Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/5.3.1.2
5.3.1.2 Dispute Settlement WHO: Thailand Cigarettes I en Thailand Cigarettes II
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258377:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een nadere uiteenzetting van de te volgen procedure bij verbonden partijen: P. Díaz Gavier & F. Piérola, Related Parties and Customs Valuation: Guidance Derived from the Panel Report Thailand-Cigarettes, GTCJ 7(1), p. 7-13.
Artikel 7, lid 1, CVA luidt: “Indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet met toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 kan worden vastgesteld, wordt deze waarde vastgesteld met redelijke middelen die verenigbaar zijn met de beginselen en algemene bepalingen van de onderhavige Overeenkomst en van artikel VII van GATT 1994 en op basis van de in het land van invoer beschikbare gegevens.”
Thailand – Customs and Fiscal Measures on Cigarettes from the Philippines - Recourse to article 21.5 of the DSU by the Philippines - Notification of an appeal by Thailand under articles 16.4 and 17 of the understanding rules and procedures governing the settlement of disputes (DSU), and rule 20 of the working procedures for appellate review, WT/DS371/27. Er is nog geen beroepsrapport verschenen. De Beroepsinstantie heeft aangegeven dat de behandeling van de zaak pas op een later tijdstip kan plaatsvinden door een opgelopen achterstand bij de Beroepsinstantie en gelet op het feit dat het aantal leden van de Beroepsinstantie onder het minimaal vereiste aantal leden van drie is uitgekomen.
Panel Report van 12 juli 2019, Thailand-Customs and Fiscal Measures on Cigarettes from the Philippines, WT/DS371/RW2.
In de zaak Thailand Cigarettes I hebben de Filipijnen aangevoerd dat Thailand inconsistent handelt bij de uitvoering van diverse bepalingen, interpretatieve noten en de algemene inleiding op de CVA. Het unieke aan deze zaak is dat het ingaat op de rechten en verplichtingen die marktdeelnemers enerzijds en douaneautoriteiten anderzijds toekomen bij het bepalen van de transactiewaarde tussen verbonden partijen (hoofdstuk 10).
In het bijzonder richt Thailand Cigarettes I zich op de toepassing van de douanewaardebepalingen op door Philip Morris Thailand ten invoer aangegeven sigaretten die op basis van de prijs van de verkopen die in de periode tussen 11 augustus 2006 en 13 september 2007 tussen Philip Morris Thailand (koper) en Philip Morris Philippines (verkoper) plaatsvonden. De Filipijnen claimen dat:
De transactiewaarde van de ingevoerde goederen niet primair werd aangewend als methode om de douanewaarde vast te stellen;
De hiërarchische verhouding tussen de waarderingsmethoden niet in acht genomen werd; en
De waarderingsmethoden werden toegepast die geen wettelijke grondslag hebben in de CVA.
Het ingestelde panel concludeerde dat Thailand geen algemene (al dan niet ongeschreven) regel hanteert die ertoe strekt dat de transactiewaarde van ingevoerde goederen en de aftrekmethode van de hand worden gewezen. Wel is het afwijzen van de door Philip Moris Thailand aangegeven transactiewaarde van de ingevoerde goederen inconsistent met de bepalingen uit de CVA. Indien een transactiewaarde zoals in onderhavig geval berust op een verkoopprijs die vastgesteld is tussen twee verbonden partijen, zijn de douaneautoriteiten gehouden om de omstandigheden van de verkoop te onderzoeken in het licht van de door de importeur verstrekte informatie, de importeur op de hoogte te stellen van de voorlopige conclusie dat de relatie tussen koper en verkoper de prijs heeft beïnvloed en moet de importeur in redelijkheid de gelegenheid worden gegund om additionele informatie te overleggen.1 Voornoemde procedure wordt in de CVA voorgeschreven, maar in onvoldoende mate nageleefd door de Thaise douaneautoriteiten aldus de bevindingen die in het panelrapport zijn opgenomen. In het bijzonder wijst het panel erop dat de afwijzing van de door Philip Moris Thailand aangegeven prijs niet gecommuniceerd is. De Thaise procedure is op dit punt strijdig met artikel 1, lid 2, onderdeel a, CVA. Voorts is de toelichting op de wijze waarop de douanewaarde is vastgesteld, na afwijzing van de verkoopprijs tussen Philip Morris Thailand en Philip Morris Philippines als douanewaarde, door de Thaise douaneautoriteiten onvoldoende gemotiveerd in het licht van artikel 16 CVA. Uit dit artikel volgt dat een importeur recht heeft op uitleg over hoe de douanewaarde tot stand is gekomen indien de douaneautoriteiten de douanewaarde van de door hem ingevoerde goederen vaststelt. Ook ten aanzien van de aftrekmethode die door middel van de fall-back methode door de douaneautoriteiten wordt toegepast, heeft het panel geconcludeerd dat de procedures in het kader van artikel 7, lid 1, CVA niet in acht zijn genomen.2 In het bijzonder hebben de Thaise douaneautoriteiten gefaald om Philip Moris Thailand op de juiste wijze te informeren over de douanewaarde en de wijze waarop deze onder de fall-back methode tot stand is gekomen. Daarmee is de gevolgde procedure niet in lijn met artikel 7, lid 3, CVA. Tot slot stelt het panel vast dat Thailand de voor het vaststellen van de douanewaarde verstrekte inlichtingen, die een vertrouwelijk karakter hebben, in strijd met artikel 10 CVA met de Thaise media hebben gedeeld.
Op 4 mei 2016 hebben de Filipijnen opnieuw een procedure geïnitieerd, omdat zij van mening zijn dat de uitspraken en aanbevelingen zoals opgenomen in de door het DSB aangenomen panelrapport niet door Thailand worden nageleefd. Met betrekking tot de vaststelling van de douanewaarde ziet de procedure Thailand Cigarettes II enerzijds op een in beroep door de Thaise autoriteiten afgeven beslissing over de vaststelling van de douanewaarde van 210 invoertransacties en anderzijds op 272 invoertransacties die in de periode juli 2003 tot juni 2006 hebben plaatsgevonden en waarvoor strafrechtelijke vervolging is ingesteld. Op 12 november 2018 heeft het ingestelde panel haar rapport gepubliceerd waarin diverse uitspraken en aanbevelingen zijn opgenomen. Ten aanzien van de 210 invoertransacties concludeert het panel dat in strijd is gehandeld met artikel 1, lid 2, onderdeel a, tweede zin, CVA doordat de omstandigheden van de verkoop niet waren onderzocht om vast te stellen of de verkoopprijs tussen de verbonden partijen Philip Moris Thailand en Philip Moris Indonesië beïnvloed was. In strijd met artikel 1, lid 2, onderdeel a, derde zin, CVA werden daarnaast de gronden waarop de beslissing berustte, niet met Philip Moris Thailand gedeeld. De wijze waarop in de beroepsfase de douanewaarde op de aftrekmethode is gebaseerd, is aldus het panel strijdig met artikel 5, lid 1, CVA doordat in tegenstelling tot de onderdelen i, ii en iv van deze bepaling, respectievelijk de winst en algemene kosten, transportkosten en provinciale belastingen niet in aftrek zijn gebracht. Daarnaast is, in tegenspraak met artikel 11, lid 3, CVA, de motivering van de uitspraak in de beroepsfase niet gedeeld. Ook is niet tijdig een beslissing overgelegd op basis waarvan de douanewaarde tot stand is gekomen, zoals vereist door artikel 16 CVA. Met betrekking tot de 272 invoertransacties concludeert het panel dat de strafrechtelijke vervolging inconsistent is aan artikel 1, leden 1 en 2, CVA aangezien de transactiewaarde van de ingevoerde goederen zonder aanvoering van gronden geen toepassing vindt en, evenals bij de 210 invoertransacties, vanwege het feit dat de omstandigheden van de verkoop niet zijn onderzocht om vast te stellen of de transactiewaarde van de ingevoerde goederen is beïnvloed door de relatie tussen Philip Moris Filipijnen en Philip Moris Thailand. De strafrechtelijke vervolging verhoudt zich daarnaast niet met artikel 2, lid 1, onderdelen a en b, dan wel artikel 3, lid 1, onderdelen a en b, CVA, omdat zij oneigenlijk de transactiewaarde van een andere ‘duty-free operator’ aanmerkt als transactiewaarde van identieke respectievelijke soortgelijke goederen. Het panel stelt evenwel dat niet is aangetoond dat de Thaise douanebeambten in strijd met artikel 10 CVA informatie over de door Philip Moris Thailand gehanteerde invoerprijzen hebben geopenbaard. Tegen het panelrapport in de zaak Thailand Cigarettes II heeft Thailand op 9 januari 2019 hoger beroep aangetekend bij de Beroepsinstantie.3
Voorts is er een tweede procedure aanhangig gemaakt waarbij de Filipijnen claimen dat Thailand de uitspraken en aanbevelingen in de door het DSB aangenomen rapporten in Thailand Cigarettes I niet opvolgt ten aanzien van i) een in januari 2017 geïnitieerde strafrechtelijke vervolging van Philip Moris Thailand en één van zijn werknemers voor het onderwaarderen van sigaretten bij het indienen van 780 invoeraangiftes in de periode 2002-2003 en ii) een in november 2017 opgelegde navorderingsaanslag waarbij de transactiewaarde van ingevoerde sigaretten wordt verworpen ten aanzien van 1.052 invoeraangiftes ingediend in de periode 2002-2003. Het panel heeft ten aanzien van deze procedure op 12 juli 2019 haar rapport gepubliceerd.4 Ten aanzien van de strafrechtelijke vervolging voor de ingediende 780 invoeraangiftes oordeelt het panel dat in strijd is gehandeld met artikel 1, lid 2, onderdeel a, tweede zin, CVA doordat de omstandigheden van de verkoop niet waren onderzocht om vast te stellen of de verkoopprijs tussen Philip Moris Thailand en Philip Moris Indonesië door de verbondenheid beïnvloed was. Daarnaast is artikel 6 CVA aangaande de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig de berekende waarde inconsistent toegepast, omdat de berekende waarde was gebaseerd op prijs- en kostinformatie die Philip Morris Indonesië aan de Indonesische douaneautoriteiten heeft verstrekt. Daarbij komt dat de Thaise douaneautoriteiten ook de subsidiariteitsband en hiërarchie tussen de waarderingsmethoden niet in acht namen. De Thaise douaneautoriteiten hebben echter, aldus het panel, Philip Moris Thailand in voldoende mate geïnformeerd over haar standpunt dat de relatie tussen Philip Moris Thailand en Philip Morris Indonesië door de verbondenheid is beïnvloed. Over de navorderingsaanslagen ten aanzien van de 1.052 invoeraangiftes heeft het panel zich niet uitgelaten, omdat deze nagenoeg allemaal zijn ingetrokken nog voordat het panel was geïnstalleerd. Kennelijk hebben de Thaise douaneautoriteiten bij nader inzien toch onderkend dat de wijze waarop de navorderingsaanslagen waren opgelegd op gespannen voet stonden met de uitspraken en aanbevelingen in de door het DSB aangenomen rapporten in Thailand Cigarettes I.
Al met al kan uit voornoemde zaken worden afgeleid dat de DSB de procedurele regels uit de CVA hoog in het vaandel heeft staan en dat de rechten en verplichtingen die douaneautoriteiten en importeurs toekomen, te allen tijde moeten worden nageleefd. Dit komt de rechtvaardigheid van het bepalen van de douanewaarde onder de CVA ten goede. Over de inbedding van de rechten en verplichtingen kom ik nader te spreken in onderdeel 6.3.