Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.2.2:9.2.2 Een korte reis door de tijd
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.2.2
9.2.2 Een korte reis door de tijd
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS575196:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Anema & Verdam 1953, p. 1.
Asser/Anema & Verdam 1953, p. 3.
Asser/Anema & Verdam 1953, p. 6 en de daar vermelde literatuur.
Asser/Anema & Verdam 1953, p. 4 e.v.
Asser/Anema & Verdam 1953, p. 8.
Asser/Anema & Verdam 1953, p. 8-9.
Asser/Anema & Verdam 1953, p. 10.
Zie uitvoeriger Asser/Anema & Verdam 1953, p. 10-15.
De herziening van het bewijsrecht is inwerking getreden per 1 april 1988.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Romeinse recht is in de klassieke tijd het bewijs vrij en overgelaten aan het gezond verstand van de rechter.1 In verband met de veranderingen van het proces en een aantal andere omstandigheden komen er regelingen met betrekking tot bewijs tot stand (oude ervaringsregelingen, wetenschappelijke en ambtelijke adviezen en keizerlijke rechtsregelen). Zij worden, tezamen met een aantal nieuwe regels, gecodificeerd onder Justinianus. Zie hiervoor Anema & Verdam en de daar vermelde achtergrondliteratuur.2
Het Germaanse procesrecht ging uit van een heel andere proces-opvatting dan het Romeinse procesrecht. In het oorspronkelijke Germaanse procesrecht is het bewijs geheel formeel om pas later in de Frankische tijd en in de Middeleeuwen richting materieel bewijs te verschuiven.
In het moderne recht zijn nauwelijks beginselen van Germaans bewijsrecht opgenomen (uitzondering is bijvoorbeeld het bewijsinterlocutoir).3 De ontwikkeling naar een stelsel van meer materieel bewijs werd afgebroken door het binnendringen van vreemd recht. Het vreemd recht heeft het inheemse recht uiteindelijk doen verdwijnen. Zie hiervoor Anema & Verdam en de daar genoemde achtergrondliteratuur.4
Het canonieke proces ging uit van het laat-Romeinse recht maar had daar enkele veranderingen in aangebracht. Veranderingen zijn bijvoorbeeld de invoering van de lijdelijkheid van de rechter en de schriftelijke vorm van de procedure. Anema & Verdam laten zien dat de neiging om de rechterlijke vrijheid te binden om misbruik te voorkomen een belangrijke weerslag had op het bewijsrecht. Er ontstond een bewijsrecht gebaseerd op de 'formele waarheid'. Zo weinig mogelijk regels moesten aan de persoonlijke overtuiging van de rechter worden overgelaten. De rechter werd onder de objectieve regel gesteld.5
In het oud-Franse recht werd het procesrecht en daarmee het bewijsrecht vastgelegd in de Ordonnance civile van 1667.6 Veel formaliteiten werden in de Ordonnance afgeschaft of vereenvoudigd. Het bewijs kwam, wanneer begin van de negentiende eeuw werd overgegaan tot algemene codificatie van het civiele recht, grotendeels terecht bij het verbintenissenrecht in de Code civil. Andere procesrechtelijke bepalingen inzake bewijs kregen een plaats in de Code de procédure civil en in andere delen van de Code civiI.7
Het Nederlandse bewijsrecht tenslotte is van Franse origine. De weg van een stelsel van formeel bewijs naar een stelsel van vrij bewijs is definitief ingezet en er worden ook pogingen gedaan te komen tot een bewijsrecht gebaseerd op zelfstandige grondslag, waarbij het stelsel van vrij bewijs meer ruimte krijgt.8 Die ontwikkeling heeft er toe geleid dat in ons huidige stelsel in beginsel alle soorten bewijs in het proces mogen worden gebracht. Het staat de rechter sinds de invoering in 1988 van de herziening van het bewijsrecht vrij het bewijs naar eigen inzicht te waarderen.9