Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/3.7:3.7 Samenvatting
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/3.7
3.7 Samenvatting
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS583942:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
183. Sinds dat men eind jaren twintig van de vorige eeuw bij buitencontractuele aansprakelijkheid is gaan werken met het relativiteitsvereiste en het toerekeningsvereiste (of de ‘juridische causaliteit’) hebben beide vereisten een belangrijke evolutie ondergaan. Aanvankelijk hadden deze vereisten een duidelijk verschillende inhoud, maar geleidelijk zijn zij op elkaars terrein gekomen. Tegenwoordig kan, enerzijds, de wijze waarop de schade is ontstaan maken dat niet aan het relativiteitsvereiste is voldaan, terwijl, anderzijds, bij het beantwoorden van de vraag of de schade kan worden toegerekend, alle omstandigheden van het geval dienen te worden betrokken, in het bijzonder de met de norm beoogde bescherming. Bovendien lijkt de Hoge Raad het relativiteitsvereiste gepromoveerd te hebben tot een positief vereiste waaraan voldaan dient te zijn om op grond van onrechtmatige daad aanspraak op schadevergoeding te kunnen maken. De vraag rees aldus hoe het onderscheid tussen het relativiteitsvereiste en het toerekeningsvereiste tegenwoordig geduid en gewaardeerd dient te worden (§ 3.1).
Vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog hebben achtereenvolgens Van Brakel, Köster, Lankhorst, Schoordijk, Van Dunné en Verheij bepleit dat het relativiteitsvereiste en het toerekeningsvereiste (of de ‘juridische causaliteit’) beter samengevoegd kunnen worden. Andere auteurs, met name Bloembergen en Hartkamp en Sieburgh hebben verdedigd dat het maken van onderscheid het recht juist overzichtelijk maakt (§ 3.2). Om tot een conclusie over het onderscheid tussen het relativiteitsvereiste en het toerekeningsvereiste te kunnen komen, heb ik nader geanalyseerd wat in werkelijkheid bij toepassing van deze vereisten gebeurt. In de relativiteitsleer is de strekking van de geschonden norm op grond van de wet beslissend voor de begrenzing van aansprakelijkheid. In diverse, uiteenlopende gevallen bleek het relativiteitsvereiste te worden gebruikt om redelijk geachte grenzen aan aansprakelijkheid tot uitdrukking te brengen. Dit gebeurde in de in-pari-delicto-gevallen, bij schade in een niet-rechtmatig belang, bij publiekrechtelijke normen die niet privaatrechtelijk gesanctioneerd zijn, bij de doorkruising van een publiekrechtelijke regeling, bij de doorkruising van de vennootschapsrechtelijke rechtsorde en bij de doorkruising van de verzekeringsrechtelijke subrogatiebepaling. Soms was in het stelsel van de wet noodzakelijk om de strekking van een geschonden norm te bepalen aan de hand van andere omstandigheden dan de met die norm beoogde bescherming. Dit was het geval wanneer de schending van een wettelijke norm tot schade van een secundair gelaedeerde leidde. Hier stelt de wet, in de interpretatie van de Hoge Raad, wel als voorwaarde voor aansprakelijkheid dat jegens die secundair gelaedeerde onrechtmatig is gehandeld, maar uit de met de geschonden norm beoogde bescherming volgde hieromtrent veelal niets. Aan de hand van andere omstandigheden wordt aan de geschonden norm dan een strekking gegeven. Ook gebeurde dit in gevallen waarin het begrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van de met de norm beoogde bescherming tot onredelijke resultaten leidde en de strekking daarom ruimer werd uitgelegd dan de beoogde bescherming. Voor de strekking van de geschonden norm bleek beslissend te zijn of met die strekking een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid werd verkregen (§ 3.3). Andersom bleek in het toerekeningsvereiste de met de norm beoogde bescherming een wezenlijke rol te spelen: volgens een bestendige lijn in de jurisprudentie van de Hoge Raad bleek schade te kunnen worden toegerekend waar met de geschonden norm tegen de schade zoals geleden beoogd is te beschermen (§ 3.4).
Op basis van deze analyse kwam ik tot de conclusie dat het bij de toetsing aan zowel het relativiteitsvereiste als het toerekeningsvereiste aankomt op de met de geschonden norm beoogde bescherming en andere omstandigheden en dat zowel voor de strekking van de geschonden norm als voor de toerekenbaarheid van schade beslissend is of een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen. Tussen de beide vereisten liet zich geen consistent onderscheid maken. Waar de wet toch onderscheid maakt, is dat ongelukkig: het leidt tot doublures in de beoordeling, onjuiste suggesties over de inhoud van de beide vereisten, dogmatische verwarring en de onmogelijkheid van uniforme dogmatiek bij de begrenzing in het geval van buitencontractuele en contractuele aansprakelijkheid. Het maken van onderscheid is, ook als men andere op onrechtmatige daad te baseren vorderingen in aanmerking neemt, niet nodig. Hoewel de wet het onderscheid maakt, is het beter daarmee in de doctrine en jurisprudentie niet langer te werken (§ 3.5).
Het maakt praktisch weinig verschil of men aansprakelijkheid begrenst vanuit het paradigma van de strekking van de geschonden norm of vanuit het paradigma van de schadetoerekening; belangrijker is dat één perspectief wordt gehanteerd. Ik zal in de delen II t/m V de verschillende leerstukdoorkruisende problemen van de reikwijdte van aansprakelijkheid onderscheiden en doorgaans niet specifiek benoemen of de door mij voorgestane reikwijdte van aansprakelijkheid dient te worden bereikt door middel van het relativiteitsvereiste of het toerekeningsvereiste (§ 3.6).