Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/17.4.4
17.4.4 Vordering tot teruglevering?
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367339:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 17.4.3.3.
Zie Hof Amsterdam (OK) 10 november 2010, JOR 2011/9 m.nt. M.W. Josephus Jitta en de uitleg daarvan in r.o. 4.2.2 van HR 23 maart 2012, NJ 2012/393 m.nt. Van Schilfgaarde,JOR 2012/141 m.nt. Josephus Jitta en Barkhuysen (e-Traction-II): “Dit kan niet anders worden begrepen dan dat, naar het oordeel van de ondernemingskamer, dit beheer en daarmee de door haar getroffen voorziening op juiste en aanvaardbare wijze waren afgewikkeld, in de vorm van de certificering, het aangaan van de geldlening en het verlenen van de optie.”
HR 23 maart 2012, NJ 2012/393 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2012/141 m.nt. Josephus Jitta en Barkhuysen (e-Traction-II).
Josephus Jitta en Barkhuysen in genoemde noten bij de desbetreffende beschikkingen, Buijn en Storm, p. 1088 en 1089, Compendium 2013, voetnoot 349 op p. 1793 en Te Winkel en Van de Graaff, par. 3. Ook Kemp (diss., par. 7.4.6) lijkt kritisch te staan tegenover deze beschikkingen.
Bijvoorbeeld met een beroep op art. 6:23 BW dat inhoudt dat een opschortende voorwaarde als vervuld heeft te gelden, indien de vervulling daarvan is belet door een partij die daarbij belang had (een medeaandeelhouder, de beheerder, de ondernemingskamer?) en redelijkheid en billijkheid dit verlangen.
Zie par. 5.3.2.
Uit de e-Traction-enquêteprocedure1 kan tevens worden afgeleid dat de ondernemingskamer van oordeel is dat de oorspronkelijke aandeelhouder geen vordering tot teruglevering van de ten titel van beheer overgedragen aandelen heeft, ook niet onder opschortende voorwaarde van beëindiging van de (onmiddellijke) voorziening. Indien de ondernemingskamer was uitgegaan van een vordering tot teruglevering, dan zou zij in het kader van de beëindiging van de eindvoorziening ervoor hebben zorggedragen dat deze aandelen zouden worden teruggeleverd. In plaats daarvan liet de ondernemingskamer de certificering echter in stand toen zij de eindvoorziening beëindigde.2
In cassatie3 kon deze kwestie niet aan de orde komen, omdat was verzuimd om tijdig in cassatie te komen tegen de twee in de vorige alinea genoemde beschikkingen van de ondernemingskamer. Die beschikkingen zijn bekritiseerd in de conclusie van de AG en de literatuur,4 maar niet op basis van het argument dat de oorspronkelijke aandeelhouder een vordering tot teruglevering heeft (zie hierover par. 17.6.3.4).
Een vordering tot teruglevering past voorts niet in het systeem van het enquêterecht. Het terugleveren van de aandelen dient immers zijn grondslag te hebben in een beschikking van de ondernemingskamer. Zolang niet uit een beschikking is af te leiden dat de aandelen terug mogen worden geleverd, is sprake van een (verboden)5 ongedaanmaking van de desbetreffende (onmiddellijke) voorziening. Het bestaan van een vordering tot teruglevering is daarmee niet verenigbaar, omdat dit zou impliceren dat de oorspronkelijke aandeelhouder zich tot de rechtbank zou kunnen wenden ter zake van de teruglevering van de aandelen6 en zou kunnen vorderen dat de ondernemingskamer bij beschikking de aandelen teruglevert.
Wel mag de oorspronkelijke aandeelhouder (behoudens bijzondere omstandigheden) een gerechtvaardigd vertrouwen hebben dat de aandelen bij de beëindiging van de beheeropdracht worden teruggeleverd. In termen van art. 1 EP is dan sprake van een legitimate expectation of obtaining effective enjoyment of a property right, hetgeen kwalificeert als een eigendomsrecht in de zin van art. 1 EP.7 Het schenden van een dergelijke verwachting dient aan dezelfde voorwaarden te voldoen als een inmenging in een eigendomsrecht als bedoeld in art. 1 EP.