Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/5.3.1
5.3.1 De eerste levensjaren van het Unieburgerschap: een kopschuw Hof van Justitie
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181165:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Commission of the European Communities, Report from the Commission on the Citizenship of the Union, COM(93) 702, Brussels, 21 December 1993.
Het rapport miskent niet dat het tijdsbestek nogal kort is. Om die reden wordt in het rapport aangegeven dat voor het einde van het jaar 1994 een nieuw rapport zal verschijnen over de periode van grosso modo een jaar. De Commissie vervolgt: “By then the Commission would hope to have a reasonably clear picture of the state of implementation of these provisions [i.e. art. 8 tot en met 8E Verdrag, GK] and to be able to assess the need for the adoption of additional measures pursuant to the second paragraph of Article 8E.” Het tweede rapport is echter niet verschenen voor het einde van 1994, maar op 27 mei 1997. Commission of the European Communities, Second Report from the Commission on the Citizenship of the Union, COM(97) 230, Brussels, 27 May 1997.
Commission of the European Communities, Report from the Commission on the Citizenship of the Union, COM(93) 702, Brussels, 21 December 1993. In dit kader wordt door de Commissie gesteld dat het belang van het concept van het Unieburgerschap en de nieuwe bepalingen niet genoeg kan worden benadrukt. Om deze reden zijn de bepalingen aangaande het Unieburgerschap geplaatst in Deel II van het Verdrag, dat wil zeggen voordat de vier vrijheden van de Unie ter sprake komen. Dit in tegenstelling tot de hierboven aangehaalde auteurs, die het Unieburgerschap en de bepalingen in Deel II van het Verdrag louter kwalificeerden als een compromis zonder politieke implicaties.
Men lette op het wegvallen van het bijvoegelijk naawoord ‘economische’ in de naamgeving van de Gemeenschap. De ‘Europese Economische Gemeenschap’ werd gewijzigd in de ‘Europese Gemeenschap’. COM(93) 72, p. 2.
COM(93) 72, 1993, p. 2.
E.D.H. Olsen, ‘The origins of European citizenship in the first two decades of European integration’, Journal of European Public Policy, 15:1, January 2008, p. 40-57.
Kostakopoulou 1998b, p. 640. C. Closa, ‘The Concept of Citizenship in the Treaty on European Union’, Common Market Law Review 29, 1992, p. 1160. Dat het Unierecht echter relevant kan zijn bij de toekenning dan wel het verlies van de nationaliteit van de lidstaat blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie. HvJ EU 7 juli 1992, zaak C-369/90 (Micheletti), Jur. I-4258; HvJ EU 2 maart 2010, zaak C-135/08 (Rottmann), Jur. I-1467. Zie daarover: V. Bex- Reimert, G. Karapetian, M. de Mik, ‘De Unierechtelijke evenredigheidstoets bij het verlies van het Nederlanderschap. Drie gevallen nader toegelicht’, Tijdschrift voor Europees recht, afl. 3, 2018. Een vergelijkbare redenering als in Micheletti wordt door het Hof van Justitie gehanteerd in de zaak Elsen. Het Hof van Justitie stelt aldaar: “dat de lidstaten weliswaar nog steeds bevoegd blijven om hun stelsels van sociale zekerheid in te richten, doch dat zij niettemin bij de uitoefening van deze bevoegdheid het gemeenschapsrecht moeten eerbiedigen, in het bijzonder de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers […] of ook die betreffende de vrijheid van elke burger van de Unie om te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten”. HvJ EU 23 november 2000, zaak C-135/99 (Elsen), Jur. I-10423, r.o.33. Relevante kanttekening in dit kader is wel dat het de Unie is die de rechten toekent aan het Unieburgerschap. Vanuit dit perspectief kan de rechtsverhouding als een directe worden gekwalificeerd.
Zie bijvoorbeeld: G.R. de Groot, Towards a European Nationality Law – Vers un droit européen de nationalité (inaugural lecture Universiteit Maastricht), 13 November 2003; R. Hansen, P. Weil, Towards a European Nationality. Citizenship, Immigration and Nationality Law in the EU, Palgrave Macmillan UK 2001; S. Carrera Nuæez, G.R. de Groot (red.), European Citizenship at the Crossroads. The Role of the European Union on Loss and Acquisition of Nationality, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2015; L. Orgad, J. Lepoutre (red.), ‘Should EU Citizenship Be Disentangled from Member State Nationality?’, in EUI Working Papers (RSCAS), no 24, 2019.
Closa 1992, p. 1160.
Commission of the European Communities, Report from the Commission on the Citizenship of the Union, COM(93) 702, Brussels, 21 December 1993, p. 2.
Dit verwijst naar de mogelijkheid waarvan het Verenigd Koninkrijk en de Bondsrepubliek Duitsland gebruik hebben/hadden gemaakt. Voor het Verenigd Koninkrijk, zie PbEG C 23 van het jaar 1983. Voor de Bondsrepubliek Duitsland is de verklaring gehecht aan het Verdrag van Rome. Zie Commission of the European Communities, Report from the Commission on the Citizenship of the Union, COM(93) 702, Brussels, 21 December 1993, p. 3. Zie hierover nader paragraaf 5.4.2 (‘Lidstaatburgers die voor Uniedoeleinden Unieburgers zijn: het geval LGO’). Zie voor de Franse Republiek paragraaf 6.4 (‘Het Unieburgerschap in de Franse LGO’) en voor het Koninkrijk der Nederlanden paragraaf 7.5 (‘Het Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk’).
Commission of the European Communities, Report from the Commission on the Citizenship of the Union, COM(93) 702, Brussels, 21 December 1993, p. 2.
Commission of the European Communities, Report from the Commission on the Citizenship of the Union, COM(93) 702, Brussels, 21 December 1993, p. 2 e.v. Aandacht wordt besteed aan het recht om vrij te reizen, het verblijfsrecht, het kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen, het kiesrecht bij de Europese verkiezingen in andere lidstaten dan waarvan de burger de nationaliteit heeft, het recht op diplomatieke en consulaire bescherming, het petitierecht en tot slot de toegang tot de Ombudsman.
Commission of the European Communities, Second Report from the Commission on the Citizenship of the Union, COM(97) 230, Brussels, 27 May 1997.
Commission of the European Communities, Second Report from the Commission on the Citizenship of the Union, COM(97) 230, Brussels, 27 May 1997, p. 6.
Idem, p. 6.
Idem, p. 6.
A-G Sharpston stelt in haar conclusie bij de uitspraak Ruiz Zambrano dat er burgerschapszaken bekend zijn waarbij de factor van een daadwerkelijke grensverplaatsing niet waarneembaar is. Zij besteedt in dit kader aandacht aan de zaken inzake Garcia Avello, Zhu en Chen en Rottmann. Deze uitspraken komen in het navolgende ter sprake. Conclusie A-G Sharpston 30 september 2010, zaak C-34/09 (Ruiz Zambrano), punt 77-78.
Zie daarover uitgebreider: G. Karapetian, ‘De genesis van de Europese burger overzee. Over het personenverkeer van Nederlanders binnen het Koninkrijk’, TvCR 2016 (2).
Commission of the European Communities, Second Report from the Commission on the Citizenship of the Union, COM(97) 230, Brussels, 27 May 1997, p. 18. Kostakopoulou stelt in dit kader: “the rather limited material scope of European citizenship, coupled with the fact that it means very little to the vast majority of Europe’s citizens who for whatever reason cannot or do not want to cross borders, makes it a status inferior to that of national citizenship”. T. Kostakopoulou, ‘European citizenship and immigration after Amsterdam: openings, silences, paradoxes’, Journal of Ethnic and Migration Studies, Vol. 24, no 4, 1998, p. 640.
Commission of the European Communities, Second Report from the Commission on the Citizenship of the Union, COM(97) 230, Brussels, 27 May 1997, p. 18.
In dit kader is vermeldenswaardig dat ook ten aanzien van het christelijk burgerschap zoals ontwikkeld door Augustinus een streefpunt was om de notie van het christelijk burgerschap bekend(er) te maken onder de christenburgers.
Idem, p. 18.
Idem, p. 18 e.v. Ten aanzien van het streven om meer bekendheid te creëren rondom de Unieburgerschapsrechten wordt bijvoorbeeld verwezen naar het initiatief van 26 november 1996 om voorlichting te verschaffen aan burgers over de rechten en mogelijkheden die zij beschikken naar Unierecht. Over het tweede punt, de tenuitvoerlegging van de rechten, wordt geconstateerd dat de primaire verantwoordelijkheid van de uitvoering van de Unieburgerschapsrechten op de schouders van de lidstaten ligt. De lidstaten wordt derhalve op het hart gedrukt om de verleende Unieburgerschapsrechten op een grondige wijze toepassing te laten vinden in de praktijk.
HvJ EU 30 april 1996, zaak C-214/94 (Boukhalfa), Jur. I-2273.
In de zaak wordt het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit bedoeld vervat in art. 48 lid 2 Verdrag (oud) en art. 7 lid 1 en 4 Verordening 1612/68.
HvJ EU 30 april 1996, zaak C-214/94 (Boukhalfa), I-2273, r.o. 22. Het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit zoals bedoeld in art. 48 lid 2 Verdrag (oud) en art. 7 lid 1 en 4 Verordening 1612/68 is van toepassing ‘op een onderdaan van een Lid-Staat die permanent in een derde land verblijft, door een andere Lid-Staat bij zijn ambassade in dat derde land wordt tewerkgesteld, en wiens arbeidsovereenkomst ter plaatse is gesloten en aldaar duurzaam wordt uitgevoetd en wel voor alle aspecten van de arbeidsverhouding die worden beheerst door de wetgeving van de Lid-Staat waarbij hij in dienst is’.
Conclusie A-G Léger 14 november 1995, zaak C-214/94 (Boukhalfa), I- 2255, punt 63.
HvJ EU 30 januari 1997, gevoegde zaken C-4/95 en C-5/95 (Stöber en Pereira), Jur. I-531. Hoewel het Hof van Justitie in het arrest het Unieburgerschap niet aanhaalt, stelt A-G La Pergola onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde conclusie van A-G Léger bij Boukhalfa dat het einddoel van het Unieburgerschap ‘een grotere assimilatie tussen de burgers van de Unie’ is.
HvJ EU 5 juni 1997, gevoegde zaken C-64/96 en C-65/96 (Uecker en Jacquet), Jur. I-3182.
HvJ EU 5 juni 1997, gevoegde zaken C-64/96 en C-65/96 (Uecker en Jacquet), Jur. I-3182, r.o. 23.
D. Kostakopoulou, ‘The evolution of European Union Citizenship’, European Political Science, Vol. 7, no 3, 2008, p. 288.
HvJ EU 12 mei 1998, zaak C-85/96 (Martínez Sala), Jur. I-2708.
Idem, r.o. 2.
Conclusie A-G HvJ EU 1 juli 1997, zaak C-85/96 (Martínez Sala), I-2694.
Deze bepaling heeft, zoals hiervoor opgemerkt, betrekking op het vrije reis- en vestigingsrecht van iedere Unieburger op het grondgebied van de lidstaten, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die het Verdrag en secundair recht hieraan stelt.
HvJ EU 12 mei 1998, zaak C-85/96 (Martínez Sala), I-2708, r.o. 54.
Idem, r.o. 61. De terminologie die het Hof van Justitie in zijn rechtspraak hanteert, in het bijzonder het gebruik van het woord ‘onderdaan’, is opvallend te noemen. Het Hof van Justitie gebruikt dit woord ter aanduiding van de burger van de lidstaat. Het is bij de kwalificatie van de Unieburger dat het Hof van Justitie het woord ‘burger’ bezigt. Het Hof van Justitie is consistent hierin: personen die de nationaliteit hebben van een Unielidstaat zijn ‘onderdaan’ van de lidstaat, terwijl diezelfde personen in de rechtsorde van de Unie ‘burger’ van de Unie zijn. Uit Hoofdstuk II blijkt dat verschillende auteurs met deze termen bedoelen dat de onderdaan, anders dan een burger, een individu is dat zich houdt aan het recht, terwijl hij niet in decisieve zin betrokken is bij de totstandkoming van bindende regelgeving. Deze door het Hof van Justitie gehanteerde terminologie is in lijn met ’s Hofs standpunt dat de hoedanigheid van Unieburger de primaire hoedanigheid is van de Unieburger. Vanuit het perspectief van enkele in Hoofdstuk II behandelde auteurs wekt deze terminologie de indruk dat in de gedachtegang van het Hof van Justitie burgers van de lidstaten in een minder decisieve zin tot de lidstaat staan dan tot de EU.
Het Hof van Justitie stelt in r.o. 62: “Artikel 8, lid 2, van het Verdrag verbindt aan de status van burger van de Unie de in het Verdrag neergelegde rechten en plichten, waaronder het in artikel 6 van het Verdrag neergelegde recht om binnen de materiële werkingssfeer van het Verdrag niet te worden gediscrimineerd op grond van nationaliteit.” In r.o. 57 was het Hof van Justitie om onduidelijke redenen tot het oordeel gekomen (met verwijzing naar de antwoorden op de eerste drie prejudiciële vragen) dat dit geval ‘ontegenzeggelijk binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt’. Zie ook: conclusie A-G Geelhoed, HvJ EU 5 juli 2001, zaak C-413/99, punt 51. Zie voor een kritische bespreking: Christian Tomaschat, ‘Radical Equality under Article 12 of the EC Treaty? The Case of Martínez Sala’, Common Market Law Review 2000, p. 449.
A-G La Pergola HvJ EU 1 juli 1997, zaak C-85/96 (Martínez Sala), I-2694. De A-G stelt tevens dat het Unieburgerschap de fundamentele rechtspositie is die de rechtsorde van de Unie garandeert aan de burgers van de lidstaten, zie Jur. I-2703. A-G La Pergola loopt in dit opzicht vooruit op ’s Hofs uitspraak in Grzelczyk, waarin het Hof van Justitie stelt dat de hoedanigheid van Unieburger de primaire hoedanigheid is van de onderdanen van de lidstaten. HvJ EU 20 september 2001, zaak C-184/99 (Grzelczyk), Jur. I-6229.
Conclusie A-G HvJ EU 1 juli 1997, zaak C-85/96 (Martínez Sala), I-2704.
Conclusie A-G HvJ EU 1 juli 1997, zaak C-85/96 (Martínez Sala), I-2704.
Zie ook: S. O’Leary, ‘Putting flesh on the bones of European Union Citizenship’, European Law Review 24, 1999, p. 68-79. Hoewel het Hof van Justitie in de uitspraak Bickel en Franz niet expliciet ingaat op het burgerschapsbegrip van de Unie, staat ook hier het discriminatieverbod op grond van nationaliteit in de weg aan een nationale wettelijke regeling ‘die burgers die een bepaalde andere taal dan de hoofdtaal van de betrokken lidstaat spreken en op het grondgebied van een bepaalde gemeenschap wonen, het recht toekent te verzoeken om behandeling van de strafzaak in hun taal, wanneer dit recht wordt onthouden aan onderdanen van andere lidstaten die dezelfde taal spreken en op dat grondgebied reizen en verblijven’. HvJ EU 24 november 1998, zaak C-274/ 96 (Bickel en Franz), I-7660. In de conclusie bij deze uitspraak schrijft A-G Jacobs: “Het begrip ‘burgerschap van de Unie’ impliceert een gemeenschap van rechten en plichten die de burgers van de Unie verenigt door een gemeenschappelijke band die de nationaliteit van de lidstaat overstijgt. De invoering van dit begrip was grotendeels ingegeven door het streven om de Unie dichter bij haar burgers te brengen en uitdrukking te geven aan de aard van de Unie, die meer is dan een zuiver economische unie.” Conclusie A-G F.G. Jacobs 19 maart 1998, zaak C-274/96 (Bickel en Franz), Jur. I-7645. Cf. conclusie A-G Léger 14 november 1995, zaak C-214/94 (Boukhalfa), Jur. I-2255, punt 63, waarin wordt gesteld dat burgerschap een uniformerende en legitimerende werking heeft.
Conference of the Representatives of the Governments of the Member States, Secretariat, Presidency Introductory Note on Citizenship, 26 July 1996, Brussels, CONF/3878/96 LIMITE, p. 2.
Zie Magnette 1998. Voor de drie wijzigingen die werden toegevoegd aan Deel II van het Verdrag door het Verdrag van Amsterdam, zie PbEG 10 november 1997, C 340/27.
Zie ook Kostakopoulou 1998b, p. 640, waarin wordt gesteld: “[…] the Amsterdam Treaty has not added anything of substance to Union citizenship. Nor has it extended the personal scope of Union citizenship to include long-term resident third country nationals.”
European Commission, Third Report from the Commission on the Citizenship of the Union, COM(2001) 506, 07.09.2001, Brussels.
Ibid.
Idem, p. 7: “It is for each Member State to lay down the conditions for acquiring and losing the nationality of that state. Declaration no 2 annexed to the Treaty of Maastricht (which instituted citizenship of the Union) clearly states that whenever in the Treaty establishing the European Community reference is made to nationals of the Member States, the question whether an individual possesses the nationality of a Member State is to be settled solely by reference to the national law of the Member State concerned; […].”
Ibid, p. 7. Met een verwijzing naar De Condorcet maakt de Commissie de lezer deelgenoot van haar gedachten over de definitie van het burgerschapsbegrip: “The term ‘citizenship’ is difficult to define, particularly when it is used almost as a synonym for words like ‘nationality’ or even ‘identiy’. While one might share Condorcet’s view that ‘we are not born citizens but become citizens through education’, the EC Treaty defines citizenship of the Union more prosaically: every person having the nationality of a member state shall be a citizen of the Union. Citizenship of the Union, as commentators have pointed out, is thus something ‘superimposed’ on national and in some cases regional or local citizenship to give the effect of multiple levels.”
Een voorbeeld voldoet. Voor het kiesrecht voor het Europees Parlement heeft de Unie het organisatieapparaat van de lidstaat nodig om deze verkiezingen uit te schrijven en daadwerkelijk te houden. Vermeldenswaardig in dit derde rapport is voorts de volgende overweging van de Commissie: “When considering the scope of citizenship of the Union, attempts to draw parallels with national citizensihp should be avoided. Because of its origins and the rights and duties associated with it, citizenship of the Union is sui generis and cannot be compared to national citizenship of a Member State.” COM(2001) 506, p. 7. Zoals hierboven gesteld bestaat er geen precedent van het Unieburgerschap. Niettemin wordt in de Unie teruggegrepen op het eeuwenoud concept burgerschap. Dit begrip burgerschap is door de eeuwen heen gebruikt in verschillende entiteiten en verschillende politieke rechtsordes, varieerde van de Griekse poleis en de Italiaanse stadstaten tot de post-Westfaalse natiestaten. Eigen aan het gebruik van dit begrip in de verschillende politieke rechtsordes is dat het de rechtsverhouding heeft gereguleerd en reguleert tussen de burger en de rechtsorde, zo ook de rechtsorde van de Europese Unie. Ervan uitgaande dat dit begrip, toegegeven in een verschillende context, de rechtsverhouding reguleert tussen de Unieburger en de Unie, worden er in dit proefschrift overeenkomsten en verschillen benadrukt tussen het begrip burgerschap en het Unieburgerschap om dit laatste te duiden.
HvJ EU 20 februari 2001, zaak C-192/99 (Kaur), Jur. I-1252.
Idem, r.o. 27.
Idem, r.o. 20. A-G Léger schrijft in zijn conclusie bij dit arrest dan ook: “Het Verdrag betreffende de Europese Unie heeft […] een burgerschap van de Unie ingesteld en dat burgerschap verleend aan wie de ‘nationaliteit van een lidstaat’ bezit. Aldus heeft de communautaire wetgever bevestigd, dat hij gehecht is aan de voorafgaande nationale verankering van wie zich op het gemeenschapsrecht wenst te beroepen.” Conclusie A-G Léger 7 november 2000, zaak C-192/99 (Kaur), punt 2.
Zoals hiervoor uiteengezet bevatte art. 8E Verdrag van Maastricht de verplichting voor de Commissie om voor 31 december 1993 verslag uit te brengen over de toepassing van de bepalingen van Deel II van het Verdrag, de bepalingen aangaande het Unieburgerschap. Het eerste rapport van de Commissie over het Unieburgerschap verscheen op 21 december 1993.1 Dit eerste rapport had betrekking op een kort tijdsbestek, aangezien het Verdrag van Maastricht in werking was getreden op 1 november 1993.2 De Commissie grijpt de rechtsgrondslag in het Verdrag aan om het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité deelgenoot te maken van haar eerste bevindingen over het burgerschapsbegrip in de Unie en de nieuwe bepalingen in het Verdrag.3 Na de weergave van enkele historische mijlpalen in de totstandkoming van het Unieburgerschap, brengt de Commissie naar voren dat de toegevoegde bepalingen 8 tot en met 8E onderstrepen dat het Verdrag van Rome tot de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap niet louter van economische aard zijn.4 De Commissie stelt dat voor de eerste keer in het Europese integratieproject, het Verdrag van Maastricht een ‘directe politieke band’ in het leven heeft geroepen tussen de burgers van de lidstaten en de Europese Unie die voorheen afwezig was in de Gemeenschap.5 Het doel van het creëren van deze band is volgens de Commissie het bevorderen van een gevoel van Europese identiteit met de Unie. Twee opmerkingen zijn in dit verband op hun plaats. In de eerste plaats is op te merken dat reeds voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht een band aanwezig was tussen de burger van de lidstaat enerzijds en de Unie anderzijds die politiek was te noemen.6 Zoals hierboven is geschetst bestaat het Europees Parlement sinds 1979 uit direct gekozen vertegenwoordigers van de lidstaten van de Unie. In de tweede plaats is het kwestieus in hoeverre er sprake kan zijn van een directe band tussen de Unieburger en de Unie, aangezien een burger slechts het Unieburgerschap toekomt indien deze burger de nationaliteit bezit van een van de lidstaten.7 Er bestaat immers geen Europees Unienationaliteitsrecht, hoewel daartoe wel voorstellen zijn gedaan.8 Onbetwist is overigens dat deze indirecte wijze van verkrijging van het Unieburgerschap niet in de weg staat aan de directe werking en effectiviteit van het Unierecht ten aanzien van het Unieburgerschap.9
De bepaling in het Verdrag die het Unieburgerschap toekent aan eenieder die de nationaliteit bezit van een van de lidstaten van de Unie, dient volgens de Commissie te worden gelezen in het licht van de Verklaring van de Intergouvernementele Conferentie betreffende de nationaliteit van een Lid- Staat.10 Deze declaratie, die gehecht is aan het Verdrag van Maastricht, maakt het mogelijk voor de lidstaten om door middel van een verklaring aan te geven welke personen voor doeleinden van de Unie dienen te worden aangemerkt als hun burgers.11 Ook erkent de Commissie, in overeenstemming met de tekst in het Verdrag (art. 8E), dat de bepalingen in Deel II niet een statisch, maar juist een dynamisch karakter hebben.12 De Commissie besteedt in het rapport vervolgens aandacht aan de bepalingen van Deel II van het Verdrag, met daarin de rechten die zijn gekoppeld aan het Unieburgerschap.13
Het tweede rapport van de Commissie over het Unieburgerschap verschijnt op 27 mei 1997.14 Het rapport vangt aan met de constatering dat het burgerschap van de Unie is bedoeld ‘om het Europese integratieproces relevanter te maken voor de individuele burger door zijn betrokkenheid te vergroten, de bescherming van zijn rechten te verbeteren en het idee van Europese identiteit te bevorderen’.15 Anders dan in het eerste rapport, waar een chronologische bespreking plaatsvindt van de rechten die zijn vervat in Deel II van het Verdrag, wordt in het tweede rapport een onderscheid gemaakt in de aard van de verschillende rechten. In beginsel zijn, zo stelt de Commissie, de rechten gekoppeld aan het Unieburgerschap niet inroepbaar in louter nationale situaties met een zuiver intern karakter.16 Zo kan het kiesrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen van andere lidstaten slechts worden ingeroepen indien er sprake is van een grensoverschrijdend element. De Commissie vervolgt: “terwijl andere, zoals de toegang tot de Ombudsman of het indienen van een verzoekschrift bij het Europees Parlement, zich uitstrekken tot alle natuurlijke en rechtspersonen die in een Lid-Staat verblijven en aldaar hun statutaire zetel hebben”.17 Relevant aan deze passage is dat de Commissie een onderscheid maakt tussen de aard van de verschillende rechten die gekoppeld zijn aan het Unieburgerschap. De Commissie maakt in ieder geval duidelijk dat er ook rechten zijn die voortvloeien uit het Unieburgerschap die kunnen worden ingeroepen in een zuiver intern geval, waarbij een grensoverschrijdend element ontbreekt. De voorbeelden die de Commissie aanhaalt zijn de volgende. Om gebruik te willen maken van het kiesrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen van andere lidstaten is noodzakelijk dat de Unieburger zich bevindt in de andere lidstaat, omdat voldaan dient te worden aan het vereiste van het grensoverschrijdend element. Ten aanzien van het verzoekschrift bij het Europees Parlement en de toegang tot de Ombudsman waarbij door Unieburgers wanbeheer door Unie-instellingen of -organen (het Hof van Justitie van de EU uitgezonderd) is geconstateerd, wordt dit vereiste van grensoverschrijdend element losgelaten.18 Een bijzonder geval biedt, zoals aan de orde is gesteld in Hoofdstuk IV, het geval Eman en Sevinger ten aanzien van het kiesrecht van Nederlandse overzeese burgers (in casu Aruba) voor het Europees Parlement. Kwestieus was in de zaak Eman en Sevinger dan ook of er wel of niet sprake was van een intern Koninkrijksgeval.19 Daarover volgt meer in paragraaf 4 van dit hoofdstuk, alwaar de rechtsverhouding tussen de Unieburger overzee en de Unie ter sprake komt.
In het tweede rapport wordt verder gesteld dat de bekendheid en (daarmee) het gebruik van de Unieburgerschapsrechten moeten worden verbeterd.20 Anders zal volgens de Commissie het Unieburgerschap door de Unieburgers worden ervaren als een ‘vaag en ongrijpbaar begrip dat in de praktijk weinig betekent’.21 Teneinde dit doel te bereiken dienen de Commissie en de lidstaten er zorg voor te dragen dat het volgende wordt gedaan: ten eerste moet worden gestreefd naar een algemene bekendheid van Unieburgerschapsrechten bij de burger, waardoor zij gemakkelijk toegang kunnen hebben tot betrouwbare informatie hierover,22 en ten tweede dienen de door de lidstaten overeengekomen regels en procedures in de praktijk te worden toegepast, opdat de Unieburgers de rechten kunnen genieten waar zij aanspraak op maken.23 Deze twee te bewandelen paden worden nader ingevuld.24
In de eerste jaren tussen de inwerkingtreding van het Unieburgerschap en het verschijnen van de twee rapporten komt het Unieburgerschap impliciet en soms expliciet ter sprake in de rechtspraak van het Hof van Justitie. Een voorbeeld vormt het geval van Boukhalfa.25 Mevrouw Boukhalfa, van Belgische nationaliteit, is werkzaam bij de Duitse ambassade te Algiers, Algerije. De prejudiciële vraag die door het Duitse Bundesarbeitsgericht wordt gesteld aan het Hof van Justitie luidt of een burger van een lidstaat die op het grondgebied van een derde land bij de ambassade van een andere lidstaat werkzaam is, aanspraak kan maken op toepassing van de gemeenschapsbepalingen inzake het verbod van discriminatie26 op grond van nationaliteit. Hoewel het Hof van Justitie deze vraag bevestigend beantwoordt, gaat het rechtscollege merkwaardigerwijs in het geheel niet in op het Unieburgerschap.27 Merkwaardigerwijs, omdat het – inmiddels in werking getreden – Unieburgerschap de grondslag vormt voor het discriminatieverbod op grond van nationaliteit. A-G Léger besteedt aan het einde van zijn conclusie voor de uitspraak inzake Boukhalfa, bij wijze van een ‘post scriptum’, aandacht aan de notie van het Unieburgerschap. Hij stelt:
“Tot slot nog een laatste opmerking. Het Hof heeft zich nog niet kunnen uitspreken over het ‘nieuwe’ begrip Europees burgerschap, dat in het Verdrag betreffende de Europese Unie is ingevoegd. De erkenning van een dergelijk in de artikelen 8 tot en met 8E EG-Verdrag verankerd burgerschap heeft een sterk symbolische waarde en is vermoedelijk een van de in het oog springende onderdelen van de Europese constructie die de meeste aandacht in de publieke opinie heeft gekregen. Weliswaar omvat dit begrip aspecten die reeds grotendeels zijn verwezenlijkt door de evolutie van het gemeenschapsrecht, en vormt het in dat opzicht een consolidatie van het acquis communautaire, doch het Hof dient dit begrip zijn volle betekenis te verlenen. Welnu, indien alle aan dit begrip verbonden consequenties worden getrokken moeten alle burgers van de Unie, ongeacht hun nationaliteit, precies dezelfde rechten en plichten hebben. In het uiterste geval zou een dergelijk begrip een volledige gelijksteling van de burgers van de Unie, ongeacht hun nationaliteit, mogelijk moeten maken. Deze gelijkstelling zou op dezelfde wijze moeten werken als tussen de onderdanen van een zelfde staat.”28
Dit citaat van Léger komt dicht in de buurt van het hiervoor aan bod gekomen plan van Picard ter invoering van intercitoyenneté. Ook ten aanzien van dit voorstel betoogde Picard dat dit op den duur zou moeten leiden tot absolute gelijkheid tussen de burgers van de staten die een pacte d’intercitoyenneté hebben getekend. A-G Léger stelt enerzijds dat het burgerschapsbegrip in de Unie een sterk symbolische waarde heeft en anderzijds dat het aan het Hof van Justitie is om nadere invulling te geven aan dit begrip. Uit de uitspraken Stöber en Pereira29 en Uecker en Jacquet30 kan worden afgeleid dat het Hof van Justitie geen majeure aspecten toevoegt aan het Unieburgerschapsbegrip in de eerste jaren na de invoering hiervan. Zo wordt bijvoorbeeld in Uecker en Jacquet overwogen dat ‘het burgerschap van de Unie […] niet tot doel heeft de materiële werkingssfeer van het Verdrag uit te breiden tot interne situaties die geen enkel aanknoping met het gemeenschapsrecht hebben’.31 Dit is een welbekend uitgangspunt in het Unierecht: gevallen dienen, om binnen de materiële werkingssfeer van de Verdragen te vallen, een aanknopingspunt te hebben met het Unierecht. Deze uitspraken illustreren dat het Hof van Justitie aanvankelijk gereserveerd is ten opzichte van het institutioneel vormgeven van het begrip Unieburgerschap. Het Unieburgerschap wordt, al dan niet expliciet, gebruikt door het Hof van Justitie als secundaire bron voor het bevestigen van enkele van zijn oordelen.32 In het jaar 1998 komt daar verandering in, wanneer het Hof van Justitie uitspraak doet in de zaak Martínez Sala.33
De uitspraak in Martínez Sala heeft betrekking op de weigering van de Freistaat Bayern om aan Martínez Sala, een Spaanse die sinds 1968 in Duitsland woont, ouderschapsuitkering (Erziehungsgeld) te betalen.34 Zij is, hoewel zij legaal verblijft in Duitsland, niet in het bezit van een verblijfstitel. De vraag doet zich voor of Martínez Sala in Duitsland onder dezelfde voorwaarden als een Duitse onderdaan ouderschapsuitkering dient te ontvangen.35 Teneinde deze vraag te beantwoorden, dient allereerst te worden onderzocht of dit geval onder het Unierecht valt. De Duitse regering beantwoordt deze vraag ontkennend door te stellen dat het Verdrag, in het bijzonder art. 8A,36 niet van toepassing is in het geval van Martínez Sala, omdat zij niet in het bezit was van een verblijfstitel. Martínez Sala was echter, zoals hierboven opgemerkt en beaamd door de Duitse regering, wel toegestaan in Duitsland te verblijven. Het beschikken over een verblijfstitel werd niet geëist van Duitse onderdanen die een aanvraag om een ouderschapsuitkering indienden.37 Het Hof van Justitie stelt dat, indien een onderdaan van een lidstaat legaal verblijft op het grondgebied van een andere lidstaat, het gegeven geval binnen de personele werkingssfeer van de bepalingen van het Verdrag inzake het Unieburgerschap valt.38 Martínez Sala kon volgens het Hof van Justitie rechtens aanspraak maken op art. 8A van het Verdrag. Louter het rechtmatige verblijf van Martínez Sala op het grondgebied van een andere lidstaat was derhalve voldoende om haar binnen de ratio personae van het Unieburgerschap te brengen.39 In de conclusie bij het arrest stelt A-G La Pergola dat niet valt te ontkennen dat het Unieburgerschap in tweeërlei opzichten gevolgen heeft voor de toepassingssfeer van de Verdragen. 40Ten eerste brengt het Unieburgerschap volgens de A-G met zich dat het onderscheidscriterium van nationaliteit niet langer van betekenis is voor de burger van de lidstaat, omdat hem de status en ‘subjectieve hoedanigheid’ van Unieburger is toegekend.41 Ten tweede, zo wordt gesteld, ‘verbindt artikel 8A van het Verdrag aan de subjectieve hoedanigheid van burger van de Unie het recht zich in elke lidstaat te bewegen en aldaar te verblijven’.42 Gesteld kan worden op grond van het voorgaande dat het Unieburgerschap in de zaak Martínez Sala door het Hof van Justitie voor het eerst zelfstandige betekenis wordt toegekend. In deze zaak wordt het nodige belang gehecht aan de omstandigheid dat Martínez Sala Unieburger is, met als gevolg dat zij onder de personele werkingssfeer van het Unierecht valt.43 Het was dus gedurende deze jaren dat in ’s Hofs rechtspraak de eerste stappen worden gezet om het Unieburgerschapsbegrip te institutionaliseren.
Gedurende dezelfde jaren werd het Verdrag van Amsterdam ondertekend (oktober 1997) en in werking gesteld (mei 1999). Tijdens de intergouvernementele conferentie ter voorbereiding van de tekst van het Verdrag van Amsterdam werden verschillende overwegingen gegeven door meerdere delegaties van lidstaten over Deel II van het Verdrag. Deze waren:
“(a) any rights to be added to those at present contained in Part Two of the TEC should clearly be appropriate for consideration in the context of Union citizenship. Fundamental rights being of universal application should apply to all persons within the territory of the Union and should not be linked to citizenship of the Union;
(b) no direct effect should derive from the inclusion of new rights in the Treaty;
(c) the economic and financial consequences that could ensue in practice from the implementation of any additional rights would need to be carefully assessed.”44
Deze gereserveerde houding van de lidstaten om nadere invulling te geven aan het Unieburgerschap, zorgde ervoor dat in het Verdrag van Amsterdam een belangrijke wijziging werd doorgevoerd in de relatie tussen het Unieburgerschap en het staatsburgerschap.45 De wijziging luidde dat aan art. 8 lid 1 een derde volzin werd toegevoegd, luidend: “Het burgerschap van de Unie vult het nationale burgerschap aan doch komt niet in de plaats daarvan.” Deze volzin brengt de hiervoor geschetste terughoudendheid van de lidstaten tot uitdrukking om, in dit geval door middel van regelgeving, nadere invulling te geven aan het begrip Unieburgerschap.46 Bovendien komt hieruit naar voren dat het Unieburgerschap louter een aanvullend karakter heeft. Deze wijziging ondermijnde derhalve expressis verbis de zelfstandige betekenis van het Unieburgerschap. In de latere rechtspraak van het Hof van Justitie, zoals zal blijken in het navolgende, treedt de autonomie en zelfstandigheid van het Unieburgerschap echter op de voorgrond.
Ook in het Verdrag van Amsterdam behoudt het Unieburgerschap zijn derivatieve karakter. Het Unieburgerschap komt immers toe aan eenieder die de nationaliteit bezit van een van de lidstaten. In het derde rapport47 van de Commissie ten aanzien van het Unieburgerschap worden enkele punten verduidelijkt met betrekking tot de wijze van verkrijging en verlies van het Unieburgerschap.48 De Commissie benadrukt in dit kader dat het aan de lidstaten is om in het eigen nationaliteitsrecht de wijze van verkrijging en verlies van de eigen nationaliteit te bepalen.49 Het is namelijk enkel door middel van de verkrijging van de nationaliteit van de lidstaat dat het Unieburgerschap kan worden verkregen.50 Deze overweging van de Commissie is te volgen, indachtig het feit dat de lidstaat in beginsel essentieel is bij de daadwerkelijke realisatie van de rechten die zijn gekoppeld aan het Unieburgerschap.51
Vergelijkbare overwegingen zijn te vinden in de uitspraak Kaur van het Hof van Justitie ten aanzien van de ratio personae van het Unieburgerschap.52 In dit arrest oordeelt het Hof van Justitie dat voor de vraag of een persoon onderdaan is van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord- Ierland, te rade moet worden gegaan bij de verklaring van de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van 1982 betreffende ‘de definitie van het woord ‘onderdaan’ welke de verklaring van de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, gehecht aan de slotakte van het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Gemeenschappen, heeft vervangen’.53 Voordat het Hof van Justitie tot dit oordeel komt, overweegt het dat het Verenigd Koninkrijk, in verband met zijn imperiale en koloniale verleden op grond van het beginsel van internationaal gewoonterecht dat het aan de staat is om de voorwaarden te bepalen ter verkrijging en verlies van de nationaliteit, verschillende categorieën van Britse burgers heeft. Deze categorieën van Britse burgers hebben naargelang de aard van hun rechtsverhouding tot het Verenigd Koninkrijk uiteenlopende rechten gekregen.54 Op deze uitspraak wordt in de context van de LGO nader ingegaan in paragraaf 5.4.2.