Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/3.4.2
3.4.2 Discussiepunt 1: Verhouding juridische posities en subjectieve rechten
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301674:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Simmonds 2000, p. 220; Eleftheriadis 2008, p. 7; Kurki 2017, p. 139.
Hohfeld 1913, p. 36; Hohfeld 1917, p. 38, 71.
Ik versimpel en combineer hier de opsommingen van Sumner 1987, p. 32-33 en Eleftheriadis 2008, p. 7.
Zoals bijvoorbeeld gesteld door Kramer & Steiner 2007, p. 297, die vinden dat een ‘claim’ een subjectief recht kan zijn, door Steiner 2013, p. 233, die vindt dat een ‘claim’ of een ‘immunity’ een subjectief recht kan zijn en door Simmonds 2000, p. 152; Wenar 2005, p. 235, die vinden dat een ‘claim’, ‘liberty’, ‘power’ of ‘immunity’ een subjectief recht kan zijn.
Zie in deze zin Wellman 1985, p. 59-60; Thomson 1990; Edmundson 2004, p. 93.
Zoals gesteld door Rainbolt 2006, p. 34; Stevens 2007, p. 4.
Zie bijvoorbeeld Kramer 2001, p. 58; Eleftheriadis 2008, p. 10.
Sumner 1987, p. 44-47; Kramer 2000, p. 61; Halpin 2017, p. 11.
Zie over het model van Hohfeld in een publiekrechtelijke context Addo 1997; Bamforth 2001; Kramer 2001.
Het voorbeeld is ontleend aan Wellman 1985, p. 59-60.
Het zou theoretisch wellicht mogelijk zijn om stap voor stap afstand te doen van alle juridische posities waaruit een subjectief recht bestaat totdat er nog maar ééntje overblijft; zie Rainbolt 2006, p. 43 voor een voorbeeld. Een praktisch doel dient dit niet; de rest van de tekst gaat uit van subjectieve rechten die ook als zodanig herkend zouden worden.
Hart 1982, p. 173.
Zie in deze zin voor rechten in het algemeen Sumner 1987, p. 35-36; Rainbolt 2006, p. 31; Stevens 2007, p. 4 en voor een voorbeeld van een goederenrechtelijk recht Edmundson 2004, p. 93.
Sumner 1987, p. 32.
in deze zin Eleftheriadis 1996, p. 40.
Dit lijkt erkend te worden door Edmundson 2004, p. 93, die aangeeft dat een subjectief recht niet alleen bestaat uit ‘claims’, ‘liberties’, ‘powers’ en ‘immunities’, maar ook hun ‘correlatives’. Zie in dezelfde zin Williams 1998, p. 297. Het meest expliciet is Eleftheriadis 2008, p. 133-134.
Eleftheriadis 1996, p. 40.
Een voorbeeld van waar de nadelen de voordelen kunnen overtreffen, is een eigendomsrecht van sterk vervuilde grond met een ‘duty’ om te saneren.
Eleftheriadis 2008, p. 135.
Corbin 1921, p. 237; Claeys 2009, p. 622; Schlag 2015, p. 190, 220. Hetzelfde geldt overigens voor alle andere manieren om rechtsfiguren te analyseren; Claeys 2012, p. 143-144.
Nyquist 2002, p. 256; O’Gorman 2014, p. 329.
Eleftheriadis 2008, p. 135; Long 2012, p. 333; Schlag 2015, p. 219-220.
86. Alhoewel er overeenstemming bestaat over het feit dat het model van Hohfeld als uitgangspunt kan dienen voor een antwoord op de vraag wat rechten zijn, is de precieze verhouding tussen de acht juridische posities uit het model en het begrip (subjectief) ‘recht’ onderwerp van veel discussie.1 Hohfeld zelf heeft dit punt niet uitgewerkt, maar lijkt te impliceren dat de term ‘claim’ (bijvoorbeeld om iemand toegang tot je land te ontzeggen) gelijkgesteld kan worden aan een subjectief recht.2 De moderne literatuur over dit onderwerp kan in drie kampen worden onderverdeeld.3 In het eerste kamp zijn auteurs te vinden die net als Hohfeld menen dat subjectieve rechten ‘simpel’ zijn; ieder recht bestaat uit één juridische positie.4 In het tweede kamp bevinden zich de auteurs die menen dat subjectieve rechten ‘complex’ zijn; ieder subjectief recht bestaat uit méér dan één juridische positie.5 Het derde kamp neemt een tussenpositie in; sommige subjectieve rechten bestaan uit één juridische positie, andere uit méér dan één.6 De discussie die hier wordt gevoerd is ingewikkeld. Dat komt onder andere doordat de vraag wat een subjectief recht is vaak gecombineerd wordt behandeld met de vraag waarom er subjectieve rechten zijn. Over het antwoord op deze laatste vraag wordt gestreden door twee kampen; die van de ‘will theory’ en de ‘interest theory’.7 Ik werk deze opvattingen in dit onderzoek niet uit, onder meer omdat het model van Hohfeld kan worden gebruikt om de argumenten van beide kampen weer te geven.8 Voor de vraag wat subjectieve rechten zijn, is dit gedeelte van de discussie daarom niet interessant. Ook eventuele argumenten die worden ontleend aan de samenstelling van andere ‘rechten’ dan subjectieve vermogensrechten laat ik achterwege.9
87. De vraag die ik hier behandel is dus wat de verhouding is tussen de juridische posities van Hohfeld en een subjectief recht. Het antwoord op die vraag is dat alle subjectieve rechten bestaan uit een combinatie van meerdere juridische posities. Dat valt goed te zien als we een voorbeeld nemen van wat Hohfeld een ‘claim’ noemt: A heeft geld uitgeleend aan B en heeft daardoor ‘recht’ op terugbetaling van het uitgeleende bedrag.10 Is het voldoende om te zeggen dat A een ‘claim’ heeft op B om de vermogensrechtelijke positie van A volledig weer te geven? Nee, want aan enkel een ‘claim’ heeft A nog niet zo veel. Hij moet namelijk ook een ‘liberty’ hebben om het door B teruggegeven geld in ontvangst te nemen. Dat blijkt als we de ‘claim’ zouden wegnemen, zoals het geval is bij een natuurlijke verbintenis tot betaling van een geldsom (die bijvoorbeeld blijft bestaan na verjaring van de mogelijkheid om betaling af te dwingen door middel van de ‘claim’). Als B voldoet aan de natuurlijke verbintenis door, zonder dat hij daartoe rechtens gehouden is, tóch aan A het geleende bedrag terug te geven, dan mag A dat bedrag houden. B heeft, met andere woorden, een ‘no-right’ om het geld weer terug te krijgen indien hij het eenmaal heeft voldaan; A heeft de daarmee corresponderende ‘liberty’. Zonder deze ‘liberty’ heeft A niets aan de ‘claim’, want hij is dan niet gerechtigd om een door B betaald geldbedrag te houden. De opmerkzame lezer zou nu tegen kunnen werpen dat dan een natuurlijke verbintenis tot betaling van een geldsom een voorbeeld is van een subjectief recht dat uit één juridische positie bestaat; een ‘liberty’ voor de gerechtigde om een ontvangen geldbedrag te houden. Dat is echter ook niet het geval. Een natuurlijke verbintenis is voorzien van een ‘immunity’ tegen het teniet laten gaan van de verbintenis door anderen. Stel bijvoorbeeld dat B tegen A zou zeggen “ik weet dat ik je eigenlijk nog geld zou moeten betalen, maar zodra ik met mijn vingers knip, houdt die verplichting op te bestaan”, dan heeft die mededeling niet het door B gewenste effect. Elk subjectief recht is op deze manier voorzien van een ‘immunity’ tegen het uitoefenen van een ‘power’ van anderen om het recht teniet te laten gaan. Zou het dan mogelijk zijn dat een subjectief recht enkel uit één of meerdere ‘immunities’ bestaat? Ook deze vraag moet ontkennend beantwoord worden. Van een ‘immunity’ kan namelijk afstand gedaan worden door een ‘power’ te gebruiken. Om deze ‘power’ te gebruiken heeft de gerechtigde weer een ‘liberty’… en zo kunnen we nog wel een tijdje doorgaan.11
88. Een subjectief recht bestaat in de termen van het model van Hohfeld dus uit een aantal verschillende juridische posities. De reden daarvoor is, in de woorden van Hart, dat elk recht, naast hetgeen met het recht wordt beoogd, ook een ‘perimeter of protection’ heeft.12 Neem het vorderingsrecht uit het bovenstaande voorbeeld. Er wordt aan de rechthebbende een ‘claim’ verleend om terugbetaling van een geldbedrag te ontvangen en een ‘liberty’ om de betaling in ontvangst te nemen. Om uitoefening van deze aanspraak te beschermen, wordt aan de rechthebbende daarnaast, onder meer, een aantal ‘claims’ en ‘immunities’ toegekend om te voorkomen dat de terugbetaling gefrustreerd wordt.13 Naast deze ‘perimeter of protection’ wordt een aantal ‘liberties’ en ‘powers’ toegekend die het mogelijk maken het nut van de vordering te verzilveren: bijvoorbeeld een ‘liberty’ en ‘power’ om de vordering te verkopen of om de vordering (gedeeltelijk) kwijt te schelden in het kader van een schikking. Ik beperk me hier tot de constatering dat de ons bekende subjectieve rechten dus allemaal bestaan uit meerdere juridische posities. Waarom dat zo is, bespreek ik in hoofdstuk 5.
89. In het bovenstaande randnummer werden als juridische posities die onderdeel van een subjectief recht kunnen uitmaken slechts posities genoemd die doorgaans voordelig zijn voor de rechthebbende: ‘claim’, ‘liberty’, ‘power’ en ‘immunity’. Is het ook mogelijk dat een subjectief recht juridische posities omvat die doorgaans nadelig zijn? In de literatuur lijkt men soms van mening te zijn dat dit niet het geval is.14 Omdat in het model van Hohfeld de juridische posities van de rechthebbende steeds in verhouding staan tot die van een andere partij, zou een nadelige juridische positie van de rechthebbende betekenen dat een ander iets te zeggen heeft over het subjectieve recht. De gedachte is dat dit bijvoorbeeld in strijd zou komen met het absolute karakter van goederenrechtelijke rechten.15 Daarin ligt echter ook gelijk het antwoord op de vraag besloten. Een subjectief recht is nooit absoluut. De rechthebbende heeft rekening te houden met de belangen van anderen.16 Het voorbeeld uit randnummer 67 laat dat zien. Buurman B heeft een eigendomsrecht op een stuk grond, maar onderdeel van dat eigendomsrecht zijn bijvoorbeeld de ‘liability’ om door A gedwongen te worden een noodweg toe te laten en de ‘disability’ om hetzelfde van A te verlangen. B heeft een ‘duty’ om A geen overlast te bezorgen en een ‘no-right’ om van A te eisen dat deze een mooie bloementuin aanlegt. Alle doorgaans nadelige juridische posities kunnen dus onderdeel zijn van een subjectief recht. Om als subjectief recht te kwalificeren is slechts van belang dat er in ieder geval één of enkele voordelige juridische posities onderdeel uitmaken van het recht.17 Doorgaans zullen de voordelen van een subjectief recht de nadelen sterk overtreffen, maar dat is niet nodig om als subjectief recht aangemerkt te worden.18
90. Uit welke juridische posities een concreet subjectief recht bestaat, en of dat recht van goederenrechtelijke aard is of niet, wordt niet bepaald door het model van Hohfeld, maar wordt bepaald door het vermogensrechtelijke systeem.19 Het model biedt slechts een methode van beschrijving en analyse van bestaande rechtsfiguren.20 Het is dus niet mogelijk om op basis van het model te bepalen uit welke juridische posities een goederenrechtelijk recht bestaat als er geen consensus bestaat over hoe dat goederenrechtelijk recht functioneert.21 Een voorbeeld kan dat verduidelijken.
Stel dat een vermogensrechtelijk systeem het mogelijk maakt dat geldvorderingen door een afspraak tussen schuldeiser A en schuldenaar B onoverdraagbaar gemaakt worden. Het model van Hohfeld stelt ons dan in staat om aan te geven uit welke juridische posities het vorderingsrecht van A bestaat. Naast de standaard ‘claims’, ‘liberties’, ‘powers’ en ‘immunities’, zal er iets aan het vorderingsrecht moeten worden veranderd o de onoverdraagbaarheid vorm te geven. Aan de hand van de verschillende indelingen die ik eerder in dit hoofdstuk uiteen heb gezet (zie voor een overzicht pagina 65) kunnen we bepalen hoe de onoverdraagbaarheid vorm kan worden gegeven. We weten dat de onoverdraagbaarheid voor A een nadeel betreft, dus kunnen we kiezen uit ‘duty’, ‘no-right’, ‘liability’ en ‘disability’ (zie paragraaf 3.3.4). Ook weten we dat het een nadeel betreft bij het handelen door A zelf, omdat A degene is die wordt beperkt in het overdragen van de vordering. Dat betekent dat van de nadelige juridische posities enkel een ‘duty’ en een ‘disability’ overblijven (zie paragraaf 3.3.7). Indien de onoverdraagbaarheid wordt vormgegeven door een ‘duty’, dan is overdracht van de vordering niet toegestaan – maar nog wel mogelijk (zie paragraaf 3.3.6). Indien de onoverdraagbaarheid wordt vormgegeven door een ‘disability’, dan is overdracht van de vordering niet mogelijk, ongeacht of het zou zijn toegestaan (zie paragraaf 3.3.6).
91. Van welke van de twee mogelijkheden – ‘duty’ of ‘disability’ hier sprake is, valt zonder meer informatie niet te zeggen. Het antwoord is niet te vinden in het model van Hohfeld, maar is afhankelijk van welke mogelijkheden het vermogensrechtelijke systeem biedt en wat A en B daarbinnen hebben afgesproken.22 Deze punten komen aan de orde in de hoofdstukken 5, 6 en 7.