Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/75
75 Veelvoud aan bevoegde rechters
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS503972:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Deze eis die voortvloeit uit het Rapport Jenard (PbEG 1979, C 59), p. 26, is bevestigd door HvJEG 27 september 1988, zaak 189/87, Jur. 1988, p. 5565, NJ 1990/425 m.nt. JCS (Kalfelis/Schröder) en vervolgens gecodificeerd in art. 6 lid 1 EEX-Vo (art. 8 lid 1 EEX-Vo II).
Zie ten aanzien van (destijds) art. 6 sub 2 EEX-Verdrag HvJEG 15 mei 1990, zaak C-365/88, Jur. 1990, p. I-1845, NJ 1991/557 m.nt. JCS (Hagen/Zeehaghe), r.o. 11.
HvJEG 27 september 1988, zaak 189/87, Jur. 1988, p. 5565, NJ 1990/425 m.nt. JCS (Kalfelis/ Schröder), r.o. 11.
Rapport-Jenard (PbEG 1979, C 59), p. 42.
Zie HvJEG 7 juni 1984, zaak 129/83, Jur. 1984, p. 2397, NJ 1985/331 (Zelger).
De mogelijkheid van een cumulatie van internationale bevoegdheden rechtvaardigt de opneming van een litispendentie-mechanisme, zoals dat in art. 29 e.v. EEX-Vo II is neergelegd. De doelstelling dat parallelle procedures moeten worden voorkomen komt ook terug in bevoegdheidsbepalingen. Art. 8 EEX-Vo II biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid om samenhangende zaken voor een en dezelfde rechter aan te brengen. In de eerste plaats regelt art. 8 EEX-Vo II in lid 1 de situatie van pluraliteit van verweerders. Indien sprake is van meerdere verweerders kan een verweerder met woonplaats in een lidstaat ook worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van de medeverweerders. Vereist is in een dergelijk geval dat sprake is van een nauwe band tussen de vorderingen die van dien aard is dat ‘een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gewezen.’1 Om parallelle procedures te vermijden is het mogelijk om in een geval van pluraliteit van verweerders alle vorderingen aan te brengen bij de rechter van de woonplaats van een van de verweerders. Ten tweede bepaalt art. 8 sub 2 EEX-Vo II dat bij een vordering tot vrijwaring, tot voeging of tot tussenkomst de verweerder kan worden opgeroepen voor het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is, tenzij de vordering is ingesteld met de bedoeling de opgeroepene af te houden van de rechter die de EEX-Verordening hem toekent. Ten derde verklaart art. 8 sub 3 bevoegd in geval van een tegenvordering die voortspruit uit de overeenkomst of uit het rechtsfeit waarop de oorspronkelijke vordering gegrond is, het gerecht waar de oorspronkelijke vordering aanhangig is. Ten slotte bepaalt art. 8 sub 4 EEX-Vo II dat in geval van een verbintenis uit overeenkomst die kan worden verbonden met een zakelijke vordering betreffende een onroerend goed, rechtsmacht toekomt aan de rechter van een andere lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. Aldus kan laatstgenoemde vordering aangebracht worden bij de exclusief bevoegde rechter van art. 24 sub 1 EEX-Vo II. Al deze rechtsmachtgronden gaan uit van het voorkomen van parallel aanhangige procedures door te bepalen dat indien een zaak reeds is aangebracht voor een bevoegde rechter in een lidstaat, deze rechter in bepaalde gevallen over alle aspecten van de zaak kan oordelen.2 Aldus worden potentieel parallelle procedures in een vroeg stadium in de kiem gesmoord. Art. 8 EEX-Vo II draagt bij aan het verminderen van het risico op parallelle procedures en de wens te vermijden dat in de lidstaten onderling onverenigbare beslissingen worden gewezen.3
Wat nu indien zich wel een situatie van aanhangigheid van gelijke of gerelateerde zaken voordoet? Dat wordt in de EEX-Verordening geregeld door de litispendentieen connexiteitsbepalingen van art. 29-34 EEX-Vo II. Deze bepalingen bevatten, anders dan bijvoorbeeld art. 8 EEX-Vo II, een mechaniek die niet gericht is op het voorkomen van parallelle procedures maar gericht is op het in zekere zin ‘repareren’ van parallelle procedures. Indien sprake is van aanhangigheid van gelijke of connexe zaken schrijven art. 29 EEX-Vo II inzake litispendentie en 30 EEX-Vo II inzake connexiteit voor hoe de rechter dient te handelen. Art. 31 EEX-Vo II regelt de zeer zeldzame situatie dat meer dan één gerecht bij uitsluiting bevoegd is en geeft prioriteit aan het eerst aangezochte gerecht.4 Aangezien de toepassing van art. 29 en 30 EEX-Vo II afhankelijk is van het aanhangig zijn van verschillende procedures is in art. 32 EEX-Vo II autonoom bepaald op welk moment een zaak geacht kan worden te zijn aangebracht. Onder het EEX-Verdrag moest het tijdstip van aanhangigheid worden bepaald naar nationaal procesrecht.5