Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/6.3.2
6.3.2 Commerciële rechtspersonen
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367285:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
ECRM 12 april 1996, appl.nr. 25170/94 (Liebscher & Hubl). De Europese Commissie voor de Rechten van de Mens beoordeelde tot 1998 de ontvankelijkheid van bij het EHRM ingediende klachten.
Meer specifiek een Gesellschaft mit beschränkter Haftung naar het recht van Oostenrijk.
Zie ook ECRM 12 januari 1994, appl.nr. 18874/91.
EHRM 12 december 2002, JOR 2003/224 m.nt. Vossestein (Cesnieks).
Zie par. 6.3.1.
EHRM 29 april 1999, appl.nrs. 25088/94, 28331/95 en 28443/95 (Chassagnou), r.o. 100; Van Dijk en Van Hoof, p. 586.
In de uitspraak van de ECRM inzake Liebscher & Hubl1 kwam impliciet aan de orde of de vrijheid van vereniging zich ook uitstrekt tot commerciële rechtspersonen. Deze zaak betrof (Oostenrijkse) regelgeving die eraan in de weg stond dat advocaten hun kantoor dreven in een (Oostenrijkse) besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.2 In plaats daarvan moesten zij hun kantoor drijven in een personenvennootschap waarvan zij volledig aansprakelijke vennoot moesten zijn. Een drietal advocaten, dat zich over deze regel beklaagden, werd niet ontvankelijk verklaard, omdat de vrijheid van vereniging niet inhoudt dat men kan kiezen voor een “specific form of profit making association”. Het enkele feit dat zij een commerciële onderneming wilden drijven, stond dus kennelijk niet aan hun ontvankelijkheid in de weg.3
In het Cesnieks-arrest4 had het EHRM een knoop kunnen doorhakken over de vraag of commerciële rechtspersonen onder de reikwijdte van de vrijheid van vereniging vallen. Het EHRM gaf daarop echter een weifelend antwoord. Het kwam niet verder dan de opmerking dat dit nooit uitdrukkelijk is uitgesloten, waarbij onder meer naar het Liebscher & Hubl-arrest werd verwezen. Verder formuleerde het EHRM de beperking dat een vereniging in de zin van art. 11 EVRM een verband van personen is en zette het de flatcoöperatie-achtige rechtspersoon weg als een verband van goederen.
Dat laat echter ruimte om commerciële rechtspersonen als verband van personen onder de reikwijdte van de vrijheid van vereniging te brengen. Daarvoor kunnen in voorkomende gevallen goede argumenten zijn. Daarbij kan gedacht worden aan een kleine groep hecht samenwerkende aandeelhouders en bestuurders, maar ook aan de ondernemingen waarmee de werknemers zich sterk verbonden voelen.5 Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt echter niet in hoeverre de kracht van de intermenselijke banden binnen een (commerciële) rechtspersoon van belang zijn om deze als een vereniging in de zin van art. 11 EVRM te kunnen aanmerken.
Wel is duidelijk dat bij het identificeren van rechtspersonen, waarop de vrijheid van vereniging van toepassing is, gebruik kan worden gemaakt van het feit dat de vrijheid van vereniging mede kan worden gezien als het recht om vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst in groepsverband uit te oefenen.6 De vrijheid van vereniging is van toepassing op rechtspersonen waarvan de activiteiten daarop (deels) gericht zijn. Het feit dat een rechtspersoon commerciële activiteiten ontplooit, betekent niet noodzakelijkerwijs dat deze geen bijdrage zou kunnen leveren aan een pluriforme, democratische en tolerante samenleving en dat overheidsingrijpen dienaangaande deze bijdrage niet zou kunnen bedreigen. Een duidelijk voorbeeld daarvan is een uitgeverij. Daarnaast kan een bedrijfscultuur, en daarmee het handelen van de desbetreffende onderneming, net zo goed ideologisch geïnspireerd zijn als dat van een non-profit organisatie.
Evenzogoed is uit de rechtspraak van het EHRM niet af te leiden dat deze louter van toepassing is op politieke, ideologische of religieuze organisaties. In de in par. 6.3.1 genoemde rechtspraak kwam enkel ter sprake dat verenigingen in de zin van art. 11 EVRM zich op een gezamenlijk doel richten. Daaruit kan met enige voorzichtigheid worden afgeleid dat het EHRM niet wil voorschrijven waarop zo’n vereniging zich moet richten.