Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/4.3.2.2
4.3.2.2 De rol van de aangifte
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270185:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 januari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AX0091, BNB 1980/156 en Douma 2019, p. 110.
Feteris 2007, p. 261.
Het ligt wel iets genuanceerder, over dit onderwerp meer in § 4.3.2.3.
HR 29 augustus 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6923, BNB 2001/5.
HR 26 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW7822, BNB 1987/26.
Douma 2019, p. 111.
Douma 2019, p. 112.
Daarover meer in § 4.3.3 en in § 5.3.6.
Douma 2019, p. 111.
HR 23 februari 1977, ECLI:NL:HR:1977:AX3323, BNB 1977/113.
HR 11 november 1964, ECLI:NL:HR:1964:AX7205, BNB 1965/25.
Douma 2019, p. 111.
Gebondenheid?
In het proces van fiscale waarheidsvinding heeft de aangifte een belangrijke functie aangezien deze informatie bevat die relevant is voor de realisatie van de richtige belastingheffing. Anderzijds is de aangifte slechts een hulpmiddel. De inspecteur kan er immers van afwijken en (op grond van art. 11 lid 2 AWR) ook zonder aangifte een aanslag vaststellen.1 Soms is de inspecteur überhaupt in staat zonder aangifte een belastingaanslag vast te stellen, zoals bijvoorbeeld gebruikelijk is bij de gemeentelijke onroerendezaakbelastingen, zo schrijft Feteris.2
Omdat de aangifte slechts een hulpmiddel is, is een belastingplichtige, zolang de aanslag niet onherroepelijk vaststaat, andersom ook niet gebonden aan standpunten in die aangifte. Met wijzigingen ten aanzien van reeds ingediende aangiften moet door de inspecteur, in ieder geval tot aan de aanslagoplegging, in beginsel dus rekening worden gehouden.3 In de jurisprudentie is deze hoofdlijn de geldende, bijvoorbeeld in situaties waarin een belastingplichtige keuzerecht in de zin van artt. 1.3, 2.5 of 2.17 wet IB 2001 heeft,4 of indien een belastingplichtige in de winstsfeer vermogen moet etiketteren.5 Eén en ander geldt onverkort, dus ook indien de aangiftetermijn al verstreken is. Voor de aanvulling gelden geen vormvereisten.6 Heeft belastingplichtige bepaalde feiten als juist opgenomen en wenst hij zich bij nader inzien op de onjuistheid daarvan te beroepen, dan zal dat in de regel een nadere verklaring vergen, meent Douma.7
Rol van de aangifte hangt van de heffingsmethode
De rol van de aangifte verschilt naar gelang het type belasting en de daaraan gekoppelde heffingsmethode. In het geval van aanslagbelastingen vormt de aangifte een hulpmiddel, in die zin dat deze de voor de aanslag benodigde gegevens moet aandragen. Ondanks het feit dat de inspecteur van de aangifte kan afwijken en ook zonder een aangifte een aanslag op kan leggen, is de aangifte voor de inspecteur een relevant startpunt in het kader van (richtige) belastingheffing. De aangifte speelt aan de andere kant een kleinere rol in de sfeer van de aangiftebelastingen: de inspecteur legt bij dit type belasting geen primitieve aanslag op en de belangrijkste verplichting bij dit type belastingen is de betaling van het verschuldigde bedrag. De aangifte vormt niet meer dan een toelichting op de betaling en dient daarbij als een soort geleidenota. Ondanks het feit dat niet de aangifte maar de betaling centraal staat, is de functie van een geleidenota wel een nuttige. De fiscus kan dan in ieder geval de betaling ‘plaatsen’, zo meent Douma.8 De consequentie van dit systeem is dat, in het geval van aanslagbelastingen, één gedraging centraal staat (gedrag betrekking hebbend op de aangifteplicht), terwijl het bij aangiftebelastingen om twee gedragingen gaat (gedrag betrekking hebbend op de aangifteplicht en gedrag gerelateerd aan de betaling). De vraag is of in dit laatste geval gesproken kan worden van twee aparte gedragingen.9
Informatie in de aangifte
Alhoewel de aangifte in theorie slechts een hulpmiddel is en steeds meer informatie al voortijdig in handen van de fiscus is (getuige ook de VIA), is de aangifte voor de fiscus belangrijk. Welke informatie kan de fiscus verkrijgen door middel van het uitnodigen tot het doen van aangifte? De informatie varieert naar gelang het type belasting. De aangiftebrief bestaat uit (veelal gesloten) vragen en de mogelijkheid de antwoorden van bewijs te voorzien. De aangifte inkomstenbelasting behelst bijvoorbeeld een vragenlijst met vragen inzake inkomensbronnen. Voor het doen van deze aangifte heeft een belastingplichtige natuurlijk persoon dan ook een BSN, rekeningnummers en jaaropgaven nodig, maar ook gegevens van leningen en schulden. In geval van een eigen woning heeft belastingplichtige vanzelfsprekend ook waarde voor de Wet Onroerende Zaken (hierna: WOZ) en de jaaropgaaf hypotheek nodig. De aangiften vennootschapsbelasting en btw behelzen vragen inzake de winst(berekening) en omzet(berekening) en dus zijn gegevens nodig die herleidbaar zijn tot de balans en resultatenrekening van een onderneming. Gedacht kan worden aan bewijs van zakelijkheid van kosten en gegevens inzake deelnemingen en overeenkomsten betreffende geldleningen. Samengevat levert de aangifte vooral feitelijke informatie op.
Bewijs
Naast de rol van hulpmiddel of geleidenota in het kader van de realisatie van richtige of juiste heffing, speelt de aangifte ook een rol in het kader van bewijs. Zo schrijft Douma dat de aangifte van belang kan zijn voor de beantwoording van de vraag of belastingplichtige bij de vaststelling van een vergrijpboete of strafrechtelijke sanctie opzet of grove schuld ter zake van het onjuist of onvolledig doen van de aangifte kan worden verweten.10 Ook in het kader van de bewijslastverdelingkan de aangifte van belang zijn. Het uitgangspunt is als volgt: wanneer de inspecteur meer belasting wil heffen dan overeenstemt met de aangifte, rust op hem in het algemeen de bewijslast.11 Het omgekeerde geldt ook: als de belastingplichtige bezwaar maakt tegen een aanslag met het argument dat hij tot een te hoog bedrag aangifte heeft gedaan, dan rust op hem de bewijslast.12 Heeft de belastingplichtige bepaalde feiten als juist opgenomen, en wenst hij zich bij nader inzien op de onjuistheid daarvan te beroepen, dan zal dat in de regel nadere verklaring vergen.13