Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.2.3:4.2.3 Consensualiteit en onderhandelen
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.2.3
4.2.3 Consensualiteit en onderhandelen
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Simmelink 2004, p. 229-230.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is aan de orde geweest dat het mogelijk is om op grond van het opportuniteitsbeginsel andere strafvorderlijke bevoegdheden te construeren. Een specifiek voorbeeld waar verder op kan worden ingegaan, is de mogelijkheid om te onderhandelen met betrokkenen over de inzet van de verschillende strafvorderlijke middelen waarover het om kan beslissen. Die onderhandelingen kunnen plaatsvinden met een getuige die te kennen geeft alleen te willen verklaren als het om in zijn eigen strafzaak een gunstiger benadering kiest, of met een verdachte die bereid is een bekennende verklaring af te leggen onder de voorwaarde dat het om zich ervoor zal inzetten dat de opgelegde vrijheidsstraf in een bepaalde inrichting zal worden ten uitvoer gelegd.
Onderhandelingen kunnen betrekking hebben op de aard en inhoud van de verdenking, die de grondslag van de vervolging zal vormen, op de wijze van afdoening die zal worden gekozen, of op de hoogte en aard van de straf die zal worden geëist.1 Tegenover wat het om daarin kan bieden, staat dat de verdachte kan toezeggen een bepaalde proceshouding aan te nemen door bijvoorbeeld te bekennen of een bepaald verweer achterwege te laten. Hij kan ook aanbieden de schade van de benadeelde te vergoeden of een belastende verklaring in een andere zaak af te leggen of daar informatie voor te leveren.
Andere vormen van overleg zijn ook mogelijk: in het driehoeksoverleg wordt door de officier van justitie en de burgemeester overlegd met de verantwoordelijke over een regionale eenheid van de politie, over de uitoefening van hun gezag over de opsporing en de handhaving van de openbare orde (artikel 13 Politiewet 2012). De bevoegdheid tot het voeren van die onderhandeling en overleg en het aangaan van bindende afspraken in een dergelijke context, vormt een bevoegdheid op metaniveau: de bevoegdheid van een hogere orde, om in overleg of onderhandeling te treden over de toepassing van bevoegdheden van een lagere orde. Die bevoegdheid is wettelijk vastgelegd; zou buiten die bevoegdheid om ook kunnen worden onderhandeld wanneer daarvoor een beroep wordt gedaan op de beleidsvrijheid die het opportuniteitsbeginsel biedt?
Het lijkt me dat de ruimte daarvoor beperkt is. Wanneer in de wet een bevoegdheid is neergelegd om door middel van overleg tot overeenstemming te komen over de inzet van strafvorderlijke bevoegdheden, zijn daar steeds bepaalde voorwaarden aan verbonden en is daaraan invulling gegeven in een bepaalde structuur. Het kan dan niet de bedoeling zijn dat in plaats van gebruik te maken van die voorhanden zijnde structuren die een expliciete wettelijke grondslag hebben, een parallelle structuur wordt opgericht die is gebaseerd op een algemene werking van het opportuniteitsbeginsel. De wettelijke regeling kan beter zo mogelijk als uitputtend worden beschouwd, waardoor een eventuele aanvullende werking van het opportuniteitsbeginsel niet de bedoelde kanalisering van de bevoegdheidsuitoefening van de strafvorderlijke overheid kan doorkruisen.