De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/8.4.1:8.4.1 Inleiding
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/8.4.1
8.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS392824:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragrafen is ingegaan op het positieve recht en de wenselijke invulling daarvan. In deze paragraaf wordt ingegaan op het wenselijke recht, het van het positieve recht en de wenselijke invulling daarvan afwijkende recht (paragraaf 1.3). In paragraaf 7.7.2 is ingegaan op de invulling van het begrip zetel van bedrijfsuitoefening van een belastingplichtige bij toepassing van art. 45 btw-richtlijn, dat uitgaat van de werkelijke bedrijfsuitoefening. De vraag moet worden gesteld in hoeverre een dergelijke invulling wenselijk/mogelijk is bij toepassing van art. 44 btw-richtlijn (tekst vanaf 2010). Dit wordt aan de orde gesteld in paragraaf 8.4.2. In paragraaf 8.2.2 heb ik beschreven dat het mijns inziens niet de voorkeur heeft om een passieve vestiging van een belastingplichtige als vaste inrichting te beschouwen. Dit betekent echter dat zich eenvoudiger de situatie kan voordoen waarin een dienstverrichter aanneemt met een vaste inrichting van zijn afnemer van doen te hebben, terwijl dit feitelijk niet zo is. Ik heb een aantal methoden geschetst om dit te voorkomen. In paragraaf 8.4.3 zullen deze nader worden uitgewerkt.
In paragraaf 8.3.4 heb ik beschreven dat de primaire vestigingsplaats van een niet-belastingplichtige rechtspersoon of niet-belastingplichtig samenwerkingsverband op basis van de criteria geformuleerd in de zaak Planzer Luxembourg op dezelfde wijze kan worden vastgesteld als voor belastingplichtige rechtspersonen en samenwerkingsverbanden. In paragraaf 7.7.2 heb ik beschreven dat de zetel van bedrijfsuitoefening van een belastingplichtige zou moeten worden bepaald door te kijken naar de werkelijke bedrijfsuitoefening. Indien we bij belastingplichtigen naar de werkelijke bedrijfsuitoefening kijken, moet de vraag worden gesteld hoe bij niet-belastingplichtigen moet worden vastgesteld waar zij hun primaire vestigingsplaats hebben. De vraag die daarbij rijst is of aangeknoopt kan worden bij de plaats waar zij hun activiteiten uitoefenen. In paragraaf 8.4.4 zal daaraan aandacht worden besteed.