Het systeem van sanctionering van fiscale fraude
Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/6.5.5:6.5.5 Tussenstand
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/6.5.5
6.5.5 Tussenstand
Documentgegevens:
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270038:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 113 lid 1 Gw bepaalt dat de berechting van strafbare feiten aan de rechterlijke macht is opgedragen. Voor een mooie bijdrage over de constitutionele houdbaarheid van de strafbeschikking wordt verwezen naar T. Kooijmans, De afdoening door de strafbeschikking in het licht van art. 113 Gw in: Tekst en Commentaar Kluwer Navigator, art. 257a WvSv, A.L. Melai en M.S. Groenhuijsen, e.a.,
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De strafbeschikking is in verschillende opzichten bijzonder. Voorop staat het feit dat sprake is van een buitengerechtelijke afdoeningsmodaliteit, waardoor inbreuk wordt gemaakt op art. 113 Grondwet.1 In dit verband verbaast de fiscale strafbeschikking en is de meerwaarde hiervan moeilijk te verklaren. De Belastingdienst had immers zelf al de mogelijkheid bestuurlijke boeten op te leggen, zonder dat daarbij een rechter was betrokken.
Via de sanctioneringsmodaliteit van de strafbeschikking kan een geldboete worden opgelegd en ook kunnen aanwijzingen worden gegeven. Onder die aanwijzingen vallen de mogelijkheid van verbeurdverklaring en ontneming. Alleen via de strafrechtelijke strafbeschikking wordt ook de oplegging van een taakstraf mogelijk gemaakt. De mogelijkheid van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel bij de fiscale strafbeschikking doet in het licht van art. 74 AWR vooral vreemd aan.
Voorts valt op dat de fiscus vóór de invoering van de strafbeschikkingen de exclusieve bevoegdheid had om zelf te transigeren in fiscale fraudezaken. In art. 76 AWR werd art. 74 WvSr expliciet buiten toepassing verklaard. Dit is nu niet meer het geval. Het OM heeft de bevoegdheid om ook in fiscale zaken buitengerechtelijk af te doen.
Tot slot is opmerkelijk dat niet geheel duidelijk is wanneer voor de strafbeschikking zal worden gekozen, laat staan voor welke. Uit het AAFD-Protocol lijkt te kunnen worden afgeleid dat de fiscale strafbeschikking voor minder ernstige feiten moet worden ingezet dan de strafrechtelijke strafbeschikking, terwijl gewone strafvervolging voor de meest ernstige feiten is gereserveerd. Nadere richtlijnen op dit punt ontbreken.