Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/5.3.4
5.3.4 Het samenvoegen van schaarse middelen tot een rechtsobject
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS299252:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin bijvoorbeeld Bell & Parchomovsky 2008, p. 1035; Smith 2012a, p. 1693.
Heller 1999, p. 1201.
Zie (impliciet) Chang & Smith 2012, p. 31.
Smith 2017, p. 149, 153, die ook als voorbeeld geeft de voedingsstoffen en het water in de bodem van een stuk land die complementair aan elkaar zijn. Hoe bepaald moet worden of schaarse middelen complementair aan elkaar zijn, werkt hij niet uit.
Merrill & Smith 2011, p. 95; Smith 2014, p. 118.
Smith 2014, p. 118; Stern 2017, p. 1206.
Een uitzondering vormt Smith 2015, p. 2065, die stelt: “A legal thing is related to, but distinct from, an actual thing” (zonder het verschil overigens uit te leggen). Gezien de rest van zijn werk ligt het voor de hand om hierbij te denken aan de ad coelum-regel, die bepaalt dat de eigenaar van een stuk grond ook gerechtigd is tot de ‘luchtkolom’ daarboven. Zie bijvoorbeeld Smith 2007, p. 1783. Daarnaast besteden Bell & Parchomovsky 2008, p. 1035 aandacht aan het creëren van ‘fictieve’ rechtsobjecten (zoals appartementsrechten).
Het leerstuk is niet scherp gedefinieerd. Merrill 2009, p. 464–467 geeft voorbeelden die samenvallen met de Nederlandsrechtelijke leerstukken bestanddeelvorming, natrekking, zaaksvorming, vermenging, aanwas en vruchttrekking.
Merrill 2009, p. 463–464.
Mackaay 2013b, p. 273.
Merrill 2009, p. 483; Posner 2011, p. 46. Het betreft het zogenaamde ‘rent-seeking’; zie hierover Friedman 2000, p. 33.
Merrill 2009, p. 488 gaat daar ook niet voor alle gevallen van uit, door te stellen dat ook als de extra schaarse middelen geen meerwaarde hebben voor de eigenaar van de hoofdzaak deze waarschijnlijk wel het best in staat zal zijn om de extra schaarse middelen aan iemand anders te verkopen. Dit sluit aan bij de toewijzing van aanspraken onder het Coase-theorema; zie Calabresi 1968, p. 72; Cooter 1982, p. 18 en randnummer 117.
Smith 2007, p. 1770–1771.
180. Ik laat de discussie over welke soorten schaarse middelen onderdeel van een rechtsobject kunnen uitmaken hier verder voor wat het is en ga over naar de vraag hoe bepaald dient te worden welke van de toegestane schaarse middelen tot één rechtsobject dienen te worden samengevoegd. Veel auteurs nemen daarbij als uitgangspunt dat er gestreefd moet worden naar een optimale ‘asset configuration’; een samenstelling van schaarse middelen die leidt tot ‘the optimal thing subject to property’, oftewel een wenselijk rechtsobject.1 Bij het bepalen van een optimaal subjectief recht speelt het concept transactiekosten een grote rol. In een transactiekostenloze wereld maakt het geen verschil of schaarse middelen worden samengevoegd tot een rechtsobject, omdat over alle schaarse middelen zonder meerkosten individuele afspraken kunnen worden gemaakt (zie randnummer 109).2 In de echte wereld zijn die kosten er wel. Daarom worden rechtsobjecten gedefinieerd op een manier die transactiekosten verlaagt.3 Dat betekent dat schaarse middelen bij elkaar worden gebundeld als ze complementair aan elkaar zijn: “complementary attributes are grouped together”.4 Daarnaast houdt het in dat het voor buitenstaanders duidelijk moet zijn wat wél en wat niet onderdeel uitmaakt van een rechtsobject, zodat zij hun gedrag daarop kunnen afstemmen (zie ook randnummer 162).5 Eén van de implicaties daarvan is dat twee rechtsobjecten elkaar niet overlappen; ze zijn strikt van elkaar gescheiden.6 Dit geeft gemakkelijk aanleiding om te denken dat de rechtsobjecten die juridisch relevant zijn, gelijk zijn aan de dingen die we in de wereld om ons heen aantreffen: een auto is één rechtsobject, omdat we het als individueel ding herkennen. Over de vraag of er een verschil bestaat tussen rechtsobjecten en de dingen die we in het algemeen spraakgebruik als objecten aanmerken, wordt in de (Anglo-) Amerikaanse literatuur nauwelijks nagedacht.7
181. Omdat buitenstaanders hun gedrag moeten kunnen afstemmen op een rechtsobject zonder daar alle ‘ins and outs’ van te weten (zie randnummer 157), maakt het moment waarop schaarse middelen aan een rechtsobject zijn toegevoegd geen verschil bij het bepalen wat precies onderdeel uitmaakt van het rechtsobject (zie meer uitgebreid randnummer 295). Een rechtsobject kan dus worden opgebouwd met schaarse middelen, maar er ook mee worden aangevuld. In beide gevallen zijn de schaarse middelen eenvoudigweg onderdeel van het rechtsobject. Het relevante leerstuk voor het aanvullen van rechtsobjecten betreft de zogenaamde ‘accession’, welk leerstuk in brede zin bepaalt onder welke omstandigheden schaarse middelen of rechtsobjecten onderdeel van een ander rechtsobject worden.8 Dit leerstuk is om redenen die niet helemaal duidelijk zijn, welhaast verdwenen uit de (Anglo-) Amerikaanse rechtsliteratuur.9 Toch is het leerstuk interessant om te bespreken. Door een rechtsobject omvangrijker te maken, neemt de vermogenspositie van de gerechtigde toe, zonder dat zijn juridische posities hoeven te veranderen. Stel dat iemand een ‘liberty’ heeft om een rechtsobject te gebruiken, dan kan die ‘liberty’ omvangrijker worden enkel en alleen doordat het rechtsobject waar die ‘liberty’ naar verwijst door ‘accession’ in omvang toeneemt. In de literatuur worden twee verklaringen gegeven voor het bestaan van het leerstuk. Deze hebben alle twee eveneens te maken met het concept transactiekosten.
182. De eerste verklaring voor het leerstuk van ‘accession’ heeft te maken met het toedelen van de extra toegevoegde schaarse middelen. Door deze dwingend te doen toekomen aan de rechthebbende van het rechtsobject, wordt voorkomen dat partijen worden opgezadeld met informatiekosten die bestaan uit het vaststellen wie er rechthebbende van de extra schaarse middelen is.10 Het op deze manier beslechten van de discussie over wie er precies gerechtigd is tot de extra schaarse middelen voorkomt daarnaast dat partijen aanleiding hebben om op maatschappelijk inefficiënte wijze te proberen de vrijgevallen extra schaarse middelen te verkrijgen.11 Omdat deze verklaring puur en alleen ziet op het voorkomen van extra kosten, maakt het in principe niet uit of de extra schaarse middelen van toegevoegde waarde zijn voor de eigenaar van de hoofdzaak.12
183. Een tweede verklaring heeft ook te maken met transactiekosten, maar gaat juist wél uit van de toegevoegde waarde die volgt uit het combineren van bepaalde schaarse middelen. Zo stelt Smith:
“One of the goals in accession law more generally is to furnish defaults for what counts as a thing subject to ownership. If the association between two things is great enough, it makes sense to put them on the same side of a property boundary. Otherwise, there are likely to be interdependencies across the boundary that will require contractual or off-the-rack governance. […] When complementarities and interdependencies are great we tend to put objects together in one module – here an owned thing – and outsiders can treat the thing as an undifferentiated whole.”13
184.
Smith pleit er hier dus voor om schaarse middelen aan rechtsobjecten toe te voegen als ze complementair aan elkaar zijn. De reden daarvoor is volgens hem dat buitenstaanders het bijeengevoegde pakketje als één rechtsobject kunnen beschouwen. Dat zorgt ervoor dat de transactiekosten die gemoeid zouden zijn met het maken van afspraken over het rechtsobject, verlaagd worden.