Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.5.2.3
3.5.2.3 Jurisprudentiële ontwikkelingen EHRM
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940638:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 25 augustus 1987 (Lutz), NJ 1988, 938, met name r.o. 55.
EHRM 24 februari 1994 (Bendenoun), nr. 12547/86, BNB 1994/175.
Zie Maathuis & Valkenburg 1995, par. 4.3.3. Aldaar ook vindplaatsen van diverse artikelen uit het NJB van 1994, van aanhangers van zowel de ‘alternatieve’ uitleg als de ‘cumulatieve’ uitleg van de Engel-criteria.
EHRM 24 februari 1994 (Bendenoun), nr. 12547/86, BNB 1994/175, r.o. 47.
EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), nr. 36985/97, BNB 2003/2, V-N 2003/9.8, par. 78.
Deze duiding van de EHRM-jurisprudentie tot op dat moment (de hoofdregel is de alternatieve benadering, als die tot niets leidt, resteert nog de cumulatieve aanpak) werd ook in de literatuur gedragen, zij het niet zonder kritiek. Zie bijvoorbeeld Feteris 2002, par. 5.2.2.1.d en par. 5.2.3.2, alsmede Wattel in zijn noot bij HR 28 januari 1998, BNB 1998/147 (punt 9). Anders: Koopman 1996, par. 6.2.2.
Zie Haas 2009, par. 13.3.1, die de destijds bestaande onduidelijkheid aanhaalt en nog enkele arresten van het EHRM bespreekt die ik hier buiten beschouwing laat.
EHRM 23 juli 2002 (Janosevic), nr. 34619/97, Reports 2002-VII, NJB 2002/35, p. 1755–1757. Zie ook het op dezelfde dag gewezen arrest EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), nr. 36985/97, BNB 2003/2, V-N 2003/9.8.
EHRM 23 juli 2002 (Janosevic), nr. 34619/97, Reports 2002-VII, NJB 2002/35, p. 1755–1757, r.o. 68 en 69.
EHRM 3 juni 2003 (Morel), nr. 54559/00, FED 2004/122.
Aldus ook: Thomas in zijn noot bij EHRM 3 juni 2003 (Morel), nr. 54559/00, FED 2004/122 (punt 14).
EHRM 27 maart 1998 (J.J.), nr. 21351/93, FED 1998/264.
HR 24 januari 1990, BNB 1990/287.
Zie bijvoorbeeld Albert 2005, par. 10.3, Feteris 2002, par. 5.2.3.3 en Den Boer, Koopman & Wattel 1999, p. 32, die niet op één lijn zaten.
EHRM 23 november 2006 (Jussila), nr. 73053/01, BNB 2007/150.
EHRM 23 november 2006 (Jussila), nr. 73053/01, BNB 2007/150, r.o. 38.
EHRM 23 november 2006 (Jussila), nr. 73053/01, BNB 2007/150, r.o. 31. Ook de schijnbare tegenstrijdigheid tussen de arresten Janosevic en Morel werd in dit verband verklaard: het arrest Morel was volgens het EHRM een (vermoedelijk wat ongelukkige) uitzondering geweest, zie r.o. 34-36.
EHRM 23 november 2006 (Jussila), nr. 73053/01, BNB 2007/150, r.o. 32.
Noot bij EHRM 23 november 2006 (Jussila), nr. 73053/01, BNB 2007/150, punt 3. Herhaald in Feteris 2007, par. IX.3.6.2. Aldaar merkt hij aanvullend op dat deze conclusie aansluit bij de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 19 juni 1985, BNB 1986/29 en HR 24 januari 1990, BNB 1990/287).
Zie Haas & Jansen 2013, Haas 2009, par. 13.3.3 alsmede Woltman 2008. Zie voorts Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 123 en p. 150.
EHRM 23 november 2006 (Jussila), nr. 73053/01, BNB 2007/150, r.o. 43. Dit is vaste jurisprudentie van het EHRM geworden, zie EHRM 4 oktober 2022 (De Legé), nr. 58342/15, V-N 2023/15.16, FED 2022/123, par. 69.
EHRM 23 november 2006 (Jussila), nr. 73053/01, BNB 2007/150, r.o. 48. Het afzien van een mondelinge behandeling ter zitting leverde geen schending van art. 6 EVRM op, omdat er genoeg gelegenheid was geweest om de zienswijze naar voren te brengen.
Zie bijvoorbeeld ook EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), BNB 2003/2, V-N 2003/9.8, par. 102 (het betrof hier het recht op een onbelemmerde toegang tot de rechter, waarover nader in paragraaf 15.3.3 en paragraaf 15.3.4).
Zie zijn noot bij EHRM 23 november 2006 (Jussila), nr. 73053/01, BNB 2007/150, punt 5 e.v..
Haas 2009, par. 13.3.2. Aldus ook: Wijsman 2017, p. 222 en A-G Ettema in haar Conclusie voor HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29, par. 3.34.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2014, V-N 2014/50.9, r.o. 4.21.1.
EHRM 24 februari 1994 (Bendenoun), nr. 12547/86, BNB 1994/175, r.o. 46 respectievelijk EHRM 23 juli 2002 (Janosevic), nr. 34619/97, Reports 2002-VII, NJB 2002/35, p. 1755–1757, r.o. 81.
Noot bij EHRM 23 november 2006 (Jussila), nr. 73053/01, BNB 2007/150, punt 13 en 14. Hij acht de vraag naar welke waarborgen zich daar wel of niet voor lenen echter ‘volstrekt speculatief’ en vindt het daarom een ‘onbevredigend arrest’.
HR 23 september 2011, BNB 2012/114, FED 2012/94. Zie daarover nader paragraaf 12.3.4.1.
In het arrest HR 23 september 2011, V-N 2011/47.6, BNB 2012/114, FED 2012/94 ging het om een verzuimboete. De Hoge Raad formuleerde de nieuwe, algemene rechtsregel evenwel voor geschillen waarin ‘een bestuurlijke boete’ aan de orde is (r.o. 3.4.3). Ook in HR 8 september 2017, V-N 2017/43.7 maakte de Hoge Raad aan dit eventuele onderscheid geen woorden vuil (zie r.o. 2.3.1). Hoewel zulks niet uit het arrest blijkt, ligt het voor de hand dat ook daar een verzuimboete aan de orde was, nu het ging om een naheffingsaanslag MRB.
Zie voor een nadere toelichting op de verhouding tussen het EVRM en het Unierecht paragraaf 8.2.2.1.
HvJ EU 26 februari 2013 (Åkerberg Fransson), nr. C-617/10, BNB 2014/15, V-N 2013/13.6, HvJ EU 5 juni 2012 (Bonda), nr. C-489/10, HvJ EU 6 oktober 2021 (Ecotex), nr. C-544/19, V-N 2021/43.14, HvJ EU 23 maart 2023 (Dual Prod), nr. C-412/21, V-N 2023/16.12. Zie voor een fraai overzicht van de relevante jurisprudentie van het HvJ EU voorts de Conclusie van A-G HvJ EU Collins van 20 oktober 2022 voor het laatstgenoemde arrest Dual Prod (V-N 2022/51.14).
De rechtspraak van het EHRM stond ondertussen ook niet stil. Zo kwam er (uiteindelijk) duidelijkheid over het antwoord op de vraag of de Engel-criteria cumulatief of alternatief zijn. Verder maakte het arrest Jussila duidelijk dat het opleggen van een Nederlandse fiscale bestuurlijke boete is aan te merken als een criminal charge, ongeacht de vraag of het een verzuim- of vergrijpboete betreft en ongeacht de (mogelijk geringe) hoogte van de boete. Daarbij gaf het EHRM wel aan dat bij een relatief geringe fiscale boete niet alle waarborgen even strikt gelden, omdat fiscale bestuurlijke boetes naar hun aard wel degelijk verschillen van de sancties uit het ‘echte’ strafrecht. De waarborgen van art. 6 EVRM waarmee wat soepeler kan worden omgegaan, zijn vooral die van procesrechtelijke aard. In deze paragraaf zet ik deze ontwikkelingen op een rij.
In het arrest Lutz gaf het EHRM voor het eerst aan hoe de Engel-criteria zich tot elkaar verhouden:1 het gaat er bij de beoordeling van het strafkarakter van een sanctie niet om dat aan alle criteria wordt voldaan, maar dat er op basis van de criteria tezamen genomen een beeld naar voren komt van een strafsanctie. De geformuleerde criteria zijn dus niet cumulatief, maar alternatief: het voldoen aan elk criterium afzonderlijk kan al toereikend zijn.
Een belangrijk vervolg op de in de arresten Öztürk en Lutz ontwikkelde leer is het arrest Bendenoun, waarin het specifiek ging om een fiscale bestuurlijke boete.2 Vanwege een enigszins ongelukkige formulering van de rechtsoverwegingen van het arrest, ontstond er in de literatuur de nodige discussie over de vraag of het EHRM nu van mening was dat de criteria toch cumulatief waren.3 Naar mijn mening is die discussie achteraf bezien wat overtrokken, aangezien het EHRM in de specifieke casus van Bendenoun alle criteria samen heeft genomen, omdat geen van de criteria afzonderlijk bezien al toereikend was.4 De Öztürk-criteria blijven dus overeind. De nuance uit het arrest Bendenoun houdt in, dat ook als geen van de afzonderlijke criteria voldoende sterk is, de criteria in hun onderlinge samenhang toch sterk genoeg kunnen zijn voor de kwalificatie criminal charge. In latere jurisprudentie heeft het EHRM ook expliciet opgemerkt dat de criteria ‘alternative and not cumulative’ zijn, maar dat een cumulatieve benadering kan worden gevolgd wanneer een afzonderlijke analyse (per criterium) geen uitsluitsel geeft.5 Hieruit blijkt naar mijn mening duidelijk dat de benadering uit de arresten Öztürk en Lutz het uitgangspunt blijft. Voor het geval die aanpak niet tot een duidelijk oordeel leidt, kan als alternatief uitgeweken worden naar de integrale Bendenoun-aanpak.6
Toch bleef het na het arrest Bendenoun nog enige tijd onzeker hoe de toets van een bestuurlijke sanctie aan de notie van de criminal charge van art. 6 EVRM nu precies moest worden uitgevoerd.7 Het EHRM droeg ook zelf aan deze onzekerheid bij, door in 2002, in een Zweedse zaak over een fiscale boete, wél rechtstreeks terug te grijpen op de criteria uit het arrest Engel, maar daarbij geen enkele verwijzing naar het arrest Bendenoun te maken.8 In deze zaak (Janosevic) besliste het EHRM volgens de alternatieve benadering, welke beslissing blijkens de rechtsoverwegingen ook in bredere zin van betekenis leek te zijn voor de kwalificatie van fiscale bestuurlijke boetes als criminal charge. De toets aan het tweede criterium was voor die kwalificatie namelijk reeds voldoende, nu het algemene karakter van verhogingen en boetes in de sfeer van belastingen volgens het EHRM zowel afschrikwekkend als bestraffend van aard is.9 De verwarring werd echter weer aangewakkerd door het bijna een jaar later gewezen arrest Morel.10 In dat arrest besliste het EHRM dat de sanctie niet zwaar genoeg was voor de kwalificatie als criminal charge, terwijl wél aan de andere criteria was voldaan. Dat impliceerde dat de criteria (toch) cumulatief zijn.11
Intussen had het EHRM zich (in 1998) al eens uitgesproken over een Nederlandse fiscale bestuurlijke boete.12 In het arrest J.J. ging het om een verhoging van 100 % (onder het recht van vóór 1998), waarop art. 6 EVRM van toepassing werd verklaard. Hoewel de Hoge Raad ook de Nederlandse ordeboetes al in 1990 als criminal charge had aangemerkt,13 heerste er nog wel onzekerheid over het antwoord op de vraag of de waarborgen van art. 6 EVRM nu wel of niet in volle omvang zouden (moeten) gelden voor deze relatief geringe boetes (die intussen als verzuimboetes werden aangeduid).14
Aan die onzekerheid kwam een eind toen het EHRM het arrest Jussila wees.15 In dat arrest, dat ging over een Finse fiscale boete van 10 % wegens een onjuiste BTW-aangifte,16 bepaalde het EHRM dat de geringe omvang van de boete niet aan de toepassing van art. 6 EVRM in de weg staat. Het afschrikwekkende en bestraffende doel van de sanctie was reeds voldoende om de aard van de overtreding als criminal aan te merken. Dat er sprake was van lichtere straffen dan in de zaken Janosevic en Bendenoun, deed daar voor het EHRM niet aan af.17 Het EHRM beslechtte in het arrest Jussila en passant ook de discussie over de onderlinge verhouding van de toetsingscriteria: deze zijn alternatief en niet (althans niet noodzakelijkerwijs) cumulatief. Dat betekent dat wanneer de overtreding wat zijn aard betreft tot de sfeer van de criminal charges behoort, zulks reeds genoeg is voor de kwalificatie als criminal charge. De omstandigheid dat de sanctie op die overtreding relatief gering is, ontneemt aan die overtreding dan dus niet dat criminal charge-karakter. Als de toetsingscriteria ieder voor zich beschouwd niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van een criminal charge, kan een cumulatieve benadering alsnog tot die conclusie leiden.18 Verder overwoog het EHRM in het arrest Jussila expliciet dat er voor wat betreft deze toets geen afwijkende benadering geldt voor fiscale bestuurlijke boetes.19 Feteris concludeerde in zijn noot bij het arrest Jussila dat voortaan kan worden aangenomen ‘dat alle bestuurlijke boetes uit de Nederlandse fiscale wetgeving, zowel vergrijp- als verzuimboetes, een ‘criminal’ karakter hebben in de zin van art. 6 EVRM, ongeacht de hoogte van de boete.’20 De algemeen heersende opvatting is sinds het arrest Jussila inderdaad dat het opleggen van een Nederlandse fiscale bestuurlijke boete is aan te merken als een criminal charge, ongeacht of het een verzuim- of vergrijpboete betreft en ongeacht de (mogelijk geringe) hoogte van de boete. Ook het opleggen van een relatief lichte Nederlandse verzuimboete vormt dus een criminal charge als bedoeld in art. 6 EVRM.21
Het arrest Jussila is ook van belang omdat het EHRM daarin een zekere nuancering aanbracht voor wat betreft de mate waarin de waarborgen van art. 6 EVRM concreet moeten worden gegarandeerd. Het EHRM bracht in dit verband een onderscheid aan tussen ‘echte’ strafzaken en (bijvoorbeeld) fiscale bestuurlijke boetezaken. Ook al zijn fiscale bestuurlijke boetes criminal charges, zij verschillen naar hun aard wel degelijk van de sancties uit het ‘hard core’ strafrecht, aldus het EHRM.22 Onder omstandigheden kan daarom met sommige waarborgen (zoals in het geval van Jussila: het recht op een mondelinge behandeling) wat soepeler worden omgegaan als het gaat om een relatief geringe fiscale boete.23 Het lijkt er dus op dat het EHRM rekening houdt met zowel de aard van de verdedigingsrechten als met de mate waarin de boete ingrijpt in de positie van de boeteling.24
Haas is van mening dat tegen deze nuancering op zichzelf weinig is in te brengen, maar wijst wel op het al eerder door Feteris gesignaleerde probleem25 dat uit het arrest Jussila niet precies blijkt welke waarborgen wel en welke niet voor een minder stringente toepassing in aanmerking komen.26 De nationale rechter worstelt intussen evenzeer met deze onduidelijkheid.27
Uit de arresten van het EHRM waarin de soepele benadering is geaccordeerd, kan naar mijn mening worden afgeleid dat het vooral gaat om de formeelrechtelijke (procesrechtelijke) regels die voortvloeien uit art. 6 EVRM. In de arresten Bendenoun en Janosevic keurde het EHRM bijvoorbeeld goed dat de boete in eerste instantie buiten de rechter om was opgelegd, omdat er in een later stadium wel degelijk beroep op de rechter mogelijk was (zoals dat ook in Nederland het geval is bij de fiscale bestuurlijke boete).28 In het arrest Jussila ging het zoals gezegd om het recht op een mondelinge behandeling. De portee lijkt te zijn dat het bij dergelijke procesregels niet zozeer gaat om de letterlijke toepassing van de waarborgen van art. 6 EVRM, maar meer om de vraag of de achterliggende norm voldoende is gewaarborgd. Om te bepalen of een bepaalde waarborg kan worden versoepeld, komt het er daarom naar mijn mening op aan of het door die waarborg beschermde, achterliggende belang (bijvoorbeeld een behoorlijke verdediging) niet wordt bedreigd door de versoepeling. Anders gezegd: het gaat om de inhoud, niet om de vorm. Feteris heeft destijds al een voorzet in deze richting gegeven, waarbij hij enkele in art. 6 EVRM belichaamde ‘basisbeginselen’ (waaronder de onschuldpresumptie) op een rij heeft gezet die in zijn ogen niet vatbaar zijn voor een soepele toepassing in bijvoorbeeld fiscale bestuurlijke boetezaken.29
De Hoge Raad lijkt inderdaad langs deze lijn te oordelen. Met een beroep op onder meer het arrest Jussila is hij in 2011 namelijk teruggekomen van zijn eerdere – strengere – rechtspraak inzake het verplicht horen van de belanghebbende in een verzetprocedure (tegen bijvoorbeeld kennelijke niet-ontvankelijkheid) in boetezaken.30 De Hoge Raad heeft aldus aanvaard dat de rechter niet in alle gevallen gehouden is om de belanghebbende ambtshalve te horen, maar alleen als de achterliggende, overkoepelende waarborg van de fair hearing daartoe aanleiding geeft. Van belang is hierbij dat de Hoge Raad geen onderscheid maakte tussen verzuim- en vergrijpboetes.31
Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat het HvJ EU in zijn rechtspraak over bestraffende sancties de Engel-criteria van het EHRM volgt.32 Ook Unierechtelijk wordt de vraag of (bijvoorbeeld) een fiscale bestuurlijke boete een strafrechtelijk karakter heeft, dus beantwoord aan de hand van de juridische kwalificatie van de overtreding in het nationale recht, de aard van de overtreding en de aard en de zwaarte van de sanctie die kan worden opgelegd.33