Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/7.7:7.7 Samenvatting en conclusie
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/7.7
7.7 Samenvatting en conclusie
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS499484:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vermoedelijk kunnen deze grotendeels (overeenkomstige) resultaten worden toegeschreven aan een combinatie van een goede (voorlopige) schatting door de voorzieningenrechter en wellicht een neiging tot het volgen van een oordeel in kort geding door de bodemrechter.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De uitkomst van de hoofdzaak waarin de vordering die door de beslaglegger aan het beslag ten grondslag is gelegd, wordt beoordeeld, geeft informatie over de gegrondheid van het beslag. In iets minder dan de helft van de onderzochte geschillen waarin conservatoir beslag werd gelegd, met al dan niet een opvolgend opheffingskortgeding, is een hoofdzaak getraceerd. Het algemene beeld in civiele zaken dat hangende een aangebrachte zaak deze nogal eens wordt ingetrokken of geroyeerd, is ook zichtbaar binnen deze specifieke groep hoofdzaken. Dit veroorzaakt dat het in minder dan de helft van de gevonden hoofdzaken tot een inhoudelijk oordeel van de rechter in de vorm van een (verstek)vonnis kwam. Deze (verstek)vonnissen laten zien dat slechts in een gering aantal gevallen de vordering van de schuldeiser die aan het beslag ten grondslag is gelegd geheel werd toegewezen (gemiddeld rond de 8% van de hoofdzaken met vonnis). Ook het aantal gedeeltelijke toewijzingen van de vordering in hoofdzaak is gering (gemiddeld 15%). Bij de geschillen waarin wel respectievelijk geen opheffingskortgeding is aangebracht, bleken zich twee opvallende resultaten in hoofdzaken voor te doen. Het eerste was dat in de categorie zaken met voorafgaand opheffingskortgeding (relatief) vaak sprake was van een geheel afgewezen, ofwel ongegronde, hoofdvordering (64% van de vonnissen, tegenover 25% in zaken zonder opheffingskortgeding). In de helft van deze zaken werd het beslag tijdens het voorafgaande opheffingskortgeding al geheel of gedeeltelijk opgeheven. Het grote aandeel onterechte vorderingen klinkt in dit verband dan ook niet onlogisch.1 Het gaat om (complexe) zaken op tegenspraak, met een relatief groot geldelijk belang. In die gevallen waarin een opheffingskortgeding heeft plaatsgevonden en gegevens bekend zijn over het oordeel van de rechter in de hoofdzaak is er dus een gerede kans dat er iets aan de hand is met gepretendeerde vordering die door de beslaglegger aan het beslag ten grondslag is gelegd.
Een ander opmerkelijk resultaat in de zaken zonder voorafgaand opheffingskortgeding is dat in meer dan de helft van de vonnissen sprake was van een verstekvonnis. Deze wijze van afdoening kwam bij zaken met voorafgaand opheffingskortgeding vrijwel niet voor. Ook hier is sprake van samenhang met de aard van de vordering die aan het beslag ten grondslag ligt: hoofdzaken zonder voorafgaand opheffingskortgeding zijn relatief eenvoudig, hebben betrekking op een relatief gering geldelijk belang; zij leiden in veel gevallen niet tot tegenspraak. Bij het trekken van conclusies op grond van de gevonden hoofdzaken dient voor ogen gehouden te worden dat de hoofdzaken waarin het tot een vonnis kwam slechts een klein gedeelte van alle geschillen waarin een beslag werd gelegd omvatten.