Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.9
10.4.9 De Duitse antimisbruikmaatregel bij splitsingen
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491686:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
In onderdeel 12.2.3 wordt de Duitse systematiek op het niveau van de splitsingspartners uitgebreider behandeld.
Bij een zuivere splitsing (Aufspaltung) gaat het uitsluitend om aandelen in de verkrijgers. De splitser houdt immers als gevolg van de splitsing op te bestaan. In het geval van een afsplitsing (Abspaltung) gaat het om aandelen in de afsplitser en de verkrijger(s). Zie Schumacher in: Rödder, Herlinghaus & Van Lishaut 2019, § 15, punt 256 en Hörtnagl in: Schmitt & Hörtnagl 2020, § 15, punt 198. Zie over het begrip Außenstehende Personen bijvoorbeeld Dötsch & Pung in: Dötsch, Patt, Pung & Möhlenbrock 2012, § 15, punt 140-152, p. 621-627, Schumacher in: Rödder, Herlinghaus & Van Lishaut 2019, § 15, punt 228-236 en Dworschak in: Kraft, Edelmann & Bron 2019, § 15, punt 127-131.
Het moet daarbij gaan om aandelen die omgerekend een 20%-belang vertegenwoordigen in de splitser vóór de splitsing. Zie bijvoorbeeld Dworschak in: Kraft, Edelmann & Bron 2019, § 15, punt 153-160 en Hörtnagl in: Schmitt & Hörtnagl 2020, § 15, punt 177-179. Laatstgenoemde auteur illustreert de problematiek met een cijfervoorbeeld.
In dezelfde zin Elsweier 2018, onderdeel 10.4.1, p. 434-435. In Duitsland bestaat daarnaast een algemene antimisbruikbepaling; § 42 Abgabenordnung (AO). Zie over de verhouding tussen §42 AO en de specifieke antimisbruikbepaling voor splitsingen (§ 15, Abs. 2, UmwStG) onder meer Schumacher in: Rödder, Herlinghaus & Van Lishaut 2019, § 15, punt 210.
Zie onderdeel 10.4.7.13.
Daarnaast is de Duitse vijfjaarsperiode langer dan de Nederlandse driejaarsperiode. Een periode van vijf jaar is erg lang om een verband tussen een splitsing en een opvolgende aandelenvervreemding aan te nemen.
Zie Hörtnagl in: Schmitt & Hörtnagl 2020, § 15, punt 243 en Schumacher in: Rödder, Herlinghaus & Van Lishaut 2019, § 15, punt 227, ook voor verdere literatuurverwijzingen.
Op grond van § 15, Abs. 1 jo. § 11, Abs. 2, UmwStG komt de splitsende rechtspersoon onder voorwaarden in aanmerking voor fiscale facilitering.1 Deze fiscale begeleiding blijft echter op grond van § 15, Abs. 2, UmwStG achterwege indien na de splitsing aandelen in één of meer aan de splitsing deelnemende rechtspersonen worden vervreemd aan derden (Außenstehende Personen).2 Hetzelfde geldt als de voorwaarden voor zo’n vervreemding door de splitsing worden gecreëerd. Op basis van een bewijsvermoeden wordt van dit laatste uitgegaan ingeval binnen vijf jaar na het fiscale splitsingstijdstip aandelen in (een) splitsingspartner(s) worden overgedragen.3 Het verdient geen aanbeveling deze Duitse antimisbruikbepaling over te nemen in de Nederlandse splitsingsregeling van art. 14a Wet VPB 1969.4 Ik verwijs naar mijn kritiek op het tweede bewijsvermoeden in art. 14a, lid 6, Wet VPB 1969.5 Het overnemen van de Duitse antimisbruikbepaling zou ten opzichte daarvan zelfs nog een stap achteruit zijn. Die bepaling veronderstelt namelijk misbruik, zonder tegenbewijsmogelijkheid.6 Het is dan ook niet voor niets dat in de Duitse fiscale literatuur is geconcludeerd dat § 15, Abs. 2, UmwStG in strijd is met de Fusierichtlijn.7