Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/66.8
66.8 Conclusies en blik op de toekomst
mr. dr. A.M.L. Jansen, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. A.M.L. Jansen
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Daarbij blijkt dat snelheid niet los kan worden gezien van de kwaliteit van rechterlijke uitspraken en andere kernwaarden van behoorlijke rechtspraak. Ik schreef hierboven van een spanningsveld tussen kwaliteit en snelheid, maar ik kan mij voorstellen dat wetgever en rechter eerder een mijnenveld gewaar worden.
Zaaksdifferentiatie kan onder meer assisteren om de mogelijkheden na te gaan om vaker mondeling en enkelvoudig af te doen. Zie par. 2 en de daar genoemde literatuur.
Zoals bijv. door Rb. Oost-Brabant 13 november 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:5972, AB 2018/253 en Rb. Oost-Brabant 5 oktober 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:5260, AB 2018/254 beide m.nt. dzz.
Er zijn de laatste jaren behoorlijk wat maatregelen genomen om meer snelheid en finaliteit te bereiken.1 De toepassing van een op finaliteit gerichte bevoegdheid heeft vaak een iets verlengend effect op de betreffende rechterlijke procedure, waarin de rechter uitspraak doet over dat ene bestreden besluit. We schieten er echter weinig mee op als we ons concentreren op versnelling in enge zin. De focus moet daarentegen liggen op snelheid in ruime zin: overkoepelende versnelling. Dat wil zeggen met inbegrip van verwante vervolgtrajecten en met oog voor oplossing van het daadwerkelijke conflict.
De toekomst
De NZB heeft naar mijn smaak goede perspectieven om structureel een versnelling – ook in de door mij voorgestane ‘overkoepelende’ zin – van procedures te bewerkstelligen. Het gaat dan om een benadering van de procedure waarin de blik wordt gericht op een werkelijke oplossing van het (achterliggende) conflict. Binnen de NZB spreekt men vaak van de noodzaak om aan zaaksdifferentiatie te doen. Ik denk dat zaaksdifferentiatie ook buiten de context van de NZB een impuls kan geven aan efficiëntere, finaliserende en kortere procedures, waarbij geschillen echt de wereld uit worden geholpen.2 Van de rechter naar de wetgever. Ik denk dat de wetgever er het beste aan doet een keuze te maken. Blijven de huidige uitgangspunten van de bestuursrechtspraak (zoals artikel 8:1 en artikel 8:69 Awb) onveranderd? Of durft de wetgever de door sommige bestuursrechters toegeworpen handschoen3 op te pakken en – voor een deel in het verlengde van de NZB – afscheid te nemen van de traditionele piketpalen van het bestuursprocesrecht? Dat laatste impliceert wat mij betreft vooral dat het proces en de mogelijkheden van de rechter niet langer exclusief worden gedwongen in de mal van het bestreden besluit.