De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/3.3.5.6:3.3.5.6 Interfisc
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/3.3.5.6
3.3.5.6 Interfisc
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS375810:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
OK 3 juni 2013, JOR 2013/241 m.nt. De Groot (Interfisc).
OK 3 juni 2013, JOR 2013/241 m.nt. De Groot (Interfisc), r.o. 3.13-3.15. Over het aandeelhouderschap van Ravil tast de OK zelfs “volledig in het duister” (r.o. 3.13).
Zie Spruitenburg (2015), p. 469-470.
In gelijke zin De Groot in nr. 8 van zijn noot bij OK 3 juni 2013, JOR 2013/241 (Interfisc).
Spruitenburg (2015), p. 470.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste beschikking die de OK wijst na Chinese Workers is die inzake Interfisc.1 Mevrouw Scholte verzoekt een enquête bij Interfisc Holding BV (verder: Interfisc) op basis van haar economische gerechtigdheid tot de certificaten in die vennootschap. Zij beroept zich daarbij op de Chinese Workers-beschikking.
Scholte voert kort gezegd het volgende aan. Zij meent dat ze na het overlijden van haar man Mahieu senior een verschaffer van risicodragend kapitaal is geworden in Ravil, een NV naar het recht van Curaçao, en Mahieu Beheer BV. Deze vennootschappen zijn op hun beurt de certificaathouders van Interfisc. Het lukt Scholte echter niet de OK te overtuigen. De daarvoor reden is tweeledig. Ten eerste oordeelt de OK dat niet duidelijk is of Mahieu senior ten tijde van zijn overlijden de (certificaten van) aandelen hield in Ravil en Mahieu Beheer.2 Ten tweede is de nalatenschap van Mahieu senior volgens de OK niet zodanig afgewikkeld dat Scholte moet worden aangemerkt als houdster van de (certificaten van) aandelen. Of zij in haar hoedanigheid van erfgenaam een economisch belang heeft bij de (certificaten van) aandelen die tot de onverdeelde nalatenschap behoren, kan de OK niet vaststellen. Scholte is namelijk erfgenaam van Mahieu senior naar het recht van Curaçao. Een overeenkomstige toepassing van de Butôt-beschikking, waarin het ook gaat om erfgenamen bij een onverdeelde nalatenschap, is op deze casus dus niet mogelijk. De conclusie uit deze drie omstandigheden is dat Scholte onvoldoende heeft gesteld en toegelicht om als een verschaffer van risicodragend kapitaal in Raviel of Mahieu Beheer te worden aangemerkt. Haar beroep op de economische gerechtigdheid loopt daarmee ‘in de top van het concern’ vast. Het eindoordeel van de OK luidt mijns inziens terecht dat Scholte geen economisch belang heeft in Interfisc, dat op één lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder.3
De vraag of de omstandigheden van dit geval meebrengen of Scholte via de door haar gestelde participatie in Raviel of Mahieu Beheer economisch gerechtigd is tot de certificaten in Interfisc komt derhalve niet aan de orde. Ik zou het volgende antwoord geven. Indien Scholte aangemerkt kan worden als verschaffer van risicodragend kapitaal in Raviel of Mahieu Beheer maakt dat haar nog niet enquêtebevoegd bij Interfisc. Scholte is in dat geval slechts een indirecte certificaathouder van Interfisc. Tussen Scholte en Interfisc bevinden zich namelijk nog diverse andere (buitenlandse) entiteiten.4 Een betoog van Scholte gericht op de vereisten voor de economische gerechtigdheid ontbreekt. Ze voert in het geheel geen omstandigheden aan waaruit blijkt dat (1) de certificaten voor haar rekening en risico worden gehouden en (2) dat haar een vorderingsrecht op de (opbrengsten van de) stukken toekomt (conform Scheipar/Butôt/TESN), en/of (3) dat de tussenliggende entiteiten geen reële betekenis toekomt (conform Chinese Workers). Er is naar mijn mening dan ook geen reden om de door haar gestelde participatie in Raviel of Mahieu Beheer gelijk te stellen met het belang van een rechtstreekse certificaathouder in Interfisc.5