Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/2.3.2.2
2.3.2.2 Horizontale natrekking
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS622179:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het zogenaamde Kelderarrest (HR 11 april 1913, NJ1913, 682) wordt bijna altijd genoemd als hét arrest over horizontale natrekking. Dit is echter niet helemaal juist. In dit arrest overwoog de Hoge Raad namelijk: 'dat het zijn van eigenaar van den grond, vanzelf medebreng het zijn van eigenaar van hetgeen op en in den grond is, zonder dat daarvoor enig bewijs behoeft te worden bijgebracht, doch daaromtrent tegenbewijs is toegelaten voor hem die beweert een deel daarvan in eigendom te hebben'. Het Hof concludeerde op grond van deze beslissing dat de kelder, welke behoorde bij een naburig huis, en het daarboven staande huis aan verschillende personen kunnen toebehoren.
Arresten waarin de horizontale natrekking de verticale doorkruist zijn o.m. HR 27 mei 1950, NJ 1951, 197; Hof Den Haag 24 april 1986, NJ 1988, 244; Hof Arnhem 16 juni 1987, NJ 1988, 1049 en Hof Den Bosch 8 juli 1987, NJ 1988, 547. In deze arresten werd de eigenaar van de installatie waaraan de leidingen verbonden waren, als eigenaar beschouwd op basis van de horizontale natrekking.
Rb Maastricht in het tussenvonnis van 25 maart 1999, LIN AA 5402 (eindvonnis 6 april 2000). De betreffende overweging is: 'Tenslotte heeft de rechtbank nog de mogelijkheid onder ogen gezien dat de gemeente Valkenburg aan de Geul — als eigenaar van het perceel grond waarop de (naar onbetwist is:) enige ingang tot het gangenstelsel is gelegen — door horizontale natrekking eigenaar zou zijn geworden van de onderhavige mergel. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval: door genoemde natrekking wordt de gemeente slechts eigenaar van het gangenstelsel, hetgeen inhoudt dat pas nadat een gang is gegraven de gemeente door natrekking eigenaar wordt van die gang. Zolang die gang niet is gegraven — zoals in casu blijft de grondeigenaar derhalve eigenaar van de zich daarin bevindende mergel. '.
Marlet 1974, p. 246 e.v.
Ploeger 1997b, p. 307.
Ploeger 2005a, p. 45.
1-1R 15 november 1991, NJ 1993, 316.
Roggenkamp 1999, 267-268.
Van Velten 1997, p. 670.
Van Velten 2004, p. 13-14.
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 12, p. 18.
Een ander, meer omstreden uitzondering, is de ruimte die door artikel 5:3 jo sub e van artikel 5:20, eerste lid BW wordt geboden. In artikel 5:3 BW staat dat voor zover de wet niet anders bepaalt, de eigenaar van een zaak eigenaar is van al haar bestanddelen. In sub e van artikel 5:20, eerste lid BW is vastgelegd dat gebouwen en werken die duurzaam met de grond verenigd zijn, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken, behoren aan de eigenaar van de grond, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak. Deze laatste zinsnede brengt tot uitdrukking dat bestanddelen van bouwwerken die op of onder eens anders perceel grond staan, eigendom zijn van de eigenaar van die bouwwerken. Voorbeelden hiervan zijn een over de grens gebouwde muur van een huis of een onder iemands anders grond uitstekende kelder. De horizontale natrekking prevaleert dan ook boven de verticale.1 In lagere rechtspraak is de horizontale natrekking ook diverse malen aan de orde gekomen.2 Een verrassende uitspraak3 is die van de rechtbank Maastricht die oordeelde dat de gemeente Valkenburg aan de Geul door horizontale natrekIcing eigenaar is van een gangenstelsel omdat de ingang van het gangenstelsel gelegen is op het perceel van de gemeente.
In de literatuur is door verschillende schrijvers de eigendom van ondergrondse netten gebaseerd op grond van de horizontale natrekking. Hierna volgt een, niet uitputtend, overzicht van meningen. Marlet schrijft in zijn artikel dat de heersende leer vooral voor de nutsbedrijven hier te lande de onbevredigende consequentie heeft dat hun vaak grote-gebieden-omspannende ondergrondse kabel- en leidingenstelsels eigendom zijn van de grondeigenaren in wier percelen deze objecten zich bevinden. Nutsbedrijven zullen in de praktijk een opstalrecht vestigen voor het hebben en houden van boven- of ondergrondse werken, voornamelijk vanwege de verplaatsingskosten van deze werken. Hoewel Marlet het nut van dit zakelijk recht erkent, betwijfelt hij toch of dit recht voor deze doeleinden moet worden gebruikt, als niet eerst vaststaat dat de hier bedoelde werken inderdaad door natrekking eigendom worden van de grondeigenaar:4
`Schrijver dezes is van mening, dat ieder gedeelte van een bovengronds- of ondergronds leidingnet, een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van het gehele nutswerk zodat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van artikel 643 BW is voldaan en deze horizontale natrekking moet prevaleren boven de verticale. Derhalve, ook al zou geen zakelijk recht zijn gevestigd voor het hebben, houden en onderhouden van bedoelde werken, dan toch blijft de eigendom van deze werken gescheiden van de eigendom van de grond, waarin, waarop of waarboven zich deze werken bevinden.'
Ploeger stelt dat bij aanleg van tunnels en leidingen een conflict ontstaat tussen de superficies-regel en de horizontale natrekking:5
`Men kan echter niet van een echt conflict spreken omdat de eenheid die de opstal zelf vormt altijd behouden blijft. Het eenheidsbeginsel (artikel 5:3 BW) stelt de ordeningsregel superficies solo cedit opzij (artikel 5:20 BW). De opstal wordt niet verdeeld, maar blijft een zaak waarvan de eigendom wordt bepaald door de locatie van het hoofdgedeelte. De gehele opstal volgt de eigendom van dit, op het kernperceel gelegen, deel. Voor een leidingennet kan men aansluiting vinden bij een centrale, of bouwwerken als verdeelstations, transformatiehuisjes, etc. Het is dus geenszins nodig om de omvang van het (horizontaal nagetrokken) leidingnet te ver op te rekken. Elk min of meer centraal punt binnen het gehele netwerk kan functioneren als een 'eilandje' dat de onmiddellijk hiermee verbonden leidingen natrekt.'
Ten aanzien van netten stelt Ploeger later overigens dat de horizontale natrekking bij netten niet de gezochte rechtszekerheid oplevert. Het leerstuk heeft namelijk zijn zwakke kanten:6
`Allereerst berust bij horizontale natrekking de eigendom op, boven of in eens anders grond op een feitelijke toestand (het zijn van bestanddeel), en dat is een vaststelling waarop partijen geen invloed hebben. (...) Nadeel is verder de vaagheid van de norm van artikel 3:4 BW. De Depex-criteria die door de Hoge Raad7 zijn ontwikkeld ter invulling van de verkeersopvatting zouden enig houvast kunnen bieden, maar zijn toegesneden op zaken die in een gebouw worden aangebracht, niet op netwerken. Ten slotte is niet duidelijk of de eigendom van een netwerk dan bepaald wordt door de eigendom van het merendeel van de erven waarin de kabels liggen, zijnde in veel gevallen de openbare weg en dus eigendom van de plaatselijke gemeente (...), of dat een netwerk nu juist nagetrokken wordt door centrale punten in het net, zoals transformatorhuisjes en onderstations, die eigendom zijn van de leidingbeheerder.'
Roggenkamp8 heeft in haar dissertatie gesteld dat de ontwikkelingen binnen de jurisprudentie (voorzichtig) dezelfde kant op lijken te gaan als de in de literatuur verdedigde opvatting dat horizontale natrekking prevaleert boven de verticale natrekking. Pijpleidingen zouden immers onderdeel uitmaken van een aaneengesloten netwerk bestaande uit bovengrondse en ondergrondse werken die in constructief opzicht op elkaar zijn afgestemd (bovengrondse installaties zijn incompleet zonder ondergrondse pijpleidingen). Van Velten9 construeert in beginsel eveneens de eigendom van ondergrondse netwerken op grond van horizontale natrekking. Als sprake is van een beperkt kabelnet dat zijn oorsprong vindt in een nabijgelegen 'moeder-erf', kan waarschijnlijk worden gesproken over horizontale natrekking; de eigenaar van het moeder-erf (de kabelexploitant) is in die visie ook eigenaar van het daarmee verbonden kabelnet. In zijn latere preadvies beschrijft hij dit nogmaals door middel van zijn zogenaamde paddenstoeltheorie:10
`Uitgaande van het beginsel der horizontale natrekking kan deze kwestie veelal worden opgelost door op zoek te gaan naar wat men kan aanduiden als 'kernpercelen' of 'moedererven' . Immers, vrijwel elke ondergrondse infrastructuur beschikt over enkele bovengrondse knooppunten, zoals een centrale, alsmede diverse transformatorruimten, aanjaagstations, enzovoorts, en meestal is de gerechtigde tot het netwerk tevens eigenaar (eventueel erfpachter of opstalhouder) van die knooppunten. De gelijkenis met paddenstoelen dringt zich op. Door alle paddenstoelen (de 'kernpercelen' of `moedererven') op de voor onroerende zaken voorgeschreven wijze over te dragen en in de desbetreffende notariële akte bovendien te vermelden dat de daarmee verbonden ondergrondse infrastructuur op basis van horizontale eigendom mee is begrepen in de overdracht zal het beoogde doel in de meeste gevallen aldus kunnen worden bereikt.'
Kortom, lange tijd is door diverse schrijvers ervoor gepleit dat, bij gebrek aan een gevestigd recht van opstal, de eigendom van ondergrondse leidingnetten, zij het soms met moeite, via de leer van de horizontale natrekking geconstrueerd kan worden. Dit leerstuk is door inwerkingtreding van de nieuwe eigendomsregeling betreffende netten niet volledig overbodig geworden. Tijdens de parlementaire behandeling van de nieuwe eigendomsregeling is weergegeven dat wanneer de nieuwe regeling niet opgaat er evenwel plaats kan zijn voor horizontale natrekking als basis voor eigendomsverkrijging.11