rubricering met behulp van begrippen als rechtsbestendigheid echter weinig zinvol voor de rechtspraktijk.
Van der Linden, Formele rechtskracht en materiële rechtskracht: de kleren van de keizer (1998), hoofdstuk 5. De inter partes werking in het civiele recht tegenover de erga omnes werking in het bestuursrecht kan ook worden geduid met de termen subjectieve rechten en objectief recht. Zie Kooper, Wie is er bang voor aanvulling van rechtsgronden? Over de terminologie van artikel 8:69 Awb', NTB 2000/6, p. 170.
Noot Scheltema onder 1-1R 27 mei 1994, NJ 1997/158.
1-11( 26 november 1999, NJ 2000/561 en 15 december 2000, AB 2001/85.
De rechter mag niet ambtshalve het middel van verjaring toepassen (art. 3:322 lid 1 BW) en evenmin het gezag van gewijsde (art. 236 lid 3 Rv).
Zie voor de term rechtsmiddel Kooper, Wie is er bang voor aanvulling van rechtsgronden? Over de terminologie van artikel 8:69 Awb', NTB 2000/6, p. 170. De rechter toetste wel zelfstandig of een niet-gebruikte bestuurlijke rechtsgang heeft opengestaan, maar deed dat niet in het kader van de ontvankelijkheid. Zie 1-11( 22 december 2000,AB 2000/84 en 1-1R 17 december 2004, AB 2005/399. Zie echter HR 9 november 2007, JB 2008/22 en 17 oktober 2008, JV 2008/415. De civiele rechter bakent hier zijn bevoegdheid toch weer af via de ontvankelijkheid. De vraag of er als zodanig een bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan is dan wellicht wel van openbare orde.
Zie hierover Kooper, Wie is er bang voor aanvulling van rechtsgronden? Over de terminologie van artikel 8:69 Awb', NTB 2000/6, op p. 173.
Dat wil zeggen dat een besluit niet alleen tussen partijen werking heeft. Bij een bouwvergunning kan men zich daar wellicht wat meer bij voorstellen dan bij een besluit omtrent een uitkering, subsidie, belasting of een bestuurlijke boete. Niettemin geldt ook in die gevallen waarin niet direct derdebelangen lijken te zijn betrokken, dat het bestuur uit een oogpunt van het algemeen belang besluiten neemt en dat een ieder zal moeten dulden dat met een beschikking van een bestuursorgaan steeds een bepaalde rechtbetrekking tussen burger en bestuur tot stand wordt gebracht die rechten of plichten in het leven roept voor de geadresseerde.
Zie in dit verband ABRvS 7 februari 1997, JB 1997/84 en 15 februari 2006, JB 2006/111.
ABRvS 17 juli 2002, AB 2002/395 en 28 februari 2003, AB 2003/349.
ABRvS 15 september 1997, JB 1997/252.
Zie ook eerder Stijnen, 'Appellation Contrólée: nieuwe jurisprudentie inzake artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht en enige aanverwante kwesties', RSV 2004/231, p. 807.
CRvB 18 november 2003, JB 2004/31 en CRvB 12 oktober 2004, LJN AR4054.
CRvB 18 juli 2006, JB 2006/282. Zie voorts CRvB 31 oktober 2006, LJN AZ1296 en 12 februari 2008, AB 2008/174. Zie in gelijke zin ter zake van een langdurigheidstoeslag CRvB 4 augustus 2009, JFVWB 2009/215.
11R 25 april 2008, AB 2008/227.
HvJ EG 6 april 2006, AB 2006/204.
CRvB 23 december 2003, JWWB 2004/58; 15 mei 2007, RSV 2007/203 en No 1 december 2008, RSV 2009/87. Zie ook Uspeerd, 'Terugvordering en invordering onder de Wet werk en bijstand', JFVWB 2004/233, p. 693.
Zie ABRvS 31 januari 2007, AB 2007/251 en CRvB 9 december 2009, RSV 2009/38. Zie voorts Michiels en De Waard, Rechterlijke toetsing van bestuurlijke punitieve sancties (2007), p. 109-110.
CRvB 30 september 2003, RSV 2003/309 (toekenning en maatregel) en CRvB 29 mei 2007, RSV 2007/295 (opschorting en intrekking).
Zie ook Reimert, 'Buitenwettelijke afstemming in het bestuursrecht?', JBplus 2008/3, p. 137-148.
Bijvoorbeeld CRvB 27 april 2004, RSV 2004/190 en 23 juli 2004, USZ 2004/270. Zie voor een nuancering CRvB 24 februari 2010, LJN BL6401.
ABRvS 14 november 2007, AB 2007/396. Zie voorts HvJ EG 8 april 1976, 48/75 (Royer) en 17 februari 2005, C-215/03 (Oulane).
CRvB 21 december 2004, RSV 2004/74 en 14 april 2006, JWWB 2006/164.
Zoals bekend is het bestuursrecht gecentreerd rond het besluitbegrip. Ingevolge art. 1:3 lid 1 van de Awb is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Tegen beschikkingen en sommige besluiten van algemene strekking staat ingevolge het systeem van de Awb bezwaar en beroep open, waarbij het beroep in eerste aanleg (voor de rechtbank) is gericht tegen de laatste zet van het bestuur, de beslissing op bezwaar (art. 7:1 lid 2 Awb). Niet elk besluit is echter vatbaar voor bezwaar of beroep. Algemeen verbindende voorschriften1 en beleidsregels2 zijn daarvan uitgesloten (art. 8:2 Awb). Treffend in dit verband zijn de overwegingen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam met betrekking tot een verzoek tot de buitenwerkingstelling van de handhavingspraktijk van de VWA in het kader van art. 5 van de Tabakswet:
`Het door de wetgever gekozen systeem van bestuursrechtelijke rechtsbescherming, zoals neergelegd in de artikelen 8:1 en 8:2 van de Awb, brengt met zich dat — hier niet van belang zijnde uitzonderingen daargelaten — uitsluitend over de band van een beroep tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, daaraan ten grondslag liggende feitelijke gedragingen en algemeen verbindende voorschriften indirect ter toetsing voor kunnen liggen, namelijk bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit als bedoeld in artikel 7:1, tweede lid, van de Awb. Dit betekent enerzijds dat in de hoofdzaken weliswaar het toezichtshandelen dat heeft geleid tot de besluiten van 16 juli 2004, die zijn gehandhaafd met de besluiten I en II, in de hoofdzaken beoordeeld kan worden en dat daarbij voorts dient te worden beoordeeld of de aan die besluiten ten grondslag gelegde regelgeving al dan niet buiten toepassing dient te blijven. Anderzijds volgt hieruit dat die toetsing zich niet kan voltrekken buiten de besluiten I en II en dat het resultaat van die toetsing ook uitsluitend gevolgen kan hebben voor die besluiten en de gehandhaafde primaire besluiten van 16 juli 2004.'3
Indien men rechtstreeks wil opkomen tegen algemeen verbindende voorschriften en feitelijke bestuurshandelingen zal men de burgerlijke rechter kunnen adiëren. De burgerlijke rechter zal echter wel de nodige terughoudendheid betrachten waar het gaat om de toetsing van de verbindendheid van algemeen verbindende voorschriften en van uitvoeringshandelen waarvoor als zodanig een wettelijke grondslag voorhanden is.4 Ook tegen eventuele procedurele voorbereidingsbeslissingen die voorafgaan aan het nemen van een besluit kan gewoonlijk niet afzonderlijk worden opgekomen bij de bestuursrechter (art. 6:3 Awb). Te denken valt aan een verzoek van het bestuur om informatie aan een burger of een bedrijf. Indien het zuiver een verzoek om inlichtingen betreft, zonder dat de wet directe gevolgen verbindt aan het niet voldoen aan zo'n verzoek, kan wellicht van een voorbereidingsbeslissing worden gesproken die de belanghebbende, los van het eventuele op basis van de verstrekte informatie nog te nemen handhavingsbesluit, niet rechtstreeks in zijn belang treft. Indien echter de wet zelf gevolgen verbindt aan het niet verstrekken van de verzochte informatie, denk aan de situatie dat niet nakoming zelf een boetewaardige gedraging5 of een economisch delict6 oplevert, kan worden beargumenteerd dat het uit een oogpunt van rechtsbescherming onverstandig is een dergelijk verzoek niet als besluit te kwalificeren.7 De keerzijde is dat een mondeling verzoek om informatie geen besluit oplevert8 en een bedrijfsbezoek door de toezichthouder of de schriftelijke aankondiging daarvan evenmin,9 terwijl de evenredigheidsmaatstaf van art. 5:13 Awb speciaal is opgenomen om ook feitelijk handelen te normeren.10 Indien door het enkel op schrift stellen van een inlichtingenverzoek wel een besluit wordt gecreëerd, levert dat een willekeurige rechtsbescherming op. Tegen de schriftelijke weigering een besluit te nemen en tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan daarentegen wel worden opgekomen alsof sprake was van een besluit (art. 6:2 Awb). Het laatste geldt eveneens voor sommige andere handelingen (onder meer art. 8:1 lid 2 Awb en art. 79 WWB). Het op schrift stellen van een verzoek om inlichtingen zal daarentegen niet snel kunnen worden afgedwongen met art. 6:2, onderdeel b, Awb. Een verzoek van het bestuursorgaan om inlichtingen of medewerking is immers — nog daargelaten of dat een besluit oplevert — geen besluit op aanvraag.
Of het nu gaat om beschikkingen of niet, het besluitbegrip kent telkens een drietal componenten: (1) een schriftelijke beslissing, (2) afkomstig van een bestuursorgaan, (3) die op publiekrechtelijk rechtsgevolg is gericht. Het vereiste van schriftelijkheid is gewoonlijk geen punt: een besluit is bijna altijd11 vervat in een brief, maar valt daar niet noodzakelijkerwijs mee samen. De brief is gewoonlijk de kennisgeving van een besluit die is geadresseerd aan een belanghebbende, maar kan ook meer dan het besluit zelf bevatten.12 Voorts is het goed mogelijk dat via één brief meer dan één besluit wordt bekendgemaakt.13 Bij het gelijkstellen van handelingen of omissies14 met een besluit moet wel telkens aan één van de besluitcriteria voldaan zijn: er moet sprake zijn van een bestuurorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit.
Ingevolge art. 1:1 lid 1 Awb wordt onder bestuursorgaan verstaan: a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed. Het tweede lid van art. 1:1 Awb bepaalt dat een aantal organen — waaronder de rechterlijke en wetgevende macht — niet het predicaat bestuursorgaan hebben. Het openbaar ministerie valt niet onder deze uitzonderingen, maar art. 1:6 Awb voorziet er in dat opsporing en vervolging van strafbare feiten en de strafexecutie buiten het bereik van de hoofdstukken 2 t/m 8 en 10 van de Awb vallen. Het onderscheid tussen zogenoemde a- en b-organen als bedoeld in art. 1:1 lid 1 Awb kan met het oog op het besluitbegrip van belang zijn bij de vraag of bij een ontbrekende bevoegdheid niettemin (op enig moment) een besluit voorligt. Het duidelijkst laat zich het onderscheid tussen a- en b-organen voelen indien het gaat om de zogenoemde publieke taakjurisprudentie.15 Die jurisprudentie komt er op neer dat, indien een privaatrechtelijke rechtspersoon een publieke taak uitoefent, het besluitbegrip samenvalt met de status van b-orgaan.16 Het criterium is hier dat sprake is van een taak die de overheid naar zich toe heeft getrokken, niet door met het oog op de legaliteitseis de nodige wetgeving tot stand te brengen, maar door publieke gelden te sluizen naar een stichting of een vennootschap en met betrekking tot de wijze waarop die rechtspersoon die gelden aan burgers uitkeert een belangrijke vinger in de pap heeft, bijvoorbeeld door het hebben van instemmingsrecht bij de totstandkoming van de statuten of van enig reglement of protocol van die rechtspersoon met betrekking tot de aanspraak van derden — burgers — op die gelden.17 Het gaat hier in feite om getrapte subsidie. Uit een oogpunt van rechtsbescherming heeft de bestuursrechter het noodzakelijk geacht om ook in die gevallen de mogelijkheid van bezwaar en beroep open te stellen door het besluitbegrip — en derhalve het begrip bestuursorgaan — op te rekken.18 Hierbij hoeft het niet altijd te gaan om het rechtstreeks doorsluizen van overheidsgelden. Ook kan de geldstroom van de overheid achteraf19 of via derden20 worden gerealiseerd. De hiervoor bedoelde publieke taakjurisprudentie ziet steeds op al dan niet indirecte aanspraken van burgers op overheidsgelden, dus in beginsel op begunstigende besluiten. Het publieke taakcriterium speelt ook wel een rol bij a-organen. Zo wordt soms aangenomen dat een a-orgaan dat via civielrechtelijke verbintenissen zorg draagt voor een (blijkens aanpalende regelgeving) publieke taak toch een publiekrechtelijk rechtsgevolg in het leven roept.21 De publieke taak wordt alhier gebruikt bij a-organen om te beoordelen of een bestuursbevoegdheid bestaat ondanks dat een expliciet wettelijke grondslag ontbreekt.
Bij belastende besluiten, zoals bestuurlijke boetes, speelt de eis van legaliteit een veel zwaardere rol, zo volgt ook uit art. 5:4 Awb. Een sanctie zonder dat daarvoor een toereikende basis in de wet is neergelegd zal dan ook niet in stand kunnen blijven.22 Waar het gaat om stichtingen die uit een oogpunt van een zogenoemde publieke taak dergelijke buitenwettelijke sancties opleggen doet zich dan ook de vraag voor of sprake is van een bestuursorgaan en dus van een besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb. De Hoge Raad oordeelde met betrekking tot een systeem van privaatrechtelijke controles en sancties met het oog op handhaving van het publiekrechtelijk verbod op kortgezegd de toediening van hormonen aan vee door de Stichting Kwaliteitsgarantie (SKV) dat het enkele feit dat, zoals het Hof — in cassatie onbestreden — heeft geoordeeld, SKV met betrekking tot de sanctiebesluiten is opgetreden als 'de verlengde arm' van de Productschappen voor Vee en Vlees en voor Veevoeder niet tot het oordeel dwingt dat het bij die beslissingen om beschikkingen van een bestuursorgaan gaat. Met betrekking tot de vervolgvraag of de Productschappen door het in het leven roepen van een dergelijk handhavingssyteem via SKV de publiekrechtelijke regelingen op onaanvaardbare wijze heeft doorkruist — in welk verband wel wordt gesproken van de tweewegenleer23 —, overwoog de Hoge Raad dat dit systeem van privaatrechtelijke handhaving de strekking van art. 95 lid 2 Wet op de bedrijfsorganisatie, dat eraan in de weg staat dat het bestuur van een bedrijfslichaam zijn bevoegdheden delegeert aan een ander dan een ander orgaan van dat bedrijfslichaam, ondergraaft en dat het tevens strijdig is met art. 5 WED, dat ertoe strekt dat de overheid wegens economische delicten niet zonder uitdrukkelijke machtiging door de wetgever in formele zin andere sancties dan in de WED voorzien zal opleggen. De Hoge Raad vernietigde de aangevochten boetes dan ook op de grond dat het privaatrechtelijke handhavingssysteem de publiekrechtelijke regelingen op onaanvaardbare wijze had doorkruist.24 Ten aanzien van een privaatrechtelijke boete door de Stichting Thuiskopie oordeelde de Afdeling in lijn hiermee dat geen sprake was van een publiekrechtelijk rechtsgevolg. Die stichting was krachtens art 16d Auteurswet 1912 aangewezen om uit hoofde van art. 16c Auteurswet 1912 verschuldigde vergoedingen wegens reproductie te innen en weer te verdelen. Vervolgens was de Stichting Thuiskopie met importeurs/verkopers van blanco gegevensdragers onthoudingsovereenkomsten aangegaan waarbij die laatstgenoemden boeten verbeuren indien zij die blanco dragers op de markt brengen zonder de wettelijk verschuldigde thuiskopievergoeding te voldoen. In navolging van de rechtbank oordeelde de Afdeling dat hier sprake was van een privaatrechtelijke rechtsverhouding.25 Het aangaan van nadere rechtsverhoudingen waarbij boeten konden worden verbeurd viel buiten de art. 16c en 16d Auteurswet 1912. Het kwam er dus op neer dat de Stichting Thuiskopie met betrekking tot het vorderen van boetes in elk geval niet optrad als b-orgaan. De bestuursrechter — die dus onbevoegd was kon uiteraard niet toekomen aan de civielrechtelijke vervolgvraag of een dergelijk boetesysteem een ontoelaatbare doorkruising van de publiekrechtelijke regelingen opleverde. In een vergelijkbare zaak kwam het College van Beroep voor het bedrijfsleven tot het oordeel dat wel sprake was van een b-orgaan. In die casus speelde dat zogeheten platformaanbieders verplicht waren zich aan te sluiten bij een op grond van artikel 4.11 Telecommunicatiewet door de Minister van Economische Zaken erkende instelling, welke aansluitingsverplichting de OPTA vervolgens kon handhaven via bestuursdwang, een dwangsom of een boete. De erkende instelling Stic realiseerde die aansluitingsplicht vervolgens in de vorm van een overeenkomst waarin de platformaanbieder zich verbond aan het reglement van Stic dat bepaalde dat een platformaanbieder zich tegenover Stic verplichtte tot volledige medewerking aan het (doen) naleven van door Stic op te leggen sancties, zulks onder meer door in zijn overeenkomsten met nummerhouders op te nemen dat deze zich jegens Stic verplicht zijn tot naleving van door Stic op te leggen sancties. Die nummerhouders die voor het exploiteren van hun nummers afhankelijk waren van de diensten van een platformaanbieder, dienden een overeenkomst aan te gaan met de platformaanbieder waarvan onvermijdelijk het aanvaarden door een nummerhouder van jegens hem door Stic te treffen sancties deel uitmaakte. De tussenconclusie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven was dan ook dat de nummerhouder dus enkel tengevolge van de wettelijke verplichting voor platformaanbieders om zich aan te sluiten bij Stic, de gelding van door Stic tegen hem te treffen sancties had te dulden, hetgeen duidde op een publiekrechtelijk karakter van de oplegging van de sancties door Stic. De bestreden beslissing tot handhaving van de opgelegde sanctie betrof derhalve een besluit van een bestuursorgaan, zodat de bestuursrechter bevoegd was. Ten slotte volgde in deze zaak een vernietiging op grond van het legaliteitsbeginsel, zoals thans neergelegd in de art. 5:4 en 5:46 lid 1 Awb.26 De toepassing van enerzijds het legaliteitsbeginsel of anderzijds de daarmee verwante tweewegenleer op boetes die zijn gebaseerd op een 'buitenwettelijk' sanctiesysteem ter handhaving van een publieke taak, lijkt op grond van de hierboven besproken jurisprudentie aldus afhankelijk te zijn van het antwoord op de vraag of sprake is van een besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb. Indien wordt uitgegaan van een civielrechtelijke rechtshandeling zal de civiele rechter de betreffende boete afschieten wegens ontoelaatbare doorkruising, terwijl de bestuursrechter hetzelfde zal doen op grond van het legaliteitsbeginsel als hij de boete wel aanmerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Hoewel er dus procedureel de nodige onzekerheid is, juig ik de materiële uitkomst in beide gevallen toe.27
Een terugkerende vraag in de jurisprudentie is of de constatering van een bestuursorgaan dat een bepaalde gedraging verboden is een besluit in de zin van art. 1:3 Awb oplevert. In het verlengde hiervan ligt meer dan eens de vraag voor of een mededeling van een bestuursorgaan omtrent het al dan niet handhavend optreden, zonder dat die mededeling direct (financiële) gevolgen heeft voor de overtreder, op zelfstandig rechtsgevolg is gericht. Met het oog op het voorkomen van al dan niet bestraffende handhaving kan het voor een natuurlijke of rechtspersoon van belang zijn om tevoren duidelijkheid te verkrijgen omtrent de vraag of een voorgenomen gedraging naar het oordeel van het tot handhaving bevoegde bestuursorgaan wettelijk is toegestaan danwel, indien die vraag ontkennend wordt beantwoord, of het bestuur die gedraging zal gedogen. Om met het eerste te beginnen: in tal van wetten is neergelegd dat het bestuur bij overtreding van een wettelijke verbodsbepaling een last of een boete mag opleggen, maar is niet expliciet bepaald dat het bestuur tevoren de bevoegdheid toekomt te beslissen of die gedraging al dan niet onder voorwaarden een overtreding zal opleveren. In de jurisprudentie is in dit verband het leerstuk ontwikkeld dat een bestuurlijk rechtsoordeel omtrent de vraag of een gedraging binnen de reikwijdte van een verbodsbepaling valt of vergunningsplichtig is niet op rechtsgevolg is gericht, tenzij het voor de belanghebbende onevenredig bezwarend is een sanctie uit te lokken of een vergunning aan te vragen.28 Een waarschuwing werd in het verleden gewoonlijk als besluit aangemerkt voor zover die op grond van een beleidsregel fungeerde als voorwaarde voor het kunnen opleggen van een boete bij herhaling van de overtreding.29 De Afdeling en de Centrale Raad zijn daar inmiddels van afgestapt. Eerst met de daadwerkelijke boeteoplegging zou zich het rechtsgevolg aandienen, waarbij dan tevens kan worden beoordeeld of al dan niet sprake is van recidive.30 Wel wordt aan het besluit-begrip vastgehouden indien de waarschuwing zelf een wettelijke grondslag heeft.31 De enkele constatering dat sprake is van een overtreding is op zichzelf uiteraard niet op enig rechtsgevolg gericht.32 In ambtenarenzaken hanteert de Centrale Raad een afwijkend criterium. Als de waarschuwing niet verder gaat dan het hanteren van een normaal sturingsmiddel in de interne verhoudingen is geen sprake van een besluit.33 Volgens vaste Afdelingsjurisprudentie wordt de beslissing niet te gedogen — behoudens zeer bijzondere omstandigheden, die er bijvoorbeeld uit bestaan dat in afwijking van beleid niet wordt gedoogd — niet als besluit aangemerkt.34 Het besluit wel te gedogen daarentegen wel; het rechtsgevolg is immers dat onder eventuele voorwaarden niet wordt gehandhaafd.35 De intrekking van een gedoogvergunning wordt weer niet als besluit aangemerkt; het afwachten van een eventueel handhavingsbesluit zou dan niet onevenredig belastend zijn.36 De herroeping in bezwaar van een gedoogbesluit is net als de primaire gedoogbeslissing weer wel op rechtsgevolg gericht.37 De rechtbank Middelburg nam in de zaak van Coffeeshop Checkpoint aan dat wegens bijzondere omstandigheden de intrekking van de gedoogverklaring wel als een voor bezwaar vatbaar besluit moest worden aangemerkt. Zij overwoog daartoe:
`Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank sprake. Voortzetting van de handel in softdrugs om zo een handhavingsbesluit uit te lokken, heeft naar het oordeel van de rechtbank grote gevolgen voor eisers. Gelet op het Damoclesbeleid en de eerdere sluiting van Checkpoint gedurende 6 maanden is het de rechtbank genoegzaam gebleken dat een volgende overtreding zal leiden tot een definitieve sluiting van Checkpoint. Voorts schendt [naam] bij voortzetting van de handelsactiviteiten in softdrugs de voorwaarde die in strafrechtelijke zin is verbonden aan zijn voorwaardelijke gevangenisstraf.38
Indien een aanvraag wordt gedaan tot het nemen van een besluit waartoe een bestuursorgaan niet of juist wel bevoegd is, zal een onjuist rechtsoordeel van dat bestuursorgaan omtrent diens bevoegdheid eveneens als een op rechtsgevolg gericht besluit worden aangemerkt.39 Als er twijfel mogelijk is of er een publiekrechtelijke taak voor het bestuursorgaan ligt zal een schriftelijk rechtsoordeel met betrekking tot de bevoegdheid tot het nemen van een besluit eveneens als besluit worden gekwalificeerd.40 Voor zover de bevoegdheid duidelijk bij een ander bestuursorgaan ligt wordt een reactie op een verzoek ook wel als een informatieve mededeling aangemerkt. De redenering is dan dat geen aanvraag als bedoeld in art. 1:3 lid 3 Awb gericht aan dat bestuursorgaan kan voorliggen nu dat bestuursorgaan niet bevoegd is op de aanvraag te beslissen.41 In dat geval zal het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Een afwijzing van een aanvraag tot het nemen van een handhavingsbesluit is gelet op art. 1:3 lid 2, laatste zinsdeel, Awb een beschikking. Ingevolge het derde lid van dat artikel wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. Indien een derde het bestuur verzoekt handhavend op te treden, terwijl die derde geen belanghebbende is als bedoeld in art. 1:2 Awb, zal de afwijzing dan ook niet als een besluit worden aangemerkt: er ligt immers geen aanvraag voor.42Voorts speelt hier de vraag hoe concreet een handhavingsverzoek moet zijn om voor aanvraag door te kunnen gaan. Het ligt in de rede hier een materiële benadering te volgen. Indien een belanghebbende concreet benoemt welke gedragingen worden verricht die volgens hem in strijd zijn met de wet- of regelgeving en hij verzoekt het bestuursorgaan daar tegen op te treden, dan mag worden aangenomen dat een handhavingsverzoek voorligt.43
Levert de kennisgeving van een bestuursorgaan dat zij geen boete oplegt een besluit op? Een ambtshalve onderzoek naar een verboden gedraging uitmondend in een mededeling dat het bestuursorgaan geen aanleiding ziet om handhavend op te treden lijkt op zichzelf geen rechtsgevolg te hebben, ook niet indien wel is geconstateerd dat sprake is van een overtreding. In de MvT van het wetvoorstel Vierde tranche Awb wordt echter bij de toelichting bij art. 5:50 Awb opgemerkt:
`De kennisgeving dat geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd, is een besluit in de zin van artikel 1:3; zij is naar haar objectieve strekking immers gericht op het rechtsgevolg, dat de bevoegdheid om voor deze overtreding aan deze overtreder een bestuurlijke boete op te leggen, komt te vervallen. Dit is overigens slechts van praktisch belang, indien een derdebelanghebbende aanwezig is, die dit besluit eventueel zou willen aanvechten.'44
Indien het rechtsgevolg wordt gekoppeld aan het tenietgaan van een bevoegdheid die er voordien wellicht wel was (zie art. 5:43 Awb), is goed verdedigbaar dat een dergelijke kennisgeving inderdaad een besluit oplevert.45 Het besluit een boete van nihil op te leggen sorteert volgens het College van Beroep voor het bedrijfsleven eveneens rechtsgevolg.46
Een besluit heeft materiële rechtskracht zodra het bekend is gemaakt (art. 3:40 Awb), maar heeft pas formele rechtskracht indien de bezwaar- of beroepstermijn ongebruikt is verstreken (art. 6:7 Awb), of indien na tijdig gebruik van de mogelijke rechtsmiddelen het besluit in stand is gelaten door bestuur en/of rechter. Het lijkt vooral een verschil te zijn in tijdstip en duur: waar materiële rechtskracht ziet op gelding, ofwel rechtskracht in enge zin, ziet formele rechtskracht op het rechtens onaantastbaar worden van een besluit ofwel onherroepelijkheid in Awb-terminologie.47 Het leerstuk van de formele rechtskracht is aanvankelijk ontwikkeld in het privaatrecht ter beantwoording van de vraag in hoeverre de burgerlijke rechter zich gebonden diende te achten aan een bestuursbesluit waartegen bestuursrechtelijke rechtsbescherming heeft opengestaan en waarvan al dan niet gebruik is gemaakt. Dit leerstuk is zodoende als middel tot bevoegdheidsafbakening tot ontwikkeling gekomen. Van der Linden stelt dat de burgerlijke rechter slechts over de werking van het besluit inter partes zijn oordeel geeft, waarbij hij ex nunc toetst, zodat de materiële rechtskracht die aan het bestuursbesluit wordt toegekend ook een andere is.48 Scheltema benadrukt de directe verbinding tussen formele rechtskracht en de (on)rechtmatigheid van het besluit.49 Beide zienswijzen sluiten aan op de notie dat de civiele rechter de aanwezigheid van een bestuursbesluit en de onaantastbaarheid ervan niet als een vraag van openbare orde ziet, maar als een kwestie die partijen zelf dienen op te werpen.50 Formele rechtskracht werkt in het burgerlijk recht derhalve vergelijkbaar als vernietigbaarheid en verjaring en gezag van gewijsde van een eerdere uitspraak tussen partijen.51 Het is aldus een rechtsmiddel in civielrechtelijke zin en behoort tot het domein van de feiten.52 Binnen het raamwerk van art. 8:69 van de Awb is het — anders dan in het civiele recht — niet ter vrijheid van partijen om zich te beroepen op een al dan niet onaantastbaar voorliggend besluit.53 Het eventuele voorliggende besluit werkt erga omnes54 en het al dan niet inroepen van een dergelijk besluit valt niet binnen de partij autonomie.
Waarop heeft rechtskracht (en derhalve onherroepelijkheid) van een besluit echter betrekking? Het ligt voor de hand om de rechtskracht van een besluit te vereenzelvigen met de rechtsgevolgen die uit de rechtshandeling voortvloeien (zie art. 8:72 lid 2 Awb), aldus het dictum van het besluit.55 Uiteraard speelt wel dat het besluit is genomen in een wettelijke context. Zo zal een nieuwe aanvraag op grond van een andere wet of veranderde wetgeving geen herhaalde aanvraag zijn als bedoeld in art. 4:6 Awb.56 De vraag is of de onderliggende feitelijke en rechtsoordelen delen in de rechtskracht. Indien in bepaalde gevallen een bestuurlijk rechtsoordeel als besluit wordt aangemerkt impliceert dit toch dat daarmee rechtsgevolgen in het leven worden geroepen, zij het dat die niet automatisch doorwerken naar derden.57 Voorts moet er voor worden gewaakt dat allerlei feitenkwalificaties door het bestuur als deelbeslissing doorwerken in opvolgende besluitvorming. In die gevallen waarin een dergelijke koppeling niet strikt uit de wet volgt acht ik dit uit een oogpunt van rechtsbescherming ongewenst, zeker in die gevallen waarin het gaat om hetzelfde bestuursorgaan.58 Waar de Centrale Raad van Beroep in het verleden wel reeds vanwege de onherroepelijkheid van de herziening wegens inlichtingenverzuim heeft aangenomen dat een boetewaardige gedraging heeft plaatsgehad,59 is hij nadien — terecht — tot het inzicht gekomen dat de rechtskracht van een herzieningsbesluit slechts ziet op de rechtsgevolgen ervan en niet op de daaraan ten grondslag liggende oordelen van feitelijke en juridische aard.60 In fiscale zaken bestaat een koppeling tussen de naheffingsaanslag en de hoogte van de boete. Hetzelfde geldt voor de terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkering en de vaststelling van het boetebedrag. De vraag is dan of een onherroepelijke aanslag of terugvorderingsbeschikking met zich brengt dat bij de afstemming van de boete de hoogte van de benadeling een vaststaand gegeven is. Dat blijkt niet het geval te zijn.61 Ook het Hof van Justitie ziet in de enkele berusting in een terugvorderingsbesluit niet reeds een grondslag voor een daarop voortbordurende punitieve sanctie.62
Van het voorgaande moet worden onderscheiden de situatie dat wetgeving of beleid er in voorziet dat het ene besluit de grondslag vormt voor een ander besluit danwel anderszins doorwerkt voor een volgend besluit. Zo kan bijzondere wetgeving er in voorzien dat een onderdeel van een besluit niet meer aan de orde kan worden gesteld indien dat aspect in een eerdere procedure aan de orde kon komen. In dit verband kan worden gewezen op art. 20.2a Wet milieubeheer (Wm), dat bepaalt dat in een rechterlijke procedure ten aanzien van een besluit, andere rechtshandeling of feitelijke handeling die strekt tot uitvoering van een overeenkomstig art. 5.16 lid 1 Wm genomen besluit of toegepast wettelijk voorschrift, uitsluitend gevolgen voor de luchtkwaliteit kunnen worden aangevoerd voor zover deze redelijkerwijs niet in een eerdere rechterlijke procedure aan de orde zijn of hadden kunnen worden gesteld. Verder vormt in de sociale zekerheid een herzienings- of intrekkingsbesluit veelal een constitutieve voorwaarde voor het nemen van een terugvorderingsbesluit. Indien de intrekking met terugwerkende kracht eenmaal onherroepelijk is kan tegen het terugvorderingsbesluit niet meer het argument worden aangevoerd dat er wel recht bestond op de ingetrokken uitkering.63 Ook kan een eerdere overtreding via een recidivebepaling doorwerken bij de vaststelling van de hoogte van een boete bij een volgende overtreding.64 Daar waar een besluit voortborduurt op het niet nakomen van een eerdere voorwaarde die volgt uit een onherroepelijk besluit, terwijl die voorwaarde voor onjuist wordt gehouden, wil de Centrale Raad van Beroep nog wel eens de daarop voortbordurende vervolgbeslissing vernietigen omdat de betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot het niet opvolgen van de onherroepelijke voorwaarde.65
Ten slotte kan niet altijd klakkeloos van de juistheid van een eerder oordeel van een daartoe op zich wel geëquipeerd bestuursorgaan worden voortgeborduurd door een ander bestuursorgaan.66 Te denken valt aan kwesties inzake de Koppelingswet. Het ligt weliswaar in de rede dat de beslissing omtrent de verblijfstatus van de vreemdeling uitgangspunt vormt voor de vraag of de vreemdeling behoort tot de kring van personen die in aanmerking kunnen komen voor een sociale voorziening, een uitkering of bijstand,67 maar dat neemt niet weg dat met name waar vragen inzake rechtmatig verblijf als EU-onderdaan spelen, het uitkeringsorgaan zelf dient vast te stellen of sprake is van rechtmatig verblijf. De Afdeling heeft in dit kader geoordeeld dat die verblijfstatus niet afhangt van de afgifte van een document door de autoriteiten van de lidstaat en heeft met een beroep op gemeenschapstrouw geoordeeld dat de betrokken bestuursorganen gehouden zijn met elkaar in overleg te treden en zo nodig gezamenlijk het verblijfsrecht van de vreemdeling onderzoeken.68 In ieder geval kan niet blind worden afgegaan op een IND-code. Ook kan de rechter, indien de stukken daartoe aanleiding geven, met het oog op de te nemen beslissing van de uitkeringsinstantie zelf deze verblijfstatus vaststellen.69