Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.2.2
10.2.2 Toets aan het toetsingskader
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491409:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 9.5, waarin ook is opgemerkt dat het vermijden van belemmeringen niet onbegrensd is.
Zie onderdeel 10.2.3.
Zie over dit onderwerp ook Boomsluiter in: Stevens & Van de Streek 2019, onderdeel 3.1.
Het begrip concern laat zich op verschillende manieren definiëren. Zie bijvoorbeeld Kok 2005, hoofdstuk 2 en de door hem gemaakte verdere (literatuur)verwijzingen.
Dijstelbloem 1984, hoofdstuk 1, onderdeel 3, p. 27, verwoordt het als volgt: “In de concerngedachte (…) behoeft men géén beperkingen aan te leggen ten aanzien van de te faciliëren vormen van interne reorganisatie (…). Voorts behoeft men in de concerngedachte géén specifieke eisen aan de tegenprestatie te stellen.”
Ook het overdragen of laten overgaan van ‘losse’ vermogensbestanddelen kan bedrijfseconomisch wenselijk zijn.
Vgl. ook Heithuis, WFR 2019/189, onderdeel 6.1. Deze auteur pleit ervoor de ondernemingseis te laten vervallen.
Deze voorgestelde wijziging van art. 3.56, lid 1, Wet IB 2001 werkt automatisch door naar art. 4.16, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001, mits mijn eerder aanpassingsvoorstel wordt overgenomen. Zie onderdeel 8.3.4. Vervolgens werkt dat automatisch door naar art. 4.41, lid 2 en art. 4.42, lid 2, Wet IB 2001.
Dat deze verwarring reëel is, blijkt uit de in onderdeel 10.2.1 behandelde conclusie van A-G Wattel.
Zie onderdeel 4.4.2, waarin ook de zogenoemde ‘Leur-Bloem-leer’ is behandeld.
Afgezien van het feit dat uitsluitend naar Nederlands recht opgerichte rechtspersonen kunnen deelnemen aan een splitsing ex art. 2:334a. Zie onderdeel 2.10 voor de mogelijkheden van een grensoverschrijdende splitsing naar Nederlands civiel recht. Verderop in dit onderdeel kom ik nog terug op de verhouding tussen de Fusierichtlijntransacties en het (toepasselijke) civiele recht.
De Fusierichtlijn zet immers slechts een minimumharmonisatiestandaard. Dat blijkt niet alleen uit de Fusierichtlijnbepalingen, maar kan ook worden afgeleid uit de toelichting op het oorspronkelijke Fusierichtlijnvoorstel van de Europese Commissie uit 1969, onderdeel I, V-N 1969, p. 676. Daarin is onder meer het volgende opgemerkt: “Volgens de Commissie kan alleen een gemeenschappelijke regeling (…) een bevredigende oplossing bieden. Er kan evenwel geen sprake van zijn een regeling tot stand te brengen die tot in alle bijzonderheden uniform is; daarvoor is het vraagstuk (…) te ingewikkeld. Om deze reden stelt de Commissie de Raad voor om door middel van een richtlijn de hoofdlijnen van de te aanvaarden gemeenschappelijke regeling vast te stellen.” Zie voor het oorspronkelijke Fusierichtlijnvoorstel ook PbEG 22 maart 1969, nr. C 39/1.
Zie onderdeel 2.8.3, onder e t/m i.
Overigens zou de moeder-dochterafsplitsing onder omstandigheden kunnen passen in de definitie van de inbreng van activa (art. 2, onderdeel d, Fusierichtlijn).
Een inbrengende vennootschap is de vennootschap die de activa en passiva van haar vermogen overdraagt of haar gehele dan wel één of meer takken van haar bedrijvigheid inbrengt (art. 2, onderdeel f, Fusierichtlijn). Vertaald naar het Nederlandse begrippenkader is dit de (af)splitsende rechtspersoon. Een ontvangende vennootschap is de vennootschap die de activa en passiva van het vermogen dan wel alle of één of meer takken van bedrijvigheid van de inbrengende vennootschap ontvangt (art. 2, lid 1, onderdeel g, Fusierichtlijn). Nationaalrechtelijk is dit de verkrijgende rechtspersoon.
De zinsnede ‘vennootschap van een lidstaat’ slaat terug op art. 1 Fusierichtlijn. De reikwijdte van de Fusierichtlijn wordt daarin beperkt tot bepaalde transacties, waaronder splitsingen, waarbij vennootschappen van twee of meer lidstaten betrokken zijn. Zoals eerder in dit onderdeel al is opgemerkt, is de materiële werkingssfeer van de Fusierichtlijn in relatie tot Nederland aanmerkelijk ruimer als gevolg van de Leur-Bloem-leer. Het gaat mij nu om de term ‘vennootschap’.
De vestigingsplaatseis (en daarmee ook de onderworpenheidseis) staat centraal in onderdeel 10.3.
Bij de analyse van de vestigingsplaatseis wordt ook ingegaan op buitenlandse rechtsvormen. Zie onderdeel 10.3.2.
Zie bijlage 1, deel A, onderdeel s, Fusierichtlijn.
Er is een wetsvoorstel aanhangig waarin wordt voorgesteld de subjectieve vennootschapsbelastingplicht voor de open CV te laten vervallen. Wordt dat wetsvoorstel aangenomen, dan zal de open CV (naar ik aanneem) worden verwijderd van de lijst van kwalificerende Nederlandse rechtsvormen.
Aangezien de opsomming uitsluitend lichamen bevat die subjectief vennootschapsbelastingplichtig zijn, is hier het open FGR bedoelt. Ook de formulering van de restcategorie duidt daarop.
Zie daarover bijvoorbeeld Rensen 2017, hoofdstuk 2, nr. 213 en nr. 274.
Zie ook Van den Brande-Boomsluiter, WFR 2004/561, onderdeel 2.1, Bouwman & De Weerdt-de Jong, WFR 2004/1597 en Boulogne in: Boulogne & Pieterse 2012, onderdeel 4.2, p. 46.
Dit is het standpunt van de medewetgever ten tijde van de implementatie van enkele wijzigingen van de Moeder-dochterrichtlijn en ten tijde van de implementatie van de Tiende Richtlijn (2005/56/EG) voor grensoverschrijdende juridische fusies in het Nederlandse civiele recht. Zie Kamerstukken II 2004/05, 30 031, nr. 6, p. 2 respectievelijk Kamerstukken I 2007/08, 30 929, C, p. 14-15. In de als eerste genoemde parlementaire stukken wordt daarnaast betoogd dat stichtingen en verenigingen niet kwalificeren als vennootschappen in de zin van (nu) art. 54 VWEU. In de als tweede genoemde parlementaire stukken wordt dat standpunt expliciet verlaten. Toch wordt daarin herhaald dat stichtingen en verenigingen geen vennootschappen zijn in de zin van de Fusierichtlijn met als reden dat zij naar Nederlands civiel recht niet als zodanig kwalificeren. Het is opmerkelijk dat enerzijds wordt gesteld dat het voor de hand ligt om uit te gaan van een op zichzelf staand begrip vennootschap in de Fusierichtlijn, terwijl anderzijds het Nederlandse civiele recht maatgevend wordt geacht voor het antwoord op de vraag of sprake is van een vennootschap. Zoals gezegd, zijn die twee vennootschapsbegrippen verschillend. Zie hierover ook Boulogne in: Boulogne & Pieterse 2012, onderdeel 4.2, p. 46.
Aldus ook Pancham, Cursus Belastingrecht EBR, onderdeel 8.2.3.B (bijgewerkt 16-3-2021).
Zie onderdeel 10.3.2 voor in het buitenland gevestigde stichtingen en verenigingen.
Zie ook onderdeel 10.2.1. Ook in art. 13h, 13j en art. 28c Wet VPB 1969 wordt met betrekking tot splitsingen het begrip rechtspersoon gebruikt. In art. 4.16, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001, welke bepaling onder meer relevant is voor buitenlands belastingplichtige lichamen met een a.b. in de splitsende rechtspersoon (art. 17, lid 3, onderdeel b jo. art. 18, lid 5, Wet VPB 1969), staat echter de term vennootschap. De reden daarvoor zal zijn dat het a.b.-regime is beperkt tot belangen in vennootschappen. Eerder in dit onderzoek is al bepleit om die bepaling aan te passen. Zie onderdeel 8.3.4. Overigens wordt in art. 4.41, lid 2 en art. 4.42, lid 2, Wet IB 2001 het begrip rechtspersoon gehanteerd. In laatstgenoemde bepalingen is de fiscale facilitering van de splitsing voor de a.b.-houders uitgewerkt.
De meervoudsvorm rechtspersonen wordt in dit voorstel vanzelfsprekend vervangen door entiteiten.
Boulogne in: Boulogne & Pieterse 2012, onderdeel 4.2, p. 46, heeft voorgesteld om het begrip rechtspersoon in diverse nationale fusie- en splitsingsbepalingen te vervangen door de term lichaam. In de Duitse wetgeving wordt wat betreft naar het recht van (andere) EU-lidstaten en EER-landen opgerichte entiteiten aangesloten bij het begrip vennootschap in art. 54 VWEU en art. 34 EER-Overeenkomst. Zie § 1, Abs. 2, UmwStG. Mijn voorstel combineert deze twee benaderingen en voorziet in een oplossing voor het geval in de Bijlage I, deel A van de Fusierichtlijn een vennootschap is opgesomd die niet onder de definitie van art. 54 VWEU valt. Ik ben in deze context geen voorstander van de term vennootschap omdat dan niet direct duidelijk is of wordt gedoeld op het begrip vennootschap (i) in de nationaalrechtelijke betekenis, (i) uit de Fusierichtlijn of (iii) als bedoeld in art. 54 VWEU en art. 34 EER-Overeenkomst.
De regeling van art. 14a Wet VPB 1969 komt alleen in beeld als de splitsende entiteit belastingplichtig is voor de heffing van vennootschapsbelasting. Uit art. 1 Wet VPB 1969 vloeit voort dat uitsluitend lichamen zoals vermeld in art. 2 en art. 3 Wet VPB 1969 subjectief vennootschapsbelastingplichtig kunnen zijn.
Zie de artikelen 1, 3 en 4 Fusierichtlijn in hun onderlinge samenhang.
Zie de artikelen 1, 3 en 8 Fusierichtlijn in hun onderlinge samenhang.
Zie hierover ook onderdeel 10.3.2.
In deze zin ook de Hoge Raad in BNB 2012/130, rechtsoverweging 3.3. Zie hierover uitgebreider de conclusie van A-G Wattel in deze zaak, onderdeel 7.7. Ik kom op dit arrest verderop nog terug.
En die civielrechtelijke mogelijkheden worden op hun beurt weer beïnvloed door Europese civielrechtelijke harmonisatieregelingen, zoals Richtlijn (EU) van 27 november 2019 (2019/2121), PbEU 12 december 2019, nr. L 321/1.
Deze sterke koppeling tussen de Fusierichtlijntransacties en het civiele recht blijkt al uit de toelichting op het oorspronkelijke Fusierichtlijnvoorstel van de Europese Commissie uit 1969, onderdeel III, V-N 1969, p. 680. De voorgestelde definitie van ‘fusie’ was daarin gelijk aan de definitie die was aanvaard door het Comité van deskundigen, belast met het bestuderen van de internationale fusies vanuit het vennootschapsrechtelijk perspectief. De definities van fusies en (gedeeltelijke) splitsingen in de (huidige) Fusierichtlijn vertonen ook treffende gelijkenissen met de definities in de civielrechtelijke harmonisatierichtlijnen. Vgl. de definities van ‘volledige splitsing’ en ‘gedeeltelijke splitsing’ in Richtlijn (EU) van 27 november 2019 (2019/2121), PbEU 12 december 2019, nr. L 321/1. Zie ook onderdeel 2.10.2.
Zie ook Van den Broek 2012, onderdeel 6.2.1.2.2, p. 154. Boulogne 2016, onderdeel 1.03[B], p. 24, concludeert dat een vermelding als vennootschap in bijlage 1, deel A van de Fusierichtlijn niet automatisch betekent dat zo’n vennootschap kwalificeert voor elke Fusierichtlijntransactie als bedoeld in art. 2 Fusierichtlijn in elke capaciteit (bijvoorbeeld ontvangende vennootschap). Wordt een vennootschap genoemd in bedoelde bijlage, dan acht hij het logisch om aan te nemen dat zo’n vennootschap ten minste kwalificeert in een bepaalde capaciteit. Het is mij niet helemaal duidelijk wat Boulogne hier nu precies bedoelt: (i) een vermelding als vennootschap in de bijlage van de Fusierichtlijn houdt in dat die vennootschap moet kunnen deelnemen aan elke Fusierichtlijntransactie, zij het niet in iedere hoedanigheid of (ii) zo’n vermelding betekent slechts dat zo’n vennootschap moet kunnen deelnemen aan één of meer Fusierichtlijntransacties in ten minste één capaciteit.
Volgens mij is een lidstaat overigens niet verplicht om fiscale begeleiding te bieden ingeval zo’n vennootschap via een samenstel van rechtshandelingen een eindstructuur tot stand brengt die materieel overeenkomt met een splitsing. Anders gezegd, de Fusierichtlijn dwingt volgens mij niet tot fiscale facilitering van (wat ik noem) een pseudo-splitsing. Ik wijs op de hiervóór behandelde koppeling met het civiele recht en op de omstandigheid dat in de Fusierichtlijndefinities van de splitsing en (gedeeltelijke) splitsing wordt gesproken over ‘rechtshandeling’ (enkelvoud). Het staat de nationale fiscale wetgever wel vrij om een pseudo-splitsing fiscaal te begeleiden. Mijns inziens is dat ook wenselijk. Zie onderdeel 10.2.3.
Er werd geprocedeerd door een aandeelhouder/vennootschapsbelastingplichtig lichaam.
Uit de bewoordingen van deze rechtsoverweging kan worden afgeleid dat wél sprake kan zijn van een vereiste uitgifte (en daarmee van een in beginsel fiscaal te faciliteren aandelenfusie), indien de coöperatie een in deelgerechtigdheden verdeeld kapitaal heeft gecreëerd in de statutaire regeling.
Deze conclusie geldt daarom voor alle Nederlandse fiscale splitsingsbepalingen die zijn gebaseerd op de Fusierichtlijn en waarin voor het begrip splitsing het (toepasselijke) civiele recht wordt gevolgd, zoals art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.56 Wet IB 2001.
Fiscaal-theoretische toets
Op grond van de fiscaal-theoretische toets dienen (betrokkenen bij) wenselijke splitsingen niet te worden belemmerd door de vennootschapsbelastingwetgeving.1 De splitsing is in de basis een civielrechtelijke rechtsfiguur. De (Nederlandse) civiele wetgever beoogt met deze rechtsfiguur te voorzien in een praktijkbehoefte, namelijk het via één rechtshandeling mogelijk maken van een deconcentratie van vermogen.2 Als de fiscale wetgeving, in dit geval meer specifiek de Wet VPB 1969 en de Wet IB 2001, niet goed aansluit op de civielrechtelijke splitsingsvarianten, kan dat belemmerend zijn voor de betrokkenen bij de splitsing. Dat zou zelfs het gebruik van de (civielrechtelijke) rechtsfiguur kunnen ondermijnen. Om die reden is de koppeling met het Nederlandse of buitenlandse civiele recht in lijn met de fiscaal-theoretische toets. Toch is naar mijn mening verdere optimalisatie mogelijk en wenselijk. Verderop werk ik dit nader uit.3
In relatie tot de fiscaal-theoretische toets rijst nog wel de vraag of voor fiscale facilitering niet als (extra) voorwaarde gesteld zou moeten worden dat er bij de splitsing (een zelfstandig onderdeel van) een onderneming of tak van bedrijvigheid overgaat. Bij een bedrijfsfusie wordt die voorwaarde wel gesteld4 en geredeneerd vanuit het neutraliteitsbeginsel kan worden betoogd dat het dan passend is bij de splitsing een vergelijkbare benadering te volgen.5 Voor zover vermogen in het kader van een splitsing overgaat binnen concern,6 zie ik daar in elk geval geen reden voor.7 Maar ook bij splitsingen buiten concern ben ik geen voorstander van een ondernemings- of tak-van-bedrijvigheidseis. Een splitsing wordt normaal gesproken namelijk tot stand gebracht op grond van (kort gezegd) bedrijfseconomische redenen8 terwijl daarbij (los van een eventuele bijbetaling) geen geldmiddelen worden ontvangen waarmee (vennootschaps)belasting kan worden voldaan. Daar komt bij dat als gevolg van een splitsing een (aandeelhouders)band ontstaat tussen (i) de participanten van de splitsende rechtspersoon of de afsplitsende rechtspersoon zelf en (ii) de verkrijgende rechtspersoon of een groepsmaatschappij van deze verkrijger. Dat is niet zonder meer gelijk te stellen aan een reguliere overdracht van één of meer vermogensbestanddelen tussen lichamen. Gelet op het voorgaande lijkt het mij, andersom, passender om de ‘ondernemingseis’ in de bedrijfsfusieregeling te heroverwegen.9
Fiscaaltechnische toets
Art. 14a Wet VPB 1969 en art. 3.56 Wet IB 2001 maken niet duidelijk dat voor de inhoud van het begrip splitsing wordt aangesloten bij het toepasselijke civiele recht. Tot 2001 werd in (de voorlopers van) deze fiscale splitsingsbepalingen verwezen naar art. 2:334a BW. Dat was verklaarbaar omdat volgens de toen geldende wettelijke regeling uitsluitend splitsingen naar Nederlands civiel recht fiscaal begeleid tot stand konden worden gebracht. Met het oog op de gewenste duidelijkheid, toegankelijkheid en rechtszekerheid dient in de huidige fiscale bepalingen mijns inziens expliciet te worden vermeld wat onder een splitsing wordt verstaan. Dit kan relatief eenvoudig door in art. 14a, lid 1, Wet VPB 1969 en in art. 3.56, lid 1, Wet IB 2001 aan te geven dat het moet gaan om een splitsing als bedoeld in art. 2:334a BW of een daarmee vergelijkbare buitenlandse (civielrechtelijke) regeling.10 Dit kan verwarring voorkomen.11
Toets aan hoger recht
Het begrip ‘splitsing’ is in art. 2, onderdeel b, Fusierichtlijn als volgt gedefinieerd:
“[D]e rechtshandeling waarbij de activa en passiva van het vermogen van een vennootschap als gevolg en op het tijdstip van haar ontbinding zonder liquidatie in hun geheel op twee of meer reeds bestaande of nieuwe vennootschappen overgaan tegen uitgifte, volgens een pro-rataregeling, van bewijzen van deelgerechtigdheid in het maatschappelijk kapitaal van de ontvangende vennootschappen aan haar deelgerechtigden, eventueel met een bijbetaling in geld welke niet meer mag bedragen dan 10 % van de nominale waarde of, bij gebreke van een nominale waarde, van de fractiewaarde van deze bewijzen.”
Art. 2, onderdeel c, Fusierichtlijn omschrijft de ‘gedeeltelijke splitsing’ als volgt:
“[D]e rechtshandeling waarbij één of meer takken van bedrijvigheid van een vennootschap, zonder dat deze wordt ontbonden, op één of meer reeds bestaande of nieuwe vennootschappen overgaan en ten minste één tak van bedrijvigheid in de inbrengende vennootschap overblijft tegen uitgifte, volgens een pro-rataregeling, van bewijzen van deelgerechtigdheid in het maatschappelijk kapitaal van de ontvangende vennootschappen aan haar deelgerechtigden, eventueel met een bijbetaling in geld welke niet meer mag bedragen dan 10% van de nominale waarde of, bij gebreke van een nominale waarde, van de fractiewaarde van deze bewijzen.”
Worden deze omschrijvingen vergeleken met ons nationaalrechtelijke begrippenarsenaal, dan is de splitsing de Fusierichtlijnpendant van wat wij nationaalrechtelijk een zuivere splitsing noemen. De gedeeltelijke splitsing is de tegenhanger van de afsplitsing. Zoals gezegd, heeft de Nederlandse fiscale wetgever de keuze gemaakt om voor het fiscaalrechtelijke begrip splitsing aan te sluiten bij het toepasselijke civiele recht. De vraag rijst of die keuze in overeenstemming is met de Fusierichtlijn. De nationale fiscale splitsingsregels in de vennootschapsbelasting en in de Wet IB 2001 moeten namelijk – ook in zuiver nationale splitsingssituaties – voldoen aan de voorschriften uit de Fusierichtlijn.12
Op het eerste gezicht lijken de nationaalrechtelijke begrippen zuivere splitsing en afsplitsing in art. 2:334a BW ruimer dan de zojuist geciteerde termen splitsing en gedeeltelijke splitsing uit de Fusierichtlijn.13 Dat is vanzelfsprekend niet strijdig met de Fusierichtlijn.14 Ik geef twee voorbeelden:
Volgens het nationale civiele recht is een moeder-dochterafsplitsing mogelijk. De afsplitsende rechtspersoon krijgt in die splitsingsvariant alle aandelen toegekend in minimaal één nieuw opgerichte verkrijgende rechtspersoon.15 Deze afsplitsingsvariant past niet in de omschrijving van de gedeeltelijke splitsing in de Fusierichtlijn.16
De gedeeltelijke splitsing uit de Fusierichtlijn vereist dat één of meer takken van bedrijvigheid overgaan naar de ontvangende vennootschap(pen) én dat ten minste één tak van bedrijvigheid overblijft in de inbrengende vennootschap. Een afsplitsing als bedoeld in art. 14a, lid 1, onderdeel b, Wet VPB 1969 en art. 3.56, lid 1, Wet IB 2001 kent dergelijke eisen niet omdat wordt aangesloten bij het civiele recht.
Ik schreef hiervóór bewust op het eerste gezicht. In de omschrijving van de begrippen splitsing en gedeeltelijke splitsing in de Fusierichtlijn wordt namelijk gesproken over ‘inbrengende vennootschap’ en ‘ontvangende vennootschap’.17 In art. 3 Fusierichtlijn is bepaald wat moet worden verstaan onder ‘vennootschap van een lidstaat’.18 Dat is iedere vennootschap die een rechtsvorm heeft zoals genoemd in bijlage I, deel A van de Fusierichtlijn en die bovendien voldoet aan (kort gezegd) een vestigingsplaatseis en een onderworpenheidseis.19 Deze bijlage bevat per EU-lidstaat een lijst van rechtsvormen die als vennootschappen kwalificeren. Ik focus in dit onderdeel op Nederland.20 De volgende rechtsvormen zijn voor Nederland als vennootschap aangemerkt:21 de NV, BV, open CV,22 coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, fonds voor gemene rekening,23 vereniging op coöperatieve grondslag en vereniging welke op onderlinge grondslag als verzekeraar of kredietinstelling optreedt, alsmede andere vennootschappen die zijn opgericht naar Nederlands recht en die onder de Nederlandse vennootschapsbelasting vallen (restcategorie).
Deze opsomming leert ons dat de term vennootschap uit de Fusierichtlijn niet overeenkomt met wat wij daaronder nationaalrechtelijk verstaan. Zo zijn coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen naar Nederlands civiel recht rechtspersonen en ook lichamen ex art. 2 Wet VPB 1969, maar geen vennootschappen.24 Daarnaast is de Fusierichtlijnterm vennootschap niet identiek aan het nationaalrechtelijke begrip rechtspersoon. Zo is het open FGR geen rechtspersoon, maar wel een vennootschap in de zin van de Fusierichtlijn. Verder bestaat er discussie over de vraag of stichtingen en verenigingen binnen de werkingssfeer van de Fusierichtlijn vallen. Zij worden niet expliciet genoemd in de bijlage bij de Fusierichtlijn. Het is daarom de vraag of zij kunnen worden gerekend tot ‘andere vennootschappen die zijn opgericht naar Nederlands recht en die onder de Nederlandse vennootschapsbelasting vallen’ (restcategorie).25 Wordt het begrip vennootschap naar Nederlands civiel recht uitgelegd, dan is het antwoord ontkennend, omdat stichtingen en verenigingen nationaalrechtelijk geen vennootschappen zijn.26 Het ligt mijns inziens echter meer voor de hand om de term vennootschap te interpreteren binnen de Europese Fusierichtlijncontext. Het antwoord is naar mijn mening dan bevestigend.27 Voor in Nederland gevestigde stichtingen en verenigingen die willen deelnemen aan een splitsing is deze discussie overigens (vrijwel) zonder praktische betekenis. In art. 14a Wet VPB 1969 wordt immers de term rechtspersoon gehanteerd, zodat stichtingen en verenigingen onder het bereik van de nationale splitsingsregeling vallen.28 Dat geldt ook voor hun schuldeisers (stichtingen en verenigingen) en leden (verenigingen), aangezien ook in art. 3.56 Wet IB 2001 gebruik wordt gemaakt van het begrip rechtspersoon.
In het overzicht hierna zijn de vennootschappen opgesomd die voor Nederland staan vermeld in de bijlage bij de Fusierichtlijn. Daarbij is aangegeven of dit lichamen zijn volgens de Wet VPB 1969 en of dit rechtspersonen zijn volgens het Nederlandse civiele recht:
Vennootschap
Lichaam
Rechtspersoon
(Fusierichtlijn)
(Wet VPB 1969)
(NL-civiel recht)
NV
Ja
Ja
Ja
BV
Ja
Ja
Ja
Open CV
Ja
Ja*
Nee
Coöperatie en vereniging op coöperatieve grondslag
Ja
Ja
Ja
Onderlinge waarborgmaatschappij**
Ja
Ja
Ja
Open FGR
Ja
Ja
Nee
Restcategorie***
Ja
Ja
Mogelijk
* Er is een wetsvoorstel aanhangig waarin is voorgesteld de subjectieve belastingplicht van de Open CV te laten vervallen
** Inclusief vereniging die op onderlinge grondslag als verzekeraar of kredietinstelling optreedt
*** Andere naar NL-recht opgerichte vennootschappen die onder de Wet VPB 1969 vallen
Volgens het Nederlandse civiele recht kunnen uitsluitend rechtspersonen aan een splitsing deelnemen. In zowel art. 14a Wet VPB 1969 als art. 3.56 Wet IB 2001 wordt in lijn daarmee de term rechtspersoon gehanteerd.29 Dit betekent dat de vennootschappen die (voor Nederland) zijn genoemd in bijlage 1, deel A van de Fusierichtlijn maar die geen rechtspersoon zijn, niet onder het toepassingsbereik van art. 14a Wet VPB 1969 vallen, zodat zij de splitsing niet fiscaal begeleid tot stand kunnen brengen. De (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers van dergelijke vennootschappen komen evenmin in aanmerking voor fiscale facilitering. Naar mijn mening is dit strijdig met de Fusierichtlijn (zie hierna). Deze strijdigheid is volgens mij op te lossen door in alle nationale wetsbepalingen die betrekking hebben op de splitsing de term rechtspersoon te vervangen door entiteit.30 Het begrip entiteit dient als volgt te worden gedefinieerd: een lichaam als bedoeld in art. 2 en art. 3 Wet VPB 1969, een vennootschap als bedoeld in art. 54 VWEU en art. 34 EER-Overeenkomst of een vennootschap als genoemd in Bijlage I, deel A van de Fusierichtlijn.31 Dit leidt ertoe dat (in elk geval) ieder subjectief vennootschapsbelastingplichtig lichaam in de basis onder de splitsingsregeling van art. 14a Wet VPB 1969 valt, zodat fiscale facilitering in beginsel mogelijk is.32 Ook de (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers van dergelijke lichamen én van bedoelde vennootschappen komen dan in de basis voor fiscale begeleiding in aanmerking. Specifiek met het oog op de positie van participanten van niet-rechtspersonen verdient het mijns inziens aanbeveling om de gelijkstellingsbepaling in (art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo.) art. 3.56, lid 5, onderdeel b, Wet IB 2001 uit te breiden zodat ook ‘bewijzen van deelgerechtigdheid’ worden gelijkgesteld met aandelen. Het is namelijk denkbaar dat de participatiebewijzen in een splitsingspartner/niet-rechtspersoon geen aandelen, winstbewijzen of lidmaatschapsrechten zijn.33
Men kan mij tegenwerpen dat het praktische belang van deze aanbevelingen beperkt is, omdat niet-rechtspersonen toch niet kunnen deelnemen aan een splitsing naar Nederlands civiele recht. Nog daargelaten dat dit praktische argument de EU-strijdigheid niet opheft, wordt in die redenering over het hoofd gezien dat de fiscale splitsingsbepalingen in de Wet VPB 1969 en Wet IB 2001 ook betrekking hebben op splitsingen naar buitenlands civiel recht. Het is niet op voorhand uit te sluiten dat een entiteit/niet-rechtspersoon die is genoemd in de bijlage bij de Fusierichtlijn als splitsingspartner kan deelnemen aan een splitsing naar buitenlands civiel recht. Als deze niet-rechtspersoon binnenlands of buitenlands vennootschapsbelastingplichtig is, terwijl aan de splitsing bovendien vennootschappen uit twee of meer lidstaten deelnemen (art. 1, onderdeel a, Fusierichtlijn), dient in de basis fiscale begeleiding op de voet van art. 14a Wet VPB 1969 mogelijk te zijn.34 Ook op het niveau van de deelgerechtigden dient het in dergelijke gevallen in beginsel mogelijk te zijn een fiscaal gefaciliteerde splitsing tot stand te brengen.35 Dat is nu ten onrechte niet het geval, tenzij het begrip rechtspersoon in de hiervóór genoemde nationale bepalingen uit de Wet VPB 1969 en Wet IB 2001 Fusierichtlijnconform wordt geïnterpreteerd in de betekenis van vennootschap als bedoeld in bijlage 1, deel A van de Fusierichtlijn.36 Hoewel ik zo’n verzoenede interpretatie niet uitsluit, kan de fiscale wetgever mijns inziens beter op zeker spelen en de wetteksten aanpassen. Dat verdient ook met het oog op de fiscaaltechnische toets de voorkeur (duidelijkheid en rechtszekerheid).
Een andere vraag is of Nederland vanwege de Fusierichtlijn verplicht is het civiele recht aan te passen zodat het bijvoorbeeld mogelijk wordt dat vennootschappen in de zin van de Fusierichtlijn die geen rechtspersonen zijn, zoals het open FGR, kunnen deelnemen aan een splitsing volgens het civiele recht. Dat is niet het geval. De Fusierichtlijn is namelijk een gemeenschappelijke fiscale regeling. Dit volgt niet alleen uit de titel, maar ook uit de tekst, context en doelstelling (zoals beschreven in de considerans) van deze richtlijn. De Fusierichtlijn verplicht een lidstaat dan ook niet diens civiele recht aan te passen.37 Bovendien voorziet deze fiscale richtlijn ook niet in civielrechtelijke harmonisatieregels. Het antwoord op de vraag in hoeverre de diverse in art. 2 Fusierichtlijn gedefinieerde transacties, waaronder (gedeeltelijke) splitsingen, daadwerkelijk kunnen worden toegepast, is dan ook mede afhankelijk van de civielrechtelijke mogelijkheden in de betrokken lidstaten, waaronder de mogelijkheid een grensoverschrijdende splitsing tot stand te brengen.38 Dat geldt met name voor Fusierichtlijntransacties die sterk zijn geënt op het civiele recht, zoals splitsingen en juridische fusies.39 Dit betekent dat het deelnemen aan een transactie als bedoeld in art. 2 Fusierichtlijn weliswaar vereist dat sprake is van een vennootschap met een rechtsvorm genoemd in bijlage 1, deel A, van de Fusierichtlijn, maar niet – omgekeerd – dat elke vennootschap die in die bijlage is vermeld daadwerkelijk kan deelnemen aan alle transacties uit de Fusierichtlijn.40 Aangezien niet iedere vennootschap als bedoeld in bijlage 1, deel A van de Fusierichtlijn per definitie kan deelnemen aan een splitsing volgens het toepasselijke civiel recht, wordt het toepassingsbereik van de splitsingsregelingen op het niveau van de splitsingspartners (art. 14a Wet VPB 1969) en de (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers (onder meer art. 3.56 Wet IB 2001) op deze wijze dus beperkt.41 Dit blijkt ook uit het arrest BNB 2012/130. Daarin oordeelde de Hoge Raad over een casus waarin meerdere aandeelhouders hun (< 5%-)aandelenpakketten inbrachten in een coöperatie. Als tegenprestatie werden zij op de ledenrekening van de coöperatie bijgeschreven voor de nominale aandelenwaarde. De vraag was of de aandelenfusiefaciliteit van art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.55 Wet IB 2001 van toepassing was.42 Daarvoor is onder meer vereist dat de overnemende entiteit een vennootschap is die eigen aandelen of winstbewijzen uitreikt. In dit geval was de overnemer een coöperatie en dat is geen vennootschap. Bovendien wordt in een coöperatie geparticipeerd door middel van lidmaatschapsrechten en dat zijn geen aandelen of winstbewijzen. De Hoge Raad oordeelde dat de begrippen ‘vennootschap’ en ‘aandelen’ in art. 3.55, lid 2, onderdeel a, Wet IB 2001 moeten worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de (uitleg van de) overeenkomstige begrippen uit de Fusierichtlijn. Dit betekent dat ook een coöperatie als een vennootschap ex art. 3.55, lid 2, onderdeel a, Wet VPB 1969 kwalificeert en dat voor ‘aandelen’ kan worden gelezen ‘bewijzen van deelgerechtigdheid in het maatschappelijk kapitaal’. Toch was de aandelenfusiefaciliteit volgens de Hoge Raad niet van toepassing. Gelet op de Fusierichtlijndefinitie van aandelenruil is het namelijk in de ogen van de Hoge Raad in redelijkheid niet voor twijfel vatbaar dat het zowel wat betreft het overgenomen lichaam als het overnemende lichaam moet gaan om lichamen met een in aandelen of soortgelijke deelgerechtigdheden verdeeld kapitaal. Volgens Nederlands (civiel) recht hebben coöperaties niet een dergelijk verdeeld kapitaal. Van een uitgifte van bewijzen van deelgerechtigdheid als bedoeld in de Fusierichtlijn kan volgens de Hoge Raad daarom geen sprake zijn.43 Dat geldt ook voor bijschrijvingen op individuele ledenrekeningen van de coöperatie, nog daargelaten of zo’n bijschrijving als ‘uitgifte’ is aan te merken. De einduitkomst van dit arrest is dus dat een coöperatie weliswaar een vennootschap is genoemd in bijlage 1, deel A van de Fusierichtlijn, maar toch niet in aanmerking komt voor de (met inachtneming van de Fusierichtlijn) geïnterpreteerde nationale aandelenfusiefaciliteit. Mijns inziens heeft dit arrest overigens geen implicaties voor de vraag of een splitsing met een coöperatie als verkrijgende rechtspersoon voor fiscale facilitering op de voet van art. 14a Wet VPB 1969 in aanmerking kan komen. Dat is namelijk het geval omdat die wetsbepaling voor het begrip splitsing aansluit bij het (toepasselijke) civiele recht.44 Als een splitsing volgens het (vigerende) civiele recht rechtsgeldig tot stand komt, werkt dat door naar de toepassing van de splitsingsbepalingen in de Wet VPB 1969 en de Wet IB 2001. Indien aan alle overige daarvoor geldende eisen is voldaan, bestaat recht op fiscale begeleiding, ook als de verkrijgende coöperatie (of vergelijkbare rechtsvorm) geen in aandelen of soortgelijke deelgerechtigdheden verdeeld kapitaal heeft.