De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/10.3.3:10.3.3 De driejaarstermijn ex artikel 2:248 lid 6 BW
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/10.3.3
10.3.3 De driejaarstermijn ex artikel 2:248 lid 6 BW
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS383872:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Arnhem 18 april 2007, JIN 2007/320, m.nt. Van den Berg, r.o. 4.3.
Kamerstukken II 1980/81, 16 631, nr. 3 (MvT), p. 6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals beschreven dient het kennelijk onbehoorlijk bestuur te hebben plaatsgevonden in de drie jaren voorafgaand aan de faillietverklaring, wil een vordering uit hoofde van artikel 2:248 BW slagen. In een uitspraak van de rechtbank Arnhem kwam in dat kader de vraag aan de orde of de driejaarstermijn mag worden opgerekt wanneer een BV onterecht door middel van turboliquidatie is ontbonden. De curator betoogde dat het antwoord hierop bevestigend moest zijn, nu op grond van artikel 2:23a lid 4 BW al eerder aangifte tot faillietverklaring had moeten worden gedaan. De rechtbank volgde de curator hierin echter niet:
‘De duidelijke tekst van dat zesde lid van artikel 2:248 BW en de parlementaire geschiedenis bieden geen handvat voor oprekking van de driejaarstermijn, die is ingegeven door de overweging dat, zonder deze beperking in de tijd, de werking van het artikel voor bestuurders (en gewezen bestuurders) al te bezwaarlijk zou kunnen worden (MvT, TK, zitting 1980-1981, 16 631, nr. 3, pagina 6).’1
Uit de door de rechtbank aangehaalde parlementaire stukken volgt inderdaad dat de onderliggende gedachte bij de driejaarstermijn van artikel 2:248 lid 6 BW is dat zonder een dergelijke beperking in de tijd, de werking van het artikel te bezwaarlijk zou kunnen worden voor bestuurders.2
Echter, gaat het er in deze uitspraak nu juist niet om dat het bestuur heeft nagelaten tijdig het faillissement van de BV aan te vragen en in plaats daarvan is overgegaan tot het ten onrechte turboliquideren van de BV? Het bestuur heeft, met andere woorden, bewust niet voor de rechtens juiste weg gekozen. Ik zie niet in waarom in een dergelijk geval het bestuur beschermd zou moeten worden door de driejaarstermijnvan artikel 2:248 lid 6 BW strikt te volgen. Mijns inziens is de curator in dergelijke gevallen niet gebonden aan de driejaarstermijn van artikel 2:248 lid 6 BW.