Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/0.1
1 Achtergrond: betrouwbaarheid van getuigenverklaringen
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
De Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken concludeerde in 2004 dat in 16 van de 30 door haar onderzochte zedenzaken uit 2001 en 2002 de ontstaansgeschiedenis van de aangifte en/of de ongeloofwaardigheid van het relaas van de aangever aanleiding zouden moeten zijn om het strafrechtelijke onderzoek stop te zetten (Nierop & Van den Eshof 2004, p. 55). Van Wijk & Nieuwenhuis 2011 kwamen ten aanzien van zedenmisdrijven door minderjarigen in 2011 tot 1 tot 3% valse aangiften en 15 tot 18% twijfelachtige aangiften. Zie over valse aangiften in Nederlandse zaken ook Rassin & Van der Sleen 2005 en Veraart 2012. Zie voor cijfers uit andere landen Kanin 1994, Rumney 2006 en Mikkelsen, Hutheil & Emens 1992.
Rassin & Van Koppen 2010, p. 588-592. Volgens Mols 2014, p. 7 blijkt uit gedragswetenschappelijke literatuur dat kinderen niet minder onbetrouwbaar zijn dan volwassenen. Hij onderbouwt deze stelling echter niet met bronnen.
Getuigen kunnen een verklaring ondertekenen zonder deze goed te hebben gelezen, bijvoorbeeld omdat zij graag naar huis willen of omdat zij erop vertrouwen dat het proces-verbaal naar waarheid is opgemaakt.
In veel strafzaken spelen getuigenverklaringen een belangrijke rol. Getuigen zijn personen die bepaalde waarnemingen hebben gedaan die voor de beslissing van de rechter van belang kunnen zijn. Het Wetboek van Strafvordering stelt aan getuigenverklaringen die voor het bewijs worden gebruikt, de eis dat de getuige verklaart uit eigen waarneming of ondervinding (art. 342 lid 1 Sv). Het is echter niet vanzelfsprekend dat personen die als getuige worden aangemerkt, verklaringen afleggen die in overeenstemming zijn met hetgeen daadwerkelijk is gebeurd. Getuigenverklaringen kunnen onbetrouwbaar zijn. Daarvoor kunnen verschillende oorzaken bestaan. De waarneming kan onjuist zijn gedaan, bijvoorbeeld omdat het donker was ten tijde van de waarneming, omdat de afstand tot het waargenomene groot was of omdat de getuige geconcentreerd was op iets anders dan hetgeen hij volgens zijn verklaring heeft waargenomen. Het is ook mogelijk dat een waarneming in het geheel niet is gedaan, maar de getuige bijvoorbeeld onder druk van de politie of vanwege eigen belangen een verhaal heeft verzonnen. Zo is bekend dat in zedenzaken regelmatig valse aangiften worden gedaan1 en dat jonge kinderen geneigd zijn antwoorden te geven waarvan zij denken dat de verhorende persoon deze graag hoort.2 Voor zover de waarneming wel juist is gedaan, is het mogelijk dat de getuige deze niet correct heeft doorgegeven. Vaak worden getuigenissen pas afgelegd nadat een aanzienlijke tijd is verstreken sinds de waarneming is gedaan. Daardoor vervagen herinneringen aan het gebeurde en kunnen feiten door elkaar worden gehaald. Mogelijk durft de getuige ook niet alles te vertellen wat hij heeft waargenomen – bijvoorbeeld uit angst voor represailles door de verdachte – of is hij niet goed in staat zijn verhaal te doen omdat het waargenomene hem emotioneel erg heeft aangegrepen. Voor zover de getuigenverklaringen juist zijn verteld door de getuige, is ten slotte nog relevant dat getuigenverklaringen dikwijls door een ander dan de getuige zelf op schrift worden gesteld. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid dat de schriftelijke verklaring afwijkt van de werkelijk afgelegde verklaring. Weliswaar ondertekenen getuigen hun verklaringen meestal wel, maar het is de vraag of de inhoud van de schriftelijke verklaring daardoor betrouwbaar wordt.3