Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/3.3.2
3.3.2 Karakter
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947731:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Schabas 2015, p. 1014; Golubok 2009, p. 365.
Schabas 2015, p. 1015. Omdat alleen democratieën mogen toetreden tot de Raad van Europa en het EVRM, werd een juridische verplichtingen om verkiezingen te organiseren eenvoudig geaccepteerd door de lidstaten. Zie bijvoorbeeld Wagner 2010, p. 184.
Het opstellen van zo’n Protocol mag overigens geen bijzonderheid (meer) heten: tot op heden zijn er nog vijftien Protocollen bijgekomen.
ECRM 30 mei 1977, nr. 6745/74 en 6746/74, (W, X, Y & Z/Belgium); Golubok 2009, p. 366-367.
EHRM 2 maart 1987, ECLI:CE:ECHR:1987:0302JUD000926781 (Mathieu-Mohin and Clerfayt/Belgium), par. 49.
Zie ook art. 5 Protocol 1 EVRM: ‘De Hoge Verdragsluitende Partijen beschouwen de artikelen 1,2,3 en 4 van dit Protocol als aanvullende artikelen van het Verdrag en alle bepalingen van het Verdrag zijn dienovereenkomstig van toepassing.’ Zie ook bijvoorbeeld EHRM 8 juli 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0708JUD001022603 (Yumak and Sadak/Turkey), par. 109.
Het aantal art. 3 Protocol 1-zaken bedroeg, althans in 2017, echter nog steeds minder dan 1% van alle zaken voor het EHRM. Zie Bodnár 2017, p. 52.
Naar de letter van de bepaling richt artikel 3 Protocol 1 EVRM zich uitsluitend tot de lidstaten van de Raad van Europa. Het zijn volgens het artikel immers de verdragspartijen die gehouden zijn om verkiezingen te organiseren. Enerzijds is dat niet vreemd, nu een vrij en eerlijk verkiezingsverloop zonder overheidsinspanning ondenkbaar is. Het zullen de overheidsinstanties moeten zijn die de verkiezingen uitschrijven, kandidatenlijsten uitdelen, voor voldoende stembureaus en -biljetten zorgen, enzovoorts. Anderzijds is het rechtstreeks adresseren van de lidstaten echter opvallend, omdat de kiesrechtbepaling zich daarmee onderscheidt van de andere in het EVRM en aanvullende protocollen opgenomen grondrechten, die zich in de regel rechtstreeks tot de burger richten. Naar de letter van de bepaling, waaraan geen subjectief recht is te ontlenen, lijkt van een daadwerkelijk grondrecht op het eerste gezicht geen sprake.
Dit was dan ook een van de belangrijkste bezwaren die tijdens de travaux préparatoires van het EVRM werden aangedragen tegen het opnemen van een aan het kiesrecht gewijde bepaling. Oorspronkelijk had de bepaling in het EVRM zelf terecht moeten komen. Door zich echter expliciet tot de overheid te richten, onderscheidde de bepaling zich van de andere rechten in het EVRM en zou zij daarom niet passen in het systeem van het verdrag. Daarnaast rees de vraag of internationale consensus over de betekenis van een kiesrechtbepaling wel mogelijk was, gegeven de grote verschillen tussen de kiesrechtsystemen van de lidstaten.1 Nadat de (over deze kwesties hevig verdeelde) lidstaten het idee van een kiesrechtbepaling enige tijd terzijde had geschoven, gaf het argument dat het EVRM aandacht moest besteden aan democratische instituties, uiteindelijk de doorslag. Dergelijke instituties zijn immers een voorwaarde voor de effectieve uitoefening van fundamentele rechten, zo luidde de redenering.2 De werkzaamheden ter voorbereiding van het EVRM waren op dat moment echter al zo ver gevorderd, dat werd besloten het kiesrecht in een aanvullend Protocol vast te leggen.3 Zo werd het kiesrecht anderhalf jaar na ondertekening van het EVRM alsnog door de lidstaten als mensenrecht erkend.
In eerste instantie was ook de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens, een van de voorgangers van het EHRM, de mening toegedaan dat artikel 3 Protocol 1 EVRM geen recht betreft waar burgers rechtstreeks een beroep op konden doen. In de loop der jaren veranderde dit standpunt echter. In 1975 erkende de Commissie onomwonden dat sprake was van een individueel recht.4 Het EHRM nam dit standpunt over in de eerste uitspraak die het deed over artikel 3 Protocol 1 EVRM5 Het EHRM oordeelde dat de artikelen van Protocol 1 beschouwd moesten worden als aanvullend op de artikelen van het EVRM en dus wel degelijk het karakter van een individueel in te roepen recht hadden.6 Uit de travaux préparatoires kon het Hof daarnaast niet afleiden dat artikel 3 Protocol 1 was uitgezonderd van het recht ex artikel 34 EVRM om bij het Hof individuele verzoekschriften inzake schendingen van het EVRM in te dienen. Het Hof beschouwt artikel 3 Protocol 1 EVRM dus als een subjectief recht, dat daarbij uiteenvalt in een actief aspect (het recht om te kiezen) en een passief aspect (het recht om gekozen te worden).
Deze beslissing viel in een tijd waarin met name Centraal- en Oost-Europese landen, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de val van de Muur een democratische transitie doormaakten. Vaak wensten deze landen lid te worden van de Raad van Europa. Vrije en eerlijke verkiezingen verwerden zo in rap tempo van een uitsluitend nationale aangelegenheid tot een thema dat internationale aandacht genoot. Het oordeel van het Hof in Mathieu-Mohin droeg hier uiteraard aan bij en bleek het startschot voor een gestaag oplopende hoeveelheid arresten over artikel 3 Protocol 1, die daarmee een belangrijke bron zijn gaan vormen voor de uitleg van het kiesrecht.7