Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.3.2.2
3.3.2.2 ‘Criminal’-begrip
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS489443:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Feteris 2002(a), p. 49.
EHRM 8 juni 1976 (Engel e.a. t. Nederland), NJ 1978/223; AA 1977/55 (m.nt. Alkema).
§ 80 e.v. De ernst van het door de verdachte begane feit speelt geen rol. Vgl. EHRM 21 februari 1984 (Öztürk t. Duitsland), NJ 1988, 937 en EHRM 25 augustus 1987 (Lutz t. Duitsland), NJ 1988, 938 (beide m.nt. Alkema).
EHRM 3 juni 2003 (Morel t. Frankrijk).
EHRM 23 november 2006 (Jussila t. Finland),BNB 2007/150 (m.nt. Feteris); AB 2007/51 (m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik).
Dit ter onderscheiding van straffen met een disciplinair karakter, zoals die in de tuchtrechtspraak worden opgelegd.
Den Houdijker 2006, p. 21, wijst erop dat hoewel er een nauwe verbondenheid bestaat tussen het begrip ‘punitief’ en het begrip ‘criminal’ uit art. 6, er strikt genomen geen sprake is van een een-op-eenrelatie. In EHRM 21 februari 1984 (Öztürk t. Duitsland), NJ 1988, 937, hecht het Hof niettemin groot belang aan het punitieve karakter van de sanctie.
EHRM 16 mei 2000 (Georgiou t. Verenigd Koninkrijk) (ontv.besl.), § 1.
EHRM 21 februari 1984 (Öztürk t. Duitsland), NJ 1988, 937 (m.nt. Alkema), § 46 e.v.
EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 67.
Zie in dit verband Ölçer 2012, p. 39, die meent dat ’s Hofs uitspraak in EHRM 20 september 2011 (OAO Neftyanaya Kompaniya Yukos t. Rusland), deze kwestie alleen maar onduidelijker heeft gemaakt.
Art. 6 EVRM is geschreven met het oog op strafrechtelijke procedures waarin de overheid het initiatief moet nemen voor de (straf)procedure en de rechter de sanctie aan de verdachte oplegt.1 In de zaak Engel ontwikkelt het EHRM drie criteria voor de beoordeling of een sanctie een strafkarakter heeft (en niet disciplinair).2 Ten eerste is van belang of de (wet)tekst die de overtreding definieert in de verdragsstaat tot het strafrecht behoort. Is aan dit criterium voldaan dan is sprake van een criminal charge. Zo nee, dan komen twee andere criteria in beeld, te weten de aard van de overtreding en de aard en zwaarte van de (maximaal bedreigde) straf.3 Deze criteria zijn alternatief van aard. Zij hoeven dus niet beide vervuld te zijn, wil een sanctie als criminal charge in zin van art. 6 EVRM kwalificeren. Een uitzondering hierop vormt de ontvankelijkheidsbeslissing in de zaak Morel, waarin de criteria cumulatief worden gehanteerd en een fiscale geldboete, ondanks de gerichtheid daarvan op leedtoevoeging, vanwege de zeer beperkte hoogte niet als criminal charge wordt aangemerkt.4 Deze beslissing is uitdrukkelijk herroepen in de zaak Jussila. Daarin wordt nader ingegaan op de onderlinge verhouding tussen de drie criteria.5 Zie daarover § 3.3.4 hierna.
Sanctieoplegging in niet-gerechtelijke procedures
Ook een niet-gerechtelijke procedure waarin een burger door de overheid zelf wordt bestraft voor de overtreding van voorschrift, zal moeten voldoen aan de procedurele waarborgen in art. 6, mits die straf een ‘criminal’ ofwel punitief· karakter heeft.6 Dan kan vooral worden gedacht aan geldboetes die punitief en afschrikwekkend van aard zijn en worden opgelegd door bestuursorganen.7 Bijvoorbeeld het opleggen van een geldboete door een bestuursorgaan. Zie de zaak Georgiou, waarin de boeteprocedure naar nationaal recht vooral civiel en niet zozeer ‘punitief’ van aard was. Ter zake overweegt het Hof dat ‘the penalty was intended as a punishment to deter re-offending, its purpose was both deterrent and punitive and the penalty itself was substantial. These factors taken together indicate that the penalty imposed in the present case was a ‘criminal charge’ within the meaning of Article 6 § 1.’8
Bestuurlijke procedures kunnen ook een strafkarakter hebben
Vanwege de autonome uitleg van het ‘criminal’-begrip door het EHRM, kan het zo zijn dat procedures die binnen de nationale rechtsorde van een verdragsstaat tot het bestuursrecht behoren een strafkarakter hebben, omdat daarin ‘the determination of a criminal charge’ aan de orde is. Zie het arrest in de zaak Öztürk. Daaruit volgt dat iedere overtreding die bedreigd wordt met een punitieve sanctie – bestuurlijk of strafrechtelijk, maar niet tuchtrechtelijk – en die gericht is tot alle burgers, strafrechtelijk van aard is in de zin van art. 6 EVRM.9 Zie ook het arrest in de zaak Saunders. Daarin overweegt het Hof, onder verwijzing naar de autonome uitleg van het begrip, dat een bestuurlijk onderzoek de vaststelling van een criminal charge kan behelzen.10
Ik wijs hier nog op de zaak Yukos. Daarin was onder meer de vraag aan de orde of het punitief gebruik van de fiscale instrumenten van navordering en naheffing de desbetreffende (belasting)procedures ook onder werking van art. 6 EVRM kan laten vallen. Deze vraag laat zich ook na deze uitspraak niet werkelijk beantwoorden.11