Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.4.5:3.4.5 De Rückgriffskondiktion
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.4.5
3.4.5 De Rückgriffskondiktion
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS497429:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Koppensteiner & Kramer 1975, p. 54.
Bijvoorbeeld bij borgtocht, §774 lid 1, of wanneer iemand een schuld voldoet waarvoor een goed is verbonden waartoe hij is gerechtigd, §268 (zoals wanneer iemand voor een schuld van een derde een van zijn eigen zaken in pand of hypotheek heeft gegeven).
§426 lid 1.
§683.
Medicus 2004, nr. 722.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Rückgriffskondiktion is van belang bij nakoming door een derde. Naar Duits recht kan een schuld worden nagekomen door een derde, A, zonder dat de schuldenaar, B, daartoe toestemming hoeft te geven. Wanneer A betaalt aan de schuldeiser, C, heeft hij een verhaalsrecht op B, omdat die bevrijd is van zijn schuld. Dit verhaalsrecht kan alleen worden gebaseerd op §812 als het niet voortvloeit uit een andere wettelijke bepaling.1 Er zijn verschillende bepalingen op grond waarvan A een aanspraak kan hebben tegen B. Zo kan A worden gesubrogeerd in de vordering die hij heeft voldaan, zodat hij in de plaatst treedt van de oorspronkelijke schuldeiser C.2 A kan ook een regresvordering hebben, dat wil zeggen dat hij een nieuwe vordering heeft op B. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer A een schuld voldoet waarvoor hij hoofdelijk verbonden is met een of meer medeschuldenaren.3 A kan verder hebben gehandeld op grond van een overeenkomst van opdracht; hij heeft in dat geval een contractuele vordering tot schadeloosstelling. Daarnaast kan A als zaakwaarnemer een schuld van B hebben betaald. A heeft dan een vordering uit zaakwaarneming tegen B.4
Slechts in de overige gevallen heeft A tegen B een vordering die voortvloeit uit §812, de zogeheten Rückgriffskondiktion. Aangenomen wordt dat B tegen de Rückgriffskondiktion geen beroep kan doen op het verweermiddel van §814. Daar is bepaald dat een verrijkingsschuldenaar niet hoeft terug te betalen als de verrijkingsschuldeiser zich ervan bewust was dat hij niet tot betaling verplicht was.
Echter, het ontstaan van een verplichting voor B om A terug te betalen, dient B niet in een nadeligere positie te brengen dan waarin B zonder A’s betaling zou hebben bevonden. A kan zich daarom beroepen op §818 en aanvoeren dat hij geen waarde hecht aan de voldoening van zijn schuld door A aan C. De invulling van dit verweer bij betalingen door derden wordt ingekleurd door de bepalingen ten aanzien van verweren die een schuldenaar van een gecedeerde vordering kan aanvoeren tegen een cessionaris die nakoming vordert. Deze verweren zijn via §818 van overeenkomstige toepassing.5 De reden daarvoor is als volgt. B hoeft als gevolg van A’s betaling aan C niet langer aan C te betalen. In plaats daarvan dient hij A terug te betalen. B bevindt zich zo bezien in een vergelijkbare positie als de schuldenaar van een gecedeerde vordering. De schuldenaar van een gecedeerde vordering dient immers ook niet te betalen aan zijn oorspronkelijke schuldeiser (de cedent), maar aan de cessionaris.
B kan via §818 een beroep doen op drie bepalingen. §404 bepaalt dat de schuldenaar verweermiddelen waarop hij zich jegens de schuldeiser had kunnen beroepen, ook kan inroepen tegen de cessionaris. B kan daarom de verweemiddelen waarop hij zich jegens C had kunnen beroepen, ook inroepen tegen A. §406 bepaalt dat verrekeningsbevoegdheden die tegen de oorspronkelijke schuldeiser konden worden ingeroepen, blijven bestaan. B kan daarom tegen de Rückgriffskondiktion van A aanvoeren dat hij zijn schuld aan C had kunnen verrekenen met een vordering op C. Tot slot bepaalt § 407 dat wanneer de schuldenaar te goeder trouw onwetend is van de cessie, hij bevrijdend aan de oorspronkelijke schuldeiser kan betalen. Stel dat B onwetend was van de betaling door A aan C, en dat hij daarom zelf heeft betaald aan C. B kan dan jegens A aanvoeren dat hij bevrijd is van zijn verplichting tot terugbetaling aan A.