Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/§3.8.:§3.8. Uitvoeringsinformatie: de productenraming en de productenrealisatie
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/§3.8.
§3.8. Uitvoeringsinformatie: de productenraming en de productenrealisatie
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De dummybegroting van het platform finfun duaal bevat 183 producten, verdeeld over 9 programma's Dat is dus gemiddeld iets meer dan 20 producten per programma. Zie dummybegroting behorend bij Vernieuwingsimpuls (2002c), p. 59- 65.
Raad voor de financiële verhoudingen (2002).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 186 lid 2 onder a Gemeentewet maakt het mogelijk om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen ten aanzien van zogenaamde "documenten ten behoeve van de uitvoering van de begroting en de jaarrekening". Ook deze documenten behoren niet tot de daadwerkelijke begroting of jaarstukken; ze worden door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. In Hoofdstuk VI (art. 66 tot en met 70) BBV worden de genoemde regels gesteld. De uitvoeringsinformatie die bij de begrotingsstukken hoort, is de productenraming. In deze raming worden de programma's onderverdeeld in kleinere eenheden. Deze eenheden worden producten genoemd (art. 66 lid 4 BBV). Van deze producten worden de geraamde baten en lasten weergegeven, alsmede het saldo (art. 66 lid 2 onder b BBV). Ook de productenraming is integraal. Art. 66 lid 3 BBV eist dus dat de productenraming dezelfde eindbedragen bevat als de begroting.
Het nemen van een beslissing over het aantal producten waaruit de raming moet bestaan, wordt overgelaten aan het college. Omdat het gaat om een uitwerking van de programma's, moge het duidelijk zijn dat het aggregatieniveau van de productenraming (aanzienlijk) lager is dan dat van de programma' s.1 Het aantal producten waarin de programma's worden opgedeeld, zal per gemeente verschillen. Dit is bijvoorbeeld afhankelijk van de grootte van de gemeente en het aantal programma's waaruit haar begroting bestaat. Hier wordt duidelijk dat wanneer de begroting zelf al een relatief laag aggregatieniveau heeft, het voor de hand ligt te veronderstellen dat de programma's in niet al te veel producten hoeven te worden onderverdeeld. Door het opnemen van een groot aantal programma's behoudt de raad een stevige greep op de fmanciën zonder terrein af te hoeven staan aan het college van burgemeester en wethouders.
De uitvoeringsinformatie die bij de jaarstukken hoort, is de productenrealisatie. Volgens lid 5 van art. 66 BBV is de indeling van de productenrealisatie identiek aan die van de productenraming.
Er is kritiek geuit op dit onderdeel van het BBV. Zo stelde de Raad van State zich op het standpunt dat de fmanciële huishouding van gemeenten behoort tot hun zelfwerkzaamheid en adviseerde hij de bepalingen over de uitvoeringsinformatie te schrappen. Gemeenten kunnen zelf wel uitmaken of (en zo ja, op welke wijze) deze informatie moet worden opgesteld.2 Ook de Raad voor de financiële verhoudingen uitte zijn aarzelingen bij de regels waaraan de uitvoeringsinformatie moet voldoen. De Rfv stelde daar echter tegenover dat de uitvoeringsinformatie ook van belang kan zijn voor de raad, opdat hij weet hoe het college de programma's denkt te concretiseren. De Rfv stelde dat daartoe "enige regels ter waarborging van een minimum aan informatie noodzakelijk zijn" en raadde de regering aan toezending van de uitvoeringsinformatie aan de gemeenteraad verplicht te stellen.3 Dit zou de band die volgens de Rfv tussen programma's en producten bestaat, versterken. De regering stelt zich op het standpunt dat deze verplichte toezending overbodig is, omdat de leden van de raad, indien ze inzage in de uitvoeringsinformatie noodzakelijk achten, daar zelf om kunnen vragen.4 De regering lijkt meer moeite te hebben de kritiek van de Raad van State te weerleggen. Een belangrijk argument in een wat omslachtig antwoord in het Nader rapport lijkt te zijn:
"Omdat de begroting voor de raad in het duale stelsel er een op hoofdlijnen is, zijn (...) nader uitgewerkte stukken voor de uitvoering en beheersing noodzakelijk. Iedere gemeente zal deze documenten dan ook hebben. De verplichting tot het opstellen van deze documenten weegt derhalve niet zwaar"5
Hierop valt wel wat af te dingen. De stelling dat de duale begroting er één op hoofdlijnen zal zijn, is op grond van de tekst van het BBV niet zonder meer juist (zie paragraaf 5.1). Voor gemeentebesturen die ervoor kiezen een groot aantal programma's en/of programmaonderdelen op te nemen, is de noodzaak van uitvoeringsinformatie minder vanzelfsprekend. In die gevallen weegt de verplichting tot het opstellen van de documenten misschien nog steeds niet zwaar, maar wordt het wel een wat zinloze exercitie. Voor de andere gemeenten geeft de regering zelf aan dat zij dit type documenten toch wel zullen hebben. In die gevallen is het opstellen van de uitvoeringsinformatie dus niet zinloos, maar is het verplicht stellen ervan overbodig. De regering lijkt zich dit ook te realiseren. Zij stelt in het Nader rapport dat de voorschriften ten aanzien van de uitvoeringsinformatie zo summier mogelijk moeten zijn.
Gemeentewet noch BBV geven een antwoord op de vraag wanneer de uitvoeringsinformatie moet worden vastgesteld. Art. 66 lid 1 BBV komt niet veel verder dan dat de productenraming een rol vervult "ten tijde van de begroting" en de productenrealisatie "ten tijde van de jaarstukken". Bij gebrek aan een nadere tijdsindicatie moet ervan uit worden gegaan dat 15 november respectievelijk 15 juli ook voor de uitvoeringsinformatie de deadlines vormen.