Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/II.4.2.1.1
II.4.2.1.1 Twee-partijengeschillen
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS589519:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 23 januari 1911, 219 U.S. 346 (Muskrat v. United States), 356: ‘Judicial power [...].is the power of a court to decide and pronounce a judgment and carry it into effect between persons and parties who bring a case before it for decision.’
U.S. Court of Appeals (6th Circuit) 3 juli 1991, 937 F.2d 1118 (Eubanks v. Wilkinson), 1127.
Het gezag van gewijsde verbiedt daarnaast, dat procespartijen nogmaals procederen over dezelfde vordering. Bijv. U.S. Supreme Court 22 februari 1979, 440 U.S. 147 (Montana v. U.S.), 153: ‘Under res judicata, a final judgment on the merits bars further claims by parties or their privies based on the same cause of action.’Dit onderdeel van het gezag van gewijsde (of: res judiciata) heet claim preclusion en moet onderscheiden worden van issue preclusion, dat hierna wordt besproken.
De regel geldt ook voor de door de rechter vastgestelde feiten.
U.S. Supreme Court 9 december 1980, 449 U.S. 90 (Allen v. McCurry), 94.
U.S. Supreme Court 27 mei 1912, 225 U.S. 111 (Bigelow v. Old Dominion Copper Co.), 127.
U.S. Supreme Court 3 mei 1971, 402 U.S. 313 (Blonder Tongue v. University of Illinois Found.). In U.S. Supreme Court 22 februari 1979, 440 U.S. 147 (Montana v. U.S.), 153 definieert het Hof die regel als volgt: ‘Under collateral estoppel, once an issue is actually and necessarily determined by a court of competent jurisdiction, that determination is conclusive in subsequent suits based on a different cause of action involving a party to the prior litigation.’
U.S. Supreme Court 10 januari 1984, 464 U.S. 154 (United States v. Mendoza). United States v. Mendoza handelt over civiele procedures. In U.S. Supreme Court 9 juni 1980, 447 U.S. 10 (Standefer v. United States), 21-25, spreekt het Hof uit, dat de regel van nonmutual collateral estoppel evenmin tegen de overheid kan worden ingeroepen in strafprocedures.
U.S. Supreme Court 10 januari 1984, 464 U.S. 154 (United States v. Mendoza), 160.
Idem, p. 161.
Note 1986, p. 847-861.
Traditioneel beslecht de federale rechter geschillen tussen twee partijen. Zijn beslissing bindt die partijen.1 Dat geldt ook voor geschillen waarin de rechter een wettelijk voorschrift toetst.2
Allereerst bindt het dictum van de uitspraak partijen. Dat onderdeel van de uitspraak bevat echter meestal niet het rechterlijk oordeel over de rechtmatigheid van het getoetste wettelijk voorschrift, maar bepaalt bijvoorbeeld, dat verdachte niet wordt gestraft, of dat het gevorderde moet worden toe- of afgewezen. De bindende kracht van het dictum heeft daardoor niet tot gevolg, dat tussen procespartijen voor andere procedures vaststaat, dat het getoetste voorschrift onrechtmatig is.
Een andere procesrechtelijke regel heeft echter wel tot gevolg, dat de overweging dat een wettelijk voorschrift onrechtmatig is, verbindende kracht heeft tussen partijen. Deze regel heet issue preclusion of collateral estoppel en is in de Verenigde Staten onderdeel van het gezag van gewijsde van de uitspraak.3 Volgens die regel zijn ook alle overwegingen van de uitspraak waarin de rechter antwoord geeft op rechtsvragen die noodzakelijk zijn voor de beslechting van het geschil, zoals de overweging dat een wettelijk voorschrift onrechtmatig is, bindend voor partijen.4
Het Hof aanvaardt deze regel om pragmatische redenen:
‘As this Court and other courts have often recognized, res judicata and collateral estoppel relieve parties of the cost and vexation of multiple lawsuits, conserve judicial resources, and, by preventing inconsistent decisions, encourage reliance on adjudication.’5
Lange tijd legde het Hooggerechtshof die regel zó uit, dat zij slechts betrekking heeft op nieuwe geschillen tussen oude procespartijen. De regel van collateral estoppel is mutual, zo heet het. Het Hof noemde dat ‘a principle of general elementary law’.6
In 1971 ging het Hof echter om en oordeelde het, dat de regel ook ingeroepen kon worden door een derde die geen partij is bij het geschil waarin de rechtsvraag werd beantwoord, tegen een partij die in dat geschil wèl als procespartij deelnam of omgekeerd.7
De aanvaarding van deze regel van non-mutual collateral estoppel had belangrijke gevolgen voor de vraag, wie aanspraken kan ontlenen aan een rechterlijke toetsingsuitspraak. Vaak is immers de overheid partij bij geschillen waarin die vragen rijzen. Toepassing van de regel van non-mutual collateral estoppel heeft dan tot gevolg, dat de onrechtmatigheid van een wettelijk voorschrift dat door de rechter on its face is getoetst in een procedure waarbij de overheid partij was, in elke andere procedure tegen de overheid vaststaat.
In United States v. Mendoza sprak het Hof echter uit, dat de regel van nonmutual collateral estoppel niet van toepassing is op geschillen waarbij de federale overheid betrokken is.8 Het geeft daarvoor drie pragmatische argumenten:
Ten eerste is de overheid, anders dan een private partij, betrokken bij veel juridische procedures. Regels die voor private partijen gelden, hoeven daarom niet noodzakelijk ook op de overheid van toepassing te zijn. Ten tweede zou toepassing van de regel van non-mutual collateral estoppel op de overheid ‘substantially thwart the development of important questions of law by freezing the first final decision on a particular legal issue.’9 Ten derde zou toepassing van die regel op de federale overheid tot gevolg hebben, dat deze steeds verplicht wordt door te procederen als tegen haar uitspraak wordt gedaan, terwijl zij het met dat oordeel niet eens is:
‘Unlike a private litigant who generally does not forgo an appeal if he believes he can prevail, the Solicitor General [het ambt van de federale overheid dat haar vertegenwoordigt bij het Hooggerechtshof, JS] considers a variety of factors, such as the limited resources of the Government and the crowded dockets of the courts, before authorizing an appeal. [...] The application of nonmutual estoppel against the Government would force the Solicitor General to abandon those prudential concerns and to appeal every adverse decision in order to avoid foreclosing further review.’10
De argumenten van het Hof zijn niet onbestreden gebleven. Volgens sommigen lokt het niet toepassen van de regel van non-mutual collateral estoppel op de overheid uit dat zij rechtsvragen niet uitprocedeert waarop het antwoord voor haar potentieel kostbaar is, zodat het Hof zich over die vragen niet kan uitspreken. De onduidelijkheid over de beantwoording van rechtsvragen die de overheid op die wijze moedwillig laat bestaan, kan minder draagkrachtigen ervan weerhouden hun recht te halen.11 De regel zelf is echter duidelijk: een toetsingsuitspraak roept in vele geschillen waarin burger en overheid tegenover elkaar staan, slechts rechtsgevolgen in het leven voor procespartijen.