Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht (R&P nr. InsR6) 2015/6.3.3:6.3.3 Geen behoorlijke rechtspleging
Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht (R&P nr. InsR6) 2015/6.3.3
6.3.3 Geen behoorlijke rechtspleging
Documentgegevens:
mr. B.J. Engberts, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
mr. B.J. Engberts
- JCDI
JCDI:ADS614207:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Schuldsanering natuurlijke personen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 2 mei 2006, NJ 2010/93, m.nt. Vlas, JOR 2006/224, m.nt. Veder, AA 2006, 907, m.nt. Vriesendorp. Zie tevens par. 2.5.9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een belangrijke vaststelling van onderhavig onderzoek is dat de procedures van art. 287 lid 4, 287a en 287b in de praktijk niet voldoen aan de eisen die aan een behoorlijke rechtspleging worden gesteld, omdat het beginsel van hoor en wederhoor (zeer geregeld) wordt geschonden. Naast het niet-oproepen van belanghebbenden in 287 lid 4-procedures, betreft dit het niet-verstrekken van alle bij de 287 lid 4-, 287a- en 287b-verzoeken behorende stukken aan de belanghebbenden (de schuldeisers).
Het niet-naleven van het beginsel van hoor en wederhoor is mogelijk verklaarbaar uit de kenmerken van het insolventieprocesrecht, dat minder gericht is op het voeren van een contentieuze procedure. Het op gelijke wijze informeren en horen van beide partijen in procedures lijkt daardoor in het insolventieprocesrecht minder goed ontwikkeld. Daar komt bij dat in het schuldsaneringsrecht de schuldenaar centraal staat. Daaruit vloeit een zekere terughoudendheid voort om de schuldeiser het volledige Wsnp-verzoek toe te zenden. De heersende gedachte in het insolventieprocesrecht is dat in het Wsnp-verzoek privézaken staan waarover de schuldeiser bij behandeling van een Wsnp-verzoek derhalve niet wordt geïnformeerd, zodat er geen reden is dat in de procedures van art. 287 lid 4, 287a en 287b wel te doen. Dit argument overtuigt geenszins. Ik roep hier in herinnering dat het Hof van Justitie in het Eurofood-arrest heeft overwogen dat het beginsel van hoor en wederhoor een ‘eminente’ plaats inneemt in de organisatie en het verloop van een eerlijk proces en dat ‘In het kader van een insolvabiliteitsprocedure (…) het recht van de schuldeisers of hun vertegenwoordigers om met eerbiediging van het beginsel van de processuele gelijkheid deel te nemen aan de procedure, van bijzonder belang’ is.1 Deze overweging ziet dus specifiek op het insolventieprocesrecht. Elke beperking van de uitoefening van dat recht moet volgens het Hof van Justitie ‘genoegzaam worden gerechtvaardigd en gepaard gaan met procedurele waarborgen die de bij een dergelijke procedure betrokken personen een daadwerkelijke mogelijkheid bieden om de spoedeisende maatregelen te betwisten.’ Waar de schuldenaar van de schuldeiser verlangt dat hij een (groot) deel van zijn vordering prijsgeeft (art. 287a) of zijn executoriale titel niet ten uitvoer legt (art. 287 lid 4 en 287b), dient de schuldeiser zo volledig mogelijk te worden geïnformeerd over (de totstandkoming van) deze verzoeken. Het spoedeisende karakter van de procedures, zo is in dit onderzoek gebleken, staat daaraan niet in de weg.